Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

 

 

 

Tekst opgesteld door P.De Vuyst

 

Een Dudzeelse verplicht tewerkgestelde
Roger Callant
Dudzele
°25 augustus 1924

 

Donderdagavond, 29 september 2011.  Een warme zonnige septemberavond. Martin en ikzelf worden vriendelijk onthaald in het huis op de hoek, vooraan in de Westkapelsesteenweg. Roger, postbode op rust, stuurt ons al onmiddellijk als een aangetekende postbrief, per express, doorheen zijn oorlogsverhaal. Echtgenote en gastvrouw Maria Casier springt haar man af en toe gedienstig bij want al vlug blijkt dat zij die verhalen goed kent.
 
Als een goochelaar tovert Roger plots een oude bruine enveloppe op tafel. In de oude omslag zitten nog veel oudere foto’s en papieren. Die verkreukelde enveloppe leert ons dat het verhaal van Roger niet monddood is maar nog steeds verteld wordt.  De foto’s worden met zorg op tafel uitgespreid. We stappen aan boord van een verhaal en vertrekken.
 
Roger werd geboren in Dudzele dorp. Z’n vader was oorspronkelijk van Sint-Kruis, z’n moeder van Nieuwmunster. Het gezin Callant-Bouillon had eerst in Brugge in de Langestraat, op een appartementje gewoond, en was dan in 1923 naar Dudzele verhuisd. Eén van zeven kleine arbeidershuisjes werd er betrokken achter de Kerkstraat. Vader had voordien in een weverij gewerkt in Sint-Kruis maar werkte dan in de Cokesfabriek te Zeebrugge.
 
Zoals gebruikelijk liepen de kinderen school tot aan hun 14 en dienden dan mee voor het inkomen te zorgen van het gezin. Voor Roger was het niet anders en in 1938 diende er gewerkt te worden. Die periode werd gekenmerkt als een slechte tijd met weinig kans op tewerkstelling. Maar toch werd er iets gevonden en zo werd een eerste werkervaring opgedaan in een bakkerij in Brugge (Dumon).
 
Voor een hongerloon van 100 frank per maand (“kost en inwonen”) werkte Roger 6 op 7 dagen. Maar Roger vermagerde snel, te snel en moest van z’n moeder terug naar huis komen. Eénmaal terug thuis moest er echter opnieuw werk gezocht worden. 
Meester Hemschoote (tevens afkomstig uit Sint-Kruis) wist van een plaatsje als hovenier bij baron Van Neylen op Bossiersgoed. Aan 300 frank per maand kon hij er groenten kweken en elke week werd er met de triporteur helemaal tot in Knokke gefietst. Deze nieuwe mooie tijd zou echter niet lang duren. Een nieuwe oorlog brak uit in mei 1940. 
 
Oorlog
Als 16-jarige zag Roger Belgische soldaten bivakkeren in de school van de zusters in de Kerkstraat.   Hijzelf kon niet langer werken op Bossiersgoed en probeerde aan de kost te komen bij aannemer Van Hauwaert uit Sint-Kruis. Daar probeerde hij het harde werk van de “diender” bij de “matsers” onder de knie te krijgen. Ondertussen werd alles steeds duurder. De koopkracht ging achteruit. Vervolgens vond Roger werk op het vliegveld te Knokke. Dit vliegveld werd een belangrijke Duitse schakel in de slag om Engeland. De Duitsers zouden Engeland murw bombarderen en hadden nood aan vliegvelden langs onze kust om de afstanden klein te houden. De Duitse jagers en bomwerpers hadden immers een beperkt vliegbereik. Een gevaarlijke periode brak aan. Roger vertelde hoe de Engelse vliegtuigen “Spitfires” laag over zee kwamen aangevlogen en over het land scheerden. Bombardementen volgden. De Duitsers dienden uiteindelijk het vliegveld te verhuizen. Opnieuw kreeg Roger een andere arbeidsplaats; het bouwen van bunkers aan onze Belgische kust als onderdeel van de beruchte Duitse Atlantische Muur. Een dagtaak bestond toen uit 10 uur arbeid.
 
