Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

KERSTVERHAAL

.Lezing gebracht door bestuurslid Paul De Vuyst t.g.v. Kerstconcert Dudzele.

 

Bezieling en Hoop
Kerstnacht 1914
 
Samengesteld door P.De Vuyst
 
In Dudzele hangen het uurwerk en de klok in de oude kerktoren, niet in de nieuwe. Het is de oude toren die het rustige ritme bepaalt van het leven in ons dorp en symbool wil staan voor een oud onthaast tijdsverloop. Dit terwijl de nieuwere kerktoren, als een soort baken, de dorpelingen uitnodigt haar tradities, in gemeenschap, te onderhouden.
 
Dudzele is een reusachtig uitgestrekt mooi vlak stuk Polderland met huizen, hoeven, wilgen en populieren. In het midden van dit land is het dorp ontstaan dat zacht in haar schoot gekoesterd en geborgen wordt. Ons oude dorp is een plaats van rust, vergroeid met de velden en weiden rond haar. Dat land ademt niet alleen de lucht van de zee maar ook dat van een rijk verleden. Het verleden ruist altijd mee met het passeren van de bries door de kruinen van de vele bomen en langs de beide stoere kerktorens. Deze torens staan centraal in het dorp ingeplant en houden als oerkrachten alles bijeen, van verhalen tot mensen. Zolang de dorpelingen deel blijven van dit rijke verleden zal Dudzele moeilijk een slapersdorp kunnen worden.  Het zal een plaats blijven waar het goed is om wonen, één met dat vlakke land. Een plaats waar men terug thuis kan komen.
 
Een kleine honderd jaar terug was een tijd waarin het nieuws gebracht werd op de roepsteen aan het “lijkhekken” hier aan de rand van het kerkhof in de Kerkstraat. Het was ook een tijd waarin onze grootmoeders en overgrootmoeders op de hoogte waren van kwaaltjes en kruiden.
 
In de Kerkstraat stonden in de zomer van 1914 de stoelen buiten met daarop immer naarstige vrouwen en dochters bezig met breien, sokken stoppen en babbelen. Er werd hard gewerkt te Dudzele. Het water werd gehaald bij één van de twee buurtpompen. Ziek zijn, geboren worden en sterven gebeurde toen nog thuis. Het contrast tussen rijk en arm was scherp. Op reis was men nooit geweest. Naar een ander dorp gaan, deed men te voet.
 
Dagen waren lang, er werd gewerkt en gewrocht met handen die langzaam vergroeiden met het werk. Handen waar  men fier op was. Handen die het leven probeerden in z’n “grépe d’hoeden”.   Elk gezin vocht voor z’n bestaan. Er werd een eenvoudig maar hard leven geleid. Iedereen kende iedereen.
 
 
Naar schoolgaan deed je tot aan je plechtige communie maar ondertussen werd er reeds geregeld op het veld gewerkt of in de stal en dit ten koste van het onderwijs. De muren van de schoolklassen waren witgekalkt. Er hing vooraan een groot kruisbeeld en een zwart bord. De houten lessenaars hadden een vaste bank en even vaste leuning en iedereen droeg een schortje omwille van het kreitstof. In de winter zorgde een zwarte buisstoof voor de verwarming. Te warm voor wie met z’n gat te dicht zat, te koud voor wie net wat verder zat.
 
Op 4 augustus 1914 werd België met haar dorpen en steden echter plots in een ongewenste oorlog gestort. Maar de oorlog zou niet lang duren, zei men. Iedereen zou ten laatste met Kerstmis terug thuis zijn. De soldaten waren in december 1914 die illusie al lang kwijt, dit samen met heel wat gesneuvelde kameraden.
 
Na de bloedige IJzerslag van oktober 1914 lagen de soldaten aan beide zijden ingedijkt in hun slijkerige en smerige loopgraven; de Duitsers in de stad Diksmuide, de Belgen iets verderop, over het water, in het dorpje Kaaskerke.
 
Aan het front heerste tussen vrijwel alle soldaten een soort broederband, dit tussen zowel Waalse als Vlaamse gewone soldaten. Overdag werd er op kalmere momenten achter het front veel geplaagd, afgelachen en leken de grote mannen veeleer op kleine jongens. Deze soldaten verstuurden nog steeds massa’s postkaarten en nieuwjaarskaartjes want de oorlog zou immers niet afgelopen zijn met Kerstmis. Het versturen van kaarten was gratis voor militairen. Men hoefde enkel “Service Militaire” of de afkorting ervan in de bovenhoek rechts te noteren op de plaats waar de postzegel normaal kleefde.
 
Kerstmis 1914 was zeer koud op het Belgisch-Duitse front.  Een bijtende oostenwind zweepte over de hard toegevroren IJzervlakte. Aan de hemel joegen grauwe sneeuwwolken, waartussen af en toe een bleke maan doorschemerde. Lichtkogels van beide zijden verhelderden de hemelschoot. Nergens kon je nog iets horen, behalve nu en dan een geweerschot of een korte bui van een machinegeweer. 
 