3 oktober 1942
Tijdens de werken aan de bunkers werden de jongemannen door de Duitsers plots samengedreven. Dit was reeds eerder gebeurd naar aanleiding van de mislukte geallieerde landing in Dieppe maar ditmaal wist niemand waarom. Roger en z’n werkmakkers konden niet ontvluchten en kregen te horen dat zij deel zouden uitmaken van “Operation TODT”.   Deze zogenaamde niet-militaire organisatie had echter wel officieren en wapens.  De Dudzeelse secretaresse Maria werkte voor de Duitsers en haar schrijfmachine ratelde dag in dag uit. Ze hield tevens café in de Kerkstraat rechtover het gemeentehuis. Samen met haar liepen de Duitsers de lijst af en zag men dat Roger ouder was dan 18.   Iedereen mocht naar huis maar men diende zich de dag erna te melden in Brugge, alsook de meerderjarige Roger. 
 
Dudzele
In 1942 behoorde Dudzele tot het Duitse “Spergebiet” vlakbij de kust. Overal lagen mijnen. De Herdersbrug kon tijdens de dag oversteken en met behulp van een “Schein” of doorgangsbewijs kon men de bewaakte brug over. ’s Avonds werd de Herdersbrug steevast opengedraaid. Het “Spergebiet” liep tot aan Kruisabeele. 
 
Roger behoorde in die periode tot de burgerlijke dienst van de luchtbescherming en was lid van de brandweer.
 
Toen Roger thuiskwam met de melding dat hij opgeëist was om voor de Duitsers te werken als verplicht tewerkgestelde, en naar Duitsland moest, kwam dit hard aan in het gezin. Oorlogsburgemeester Steyaert vroeg of Roger niet wou tekenen voor het rechtse VNV. Als hij tekende zou hij thuis kunnen blijven. Roger tekende niet en zodoende diende hij naar Duitsland te vertrekken.
 
Andere verplicht tewerkgestelden
Roger was niet de eerste Dudzelenaar om naar Duitsland te vertrekken. Anderen waren reeds voor hem vertrokken, zoals: Gustje Gryse en Staf Wermuys. Deze laatsten zouden na hun verlof niet meer terugkeren naar Duitsland en onderduiken. De Duitsers zouden echter snel een remedie vinden tegen dat onderduiken. Voor elke gedeporteerde werden twee personen als verantwoordelijken aangeduid. Wie niet terugkeerde wist dat twee verantwoordelijken zouden opdraaien en gestraft worden.
 
Brugge en Organisation “L”
Na een medische controle vertrok Roger naar het station te Brugge. Overal stonden opgeëiste jongemannen verzameld te wachten op instructies. Allemaal mannen uit de streek (Wenduine, Brugge, enz.). Vanaf een soort preekstoel werden de namen met Duitse precisie één voor één afgeroepen. Roger vertrok samen met Dudzelenaar Staf Delatere. Beiden zouden uiteindelijk hun ganse tijd in Duitsland samen doorbrengen. Op de oproepingsbrief van Roger stond Organisation “L”.   Hij zou, althans op papier, 48 uur per week dienen te werken en dit tegen vergoeding.
 
Een trein bracht hen naar Aachen (Aken). In Elsenborn kreeg iedereen een oud bruin Duits uniform met kwartiermuts (zie foto). Alle burgerkleren werden afgenomen maar Roger slaagde erin om een dikke trui, gekregen van z’n moeder, te behouden. De volgende morgen vertrok de trein opnieuw. De reis met de trein verliep in goederenwagons of “beestewagons” waar de mannen met 40 samen opeengepakt zaten. Hun groep had als verantwoordelijke een Duitser die nog gevochten had in de Eerste Wereldoorlog.  Hij was streng maar correct. Iets wat niet kan gezegd worden van een andere officier genaamd Schutze. Hij was een oog verloren in de aanval op Polen in 1939. 
 
In Elsenborn werden de mannen ’s morgens bijeengebracht op de markplaats. De vele aannemers draaiden rond de groepen en eisten de mannen telkens op. Het harde werk in de bouw kon aanvatten.
 
Na Elsenborn kwam Krefeld. In Krefeld kende men nog de Belgen uit de tijd van de Rijnbezetting net na de Eerste Wereldoorlog. Daar was men veel vriendelijker en aangenamer in de omgang. Daar brak een betere tijd aan. Eén van de bazen kon zelfs Nederlands. Ondertussen leerde Roger zichzelf steeds beter Duits te spreken. De Duitsers konden dit appreciëren en dit zou zich later handig vertalen om af en toe de Duitsers wat gezinder te maken.
 
Na Krefeld volgde opnieuw een vliegveld. Ditmaal te Bernburg.    Locatie na locatie volgde zich op. Het was verbazend te horen hoe snel en eenvoudig Roger z’n locaties in volgorde kon opnoemen: Aachen, Elsenborn, Krefeld, Bernburg, Friederichshafen, Stettin, Weichmar en dan naar de laatste locatie maar de naam van het plaatsje was hem ontgaan.
 
Barakken
Ondertussen werd er geleefd en geslapen in barakken. Op elke “Lager” lag men met 14 mannen en dit verdeeld over 7 dubbele britsen. De oudste onderaan en de jongste bovenaan. Om 22.00u moest iedereen binnen zijn.

 

Roger uiterst links voor een barak
 
Een vreemde ontmoeting
Verplaatsingen werden vaak ook te voet gedaan. Zo kruiste de groep van Roger ooit eens met Waalse troepen van het “Legion Wallon” van Degrelle.
Troepen op weg naar het oostfront, Rusland. Roger en z’n kompanen zongen uit volle borst de Brabançonne in het passeren. De Duitse oppasser vreesde het ergste en waarschuwde voor mogelijke represailles maar die kwamen er gelukkig niet. 
 
De kompanen
Roger legde ons verschillende foto’s van kampmakkers voor. Twee in Duitsland gedrukte gebidsprentjes, van Jozef Vleugels en Jozef Goris, toonden ons een afbeelding van twee jonge mensen kapotgebombardeerd te Weimar.    Een andere foto toonde ons Alfons Decloedt uit Wenduine. Alfons z’n vader was als één der eersten gesneuveld voor België in mei 1940. Op een dag noemde hij Hitler een zwijn en prompt werd hij gedeporteerd naar een Gestapo strafkamp. De uitgemergelde Alfons overleefde het strafkamp maar zou achteraf zoveel ineens gegeten hebben dat z’n maag sprong.  Iets wat vaker gebeurde met uitgehongerden. Hij staat vermeld op het monument in Wenduine.

 

Alfons Decloedt
 
Anderen zoals Frans Verbauw (uit Sint-Pieters bij Brugge), Etienne Mallargier (uit Brugge) zouden de oorlog ook overleven. Er was ook Staf Ceuppens uit Turnhout. Staf werd de beste vriend van Roger. Hij had voor de oorlog gewerkt in een snoepfabriek en na de oorlog werkte hij voor DAF in Nederland. 47 jaar na de oorlog is Staf Ceuppens op bezoek geweest bij Roger in Dudzele. Een jaar later was Staf overleden. Staf had z’n oude vriend voor een laatste keer komen bezoeken.
 
Bombardementen
Roger werkte als “Bau-Hilfsarbeiter” met als standplaats “Einsatzamt” Stettin. Dit betekende dat Roger hoofdzakelijk in de weer was in de heropbouw van steden. Hierdoor werd Roger vaak blootgesteld aan bombardementen door Engelsen ‘s nachts (industriële doelen) en door Amerikaanse bommenwerpers overdag (burgerlijke doelen). Maar meer naar het oosten waren het de Russen die bombardeerden. Aanvankelijk lag Roger vaak te zweten in z’n bed met het suizen van de luchtalarmsirenes in z’n oren maar ook na de oorlog thuis in Dudzele. De verhalen over de bombardementen zouden ons gesprek domineren. 
 
De stad Stettin kreeg bommen van de Russen. Zo werd eens een bunker getroffen volgestouwd met Hongaarse joden.   Achteraf werd de bunker een massagraf want deze werd gewoon dichtgegooid met behulp van een bulldozer.
 