Aan de vooravond van Kerstmis namen simpele soldaten in de loopgraven plots het initiatief. Zonder afspraak, spontaan. Het blijken vooral de Duitsers (vooral katholieken uit Beieren) geweest te zijn die verbroederingen uitlokten door kerstliederen te zingen en met kaarsen verlichte kerstbomen op de borstwering van de loopgraven te zetten. 
De tegenstanders, die op korte afstand verschanst zaten, reageerden met hun eigen liederen. Iedereen wenste elkaar “Vrede volgens de boodschap van de engel”. Om middernacht werd het vuren volledig gestaakt. Het verschil tussen oorlog en vrede was op dat moment waanzinnig groot. 
 
Aan het Belgisch-Duitse front vond vervolgens een ware kerstverbroedering plaats. Het voorname kerstgebeuren had plaats aan de Hoge Brug in Diksmuide, op enkele meters van de plek waar nu de IJzertoren staat. Op Duits initiatief werd even een wapenstilstand en verbroedering gesloten. 
Opeens hoorde men stemmen, zingende stemmen, aarzelend eerst, vaster dan, aanzwellend tot een machtig kerstlied.
Het kwam van over de IJzer, uit de loopgrachten van de Duitsers. Onze Belgische jongens, verstomd eerst, juichten begrijpend toe en uit Vlaamse soldatenborsten galmde als wedergroet eveneens een kerstlied. Wedergejuich van de Duitsers! Meer zang. Samenzang van “Stille Nacht”. Er werd geroepen: kerstnacht, nacht van vrede, niet schieten!
Eén Belgische soldaat waagt het hoofd boven de verschansing, nog één, nog meer. Er wordt verbroederd. Sigaren, chocolade en snuisterijen worden elkaar toegeworpen.
 
Ook op tweede kerstdag werd op dezelfde wijze verder verbroederd.   Toen de Belgische soldaten dachten dat het ogenblik vrede voorgoed voorbij was, verscheen op het puin van de Hoge Brug een Duitse officier. Hij was vergezeld van een soldaat, zijn helper, die een blinkende monstrans droeg. 
 
“Bonjour Messieurs!” zei officier Anderson en hij legde uit waarvoor hij gekomen was. Even werd onderhandeld met de ondertussen bijgeroepen Belgische bevelhebber kapitein-commandant Lemaire, een waal. Belgische soldaten wierpen vervolgens een lang touw over de  dichtgevroren IJzer en de Duitse helper maakte daar een linnen zakje aan vast, met daarin de monstrans. Zo trok men het symbool van de verbroedering over het ijs.   Commandant Lemaire dankte zijn Duitse collega, beiden groetten elkaar en iedereen trok zich terug in zijn stellingen.
 
De legerleiding was met deze wapenstilstand later maar weinig ingenomen. Zij namen het geval zeer kwalijk op en een paar ondergeschikte officieren, die de verbroedering niet hadden kunnen of willen beletten, werden bestraft.   De hogere officieren waren duidelijk bang voor deze verbroederingsgeestdrift.
Het verhaal van de verbroedering werd onder de soldaten op fluistertoon doorverteld want hun legerleiding had schrik dat nog andere vredesgebaren zouden volgen.  Aan beide zijden lagen immers moegevochten mensen in hetzelfde slijk, met dezelfde angst te wachten, op dezelfde dood.
 
 
 
 
De Waalse officier Lemaire werd overgeplaatst na deze feiten. Hij overleefde de oorlog uiteindelijk en zou in 1935 te Brussel sterven. De Duitse officier Anderson zou sneuvelen aan de Somme, tijdens de oorlog, in 1916. Hij liet een weduwe en drie kinderen achter.
 
De bezieling van de verbroedering had iedereen duidelijk gemaakt dat de haat tegen “de publieke vijand zonder gezicht”, niet diep zat, althans wanneer het ging over de tegenstander als individu, als persoon, als mens. De soldaten beseften dat zij vochten tegen een collectieve vijand, een land. Individueel kenden ze de andere soldaat niet en waren ze ook elkaars vijand niet op dat persoonlijke niveau. En juist daar lag het troostende en hoopvolle. De verbroedering had aangetoond dat er na de oorlog nog een leven kon zijn, en dat men de fout niet mocht maken in algemeenheden te blijven denken en oordelen.
 
Net als zij toen in 1914 zullen wij straks ook een jaar afsluiten en hopen dat het nieuwe jaar gezondheid, hoop en bezieling zal brengen. 
 
Bronnen:
Durnez, G., Zeg mij waar de bloemen zijn. Vlaanderen 1914-1918. Beelden uit de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 1988.
Durnez, G., Een bloem in het geweer. Uitgeverij Heideland, Hasselt. Vlaamse Pockets, deel 167, 1969 (tweede druk).
Van Ryckeghem, J., “De memoires van E.H.Joseph van Ryckeghem in en rond Diksmuide tijdens en na W.O.I.”. Uitgave van de Heemkundige Kring Pastoor Ronse, Zedelgem i.s.m. de familiekring Van Ryckeghem, Zedelgem, 1992.