In Freiderichshafen (in het zuiden van Duitsland in Beieren) kwamen de Amerikanen van over Zwitserland Duitse steden bombarderen. Zo werden de beroemde Zeppelin hangars aldaar door de Amerikanen vernietigd. Tijdens dit bombardement zijn zeer veel Italianen om het leven gekomen. Roger en z’n vrienden zagen over de Bodemsee aan de andere kant het neutrale Zwitserland. Wellicht ontvingen de Zwitsers grof geld van de Amerikanen om hun grondgebied te laten overvliegen.
Krefeld veranderde in een kolkende vuurzee. 4000 doden. De hele stad brandde. Het was een afgrijselijke ervaring voor Roger. En daar had Roger bijna een zenuwcrisis. Gelukkig had hij 1 kilogram tabak bij zich, bedoeld om te ruilen voor voedsel, want roken deed Roger niet. Een vriend stak hem een sigaret toe en door die sigaret kwam hij er terug door. Roger is vanaf dan blijven roken.
 
Samen met de bombardementen kwamen ook niet ontplofte springtuigen, de zogenaamde blindgangers. Het ontmantelen van blindgangers was een zeer gevaarlijk werk. Zo leerde Roger een Duitse politieke gevangene kennen die zou
vrijkomen als hij 100 bommen had ontmijnd. Hij zat toen reeds aan 90. Roger heeft de Duitser nooit teruggezien.
 
Roger herinnerde zich een vliegtuigbom waar je met beide armen met moeite omheen kon. Ondertussen horen wij Roger steeds vaker Duitse woorden gebruiken alsof het onuitwisbare stuk verleden af en toe eens komt overnemen.
 
Eten
Slechts éénmaal per dag werd er eten gebracht, ’s avonds. Dan kreeg iedereen een vijfde deel van een brood, een stukje ersatz boter (aftreksel van kolen), een stukje worst, een slok koffie en drie “pelpatatten” in een soort saus. ’s Morgens was er enkel koffie.
 
Kledij, hygiëne en kranten
Op zondag had men vrij maar dat was om de kledij te kunnen wassen. Doch sinds 1945 was dit al niet meer zo. In die periode had men toen al geen onderbroek noch onderhemd meer. Sokken waren er al langer niet meer. Persoonlijke hygiëne stond bij de Duitsers echter steeds hoog in het vaandel. Iedereen diende zich te wassen en te verzorgen ook al was er geen zeep noch washandje. In Stettin stond het water ’s morgens bevroren in de kuipen buiten. 
 
De schoenen waren op het laatst van geperst karton of men had een soort klompen met bovenaan wat leer en een zool in hout.
 
Op zondag kon men een gewone Duitse krant kopen maar dat bleek allemaal propaganda te zijn.
 
Ziekte en geloof
In z’n periode in Duitsland heeft Roger niemand echt ziek geweten. Zelf had hij ooit eens ernstige keelpijn en kwam 3 dagen terecht in de ziekenboeg. Hij werd er behandeld met een soort stok die men in de keel duwde totdat hij bijna de ingewanden uitbraakte. 
 
Een Antwerpse SS stond toen aan het hoofd. Van hem moesten zij de Vlaamse Leeuw zingen of er kwam geen eten op tafel ’s avonds. De mannen weigerden te zingen en de SS’er verbood hen eten. Toen de man in het zwart weg was, liet een andere Duitser het eten toch opdienen.
 
In Elsenborn bezocht Roger een kerkdienst. Duitsland is echter overwegend protestants maar dit wist Roger niet. De dienst was niet zoals gebruikelijk en de mannen werden wat later gevraagd of zij “Katholisch” waren. Na een schuchtere “Ja” volgde een barse “RAUS !”. Roger z’n moeder had gevraagd om steeds te proberen naar de mis te gaan maar in de praktijk was dit niet mogelijk.
 
 
 
 
Het verlof en het VNV
Slechts éénmaal is Roger op verlof naar Dudzele kunnen komen. Dit was aanvang 1943 en duurde maar 8 dagen. Er waren jongens die in hun verlof tekenden voor het VNV omdat ze dan niet meer terug moesten maar dat heeft Roger nooit willen doen.
 
Bevrijding en verlossing
Roger was in Berlijn, in het industriegebied van Spandau, toen hij voor de eerste keer van Franse verplichte tewerkgestelden hoorde dat de bevrijding was ingezet en dat onze streken reeds ontzet waren. Dudzele was aldus reeds bevrijd maar Roger zat nog in Duitsland. Ondertussen nam de vrees voor bombardementen opnieuw de overhand. Hun treinstellen stonden immers vlakbij de wapenfabrieken van Spandau. Gelukkig werd er niet gebombardeerd maar de trein reed terug verder oostwaarts, weg van België.
 
Op de laatste locatie, een boerderij, werd het werk plots verstoord door een bombardement. Alles wat bewoog op de grond werd immers beschoten of aangevallen vanuit de lucht. Men deed dit om de Amerikaanse grondtroepen te ondersteunen in hun opmars door Duitsland. Roger en de anderen doken weg in krachten en schuilputten. Jammer genoeg zou één kompaan hierbij alsnog het leven laten, dit in het zicht van de bevrijding. Het was 11 april 1945. Een dag om nooit te vergeten.
 
Onmiddellijk na hun bevrijding vertrok de groep richting België. Na twee dagen en nog een halve dag werd al 125 km gestapt tot in Munster. Deze afstand werd grotendeels te voet maar ook met paard en kar afgelegd. De anderen vertrokken de volgende dag opnieuw vanuit Munster maar Staf Delatere was aan het eind van z’n krachten en kon onmogelijk verder. Roger besloot om bij Staf te blijven. Samen verbleven zij met 4000 anderen (Fransen, Italianen, enz.) in een kazerne. De Italianen werden er als verraders behandeld. De kazerne werd opgedeeld in twee vleugels, de ene kant met westerlingen (Belgen, Fransen, enz.) en de andere kant met oosterlingen (Russen, Polen, enz.). De “westerse” kant werd ondersteund door de Amerikanen. Zo kregen Roger en Staf driemaal per dag te eten. Iets wat zij al jaren niet meer gewoon waren. Roger en Staf zouden uiteindelijk 21 dagen later dan de anderen in Dudzele staan, namelijk op 23 mei 1945. Tussen september 1944 en mei 1945 was er geen contact meer geweest tussen Roger en z’n ouders. Het weerzien werd een feest.
 
Staf Delatere zou na de oorlog in Dudzele in de Feverystraat wonen.
 
Na de oorlog
Na de oorlog konden de verplicht tewerkgestelden genieten van bepaalde voordelen voor wat betreft medische verzorging en vergoedingen. Zo is Roger voor een commissie moeten verschijnen om te bewijzen dat hij als verplicht tewerkgestelde afgevoerd geweest was. Met hulp van de foto’s en z’n “Ausländer – Ausweis” kon Roger dit voldoende staven en kon hij ondermeer genieten van een driemaandelijkse vergoeding.
 
Roger koesterde na de oorlog geen wrok tegen de gewone Duitse burger want deze kon je volgens hem moeilijk veroordelen. De oorzaak lag bij de NAZI-partij. Zodoende heeft Roger niet nagelaten om later Duitsland als toerist te bezoeken.
 
NSB Dudzele
NSB Dudzele bedankt Roger en Maria voor hun gastvrijheid en het delen van dit verhaal. 
Tijdens het gesprek konden wij niet naast een opgehangen kader vol medailles kijken. Dit kader had toebehoord aan de vader van Roger, Boudewijn Callant.   Boudewijn had deel uitgemaakt van het roemrijke 24ste Linieregiment. Deze vuurkruiser had 8 frontstrepen (het maximum!). Als dienstplichtige werd hij in 1911 soldaat en dit tot in 1913. In 1914 werd hij gemobiliseerd voor de oorlog.
 
Twee generaties gedomineerd door oorlog, van vader op zoon.

.

Roger Callant  (l) Ceuppens (r) Roger Callant (l) in Friederichshafen Roger Callant in barak; 2de rij, 2de van rechts Roger Callant aan station Stettin Roger Callant in Friederichshafen 1944 Roger Callant (l) Frans Verbouw (r) Roger Callant in kamp Stettin

.

oger Callant oproepingsbrief Roger Callant Ausweis Roger Callant Ausweis 2 Roger Callant Ausweis 3