Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

 
ANDRE SLEMBROUCK
  
             07/05/1924 - 28/05/2013             
 
Verplicht tewerkgestelde WO-II
   
 

                        DEPORTATIE     

            14.4.1943.

 Datum waarop ik gedeporteerd  werd naar Duitsland  met bestemming de havenstad Hamburg. Een 14 tal dagen voordien werd ik opgeroepen door de werbestelle (arbeidsambt)  in Brugge, gehuisvest in de lokalen van de Gilde in de Oude Burgstraat, om zogezegd   als vrijwilliger te gaan werken in Duitsland. Men zou zelfs een premie krijgen , plus een paar nieuwe schoenen. Ik weigerde , zoals zo velen die eveneens opgeroepen werden, te ondertekenen. Er  was niets anders aan te doen , dan maar vertrekken. Onderduiken was een zeer kleine mogelijkheid, daar wij in het Spergebied woonden (zeer beperkte mogelijkheid om zich te verplaatsen, maximum vijf kilometer zonder schein, een Duits doorgangsbewijs) en de eventuele sancties tegenover de andere familieleden.  Mijn zuster Elsa is meegegaan tot aan de trein.
Het duurde niet lang om kennis te maken  met  de andere lotgenoten,  o.a. met Andre Doossche uit Knokke. Wij spraken af  om bij elkaar te blijven in alle omstandigheden die zich zouden voordoen. Het was een lange reis dwars door België. Het begon reeds te deemsteren als de trein de statie van Aken binnen stoomde. Allemaal uit de trein en in een lange sliert  naar een grote zaal waar wij een avondmaal kregen. Wat wij toen gegeten hebben herinner ik mij niet meer. Dat er duchtig gezongen werd na de maaltijd was normaal met zoveel jonge gasten van rond de 20 jaar. Iemand had een accordeon mee. (Dat we toffe jongens zijn dat willen wij weten… Waar de meisjes zijn.. ) Rond middernacht, terug naar de statie in Aken. Allemaal  de trein op. Al tastend in de donkere coupees. Zo goed en zo kwaad als het kon, om toch maar een beetje ruimte te hebben voor onze bagage en voor ons zelf. Zo vertrokken wij noordwaarts richting Hannover, waar de trein in twee delen  werd gesplitst. Ons treinstel zette koers naar Hamburg.
Het was al redelijk laat over de middag als de trein de grote spoorwegbrug in Harburg over de Elbe op reed om zo de statie van Hamburg te bereiken. Uitstappen. Op het plein voor de statie stonden enkele Duitsers ons  op te wachten. Elk moest een deel van de mannen meedoen. Onze man had er dertig nodig. Het duurde nog een beetje eer hij zijn juist  aantal bijeen kreeg. Er was een weg en weer lopen omdat sommigen niet wilden gescheiden worden van elkaar. Nu onze man had zijn dertig personen  en we konden  vertrekken  met de tram  naar de linkeroever van de Elbe, waar de H.C. Stulkenswerf gelegen is.(het gaat hier om een duikbootwerf)...
      Ter bestemming aangekomen stapten wij  een  pakhuis binnen (een redelijk oud gebouw, die vroeger nog dienst gedaan had als magazijn  voor parfumerie aan het oude opschrift te zien (eau de cologne), dit was dus ons lager waar wij gekazerneerd werden. Daar werden wij gevraagd een arbeidscontract te ondertekenen. Er werd natuurlijk geprotesteerd want niemand was als vrijwilliger naar hier gekomen. Een  Hollander kwam tussenbeide (het bleek later de kok te zijn) die ons heel eenvoudig er op wees dat dit niet verstandig was en ons nutteloos veel miserie kon bezorgen.
Dan maar allemaal getekend.
Ons eerste avondmaal  viel tegen. Kazakken (gekookte aardappelen met de  pel, met de scheuten er dwars door gegroeid, ook zo de volgende dagen en weken tot  de nieuwe aardappelen aankwamen). Dat vergeet ik nooit . Het was zo erg, dat ik tientallen jaren geen meer kon zien; ik heb er teveel moeten eten. Wat er nog bij was van vlees kan ik mij niet meer herinneren.
Wat ik toen heb gezien is mij altijd bij gebleven. Toen wij door het raam naar buiten keken zagen wij een groepje haveloos geklede Russische krijgsgevangen al slepend voorbijgaan, al zoekend in de vuilnisbakken achter etensresten en opgejaagd door de Duitse begeleider.  Onze eerste confrontatie met  de werkelijkheid van de oorlog.

’s Anderendaags werd van ons een pasfoto gemaakt. Wij kregen een speciale pas met de naam van de werf erop en een armband met de Belgische driekleur. Wij moesten dit dragen, zo kon men zien dat wij buitenlanders waren  Ons  werk  bestond er in .  Alle dagen van ’s morgens 7 uur tot  ’s middags en na de middagpauze van 1 uur tot  ’s avonds  5 uur,  vijlen op stukjes ijzer. Daarna waren wij vrij in gaan en keren. Als je maar op tijd op je werk aanwezig waart. Met de avond werd de vloer geveegd om al de stukjes ijzer en vijzel te verzamelen. Niets mocht verloren gaan.  Zelfs op de elektrische aanstekers stond er een waarschuwing aangebracht met een sticker“kohlenklau” (een ventje met een zakje kolen op zijn rug). Niet ver van de atelier was er een postkantoortje. Die had natuurlijk veel werk met de buitenlanders om brieven naar thuis te verzenden.
Pasen 1943. Dit jaar zeer laat op 25 april. Het werk werd gestopt van Goede Vrijdag tot en met Paasmaandag. De vrijdagmiddag was er een middagmaal met geschilde aardappelen en een groot stuk vlees. Dit was wel een verrassing. Blijkbaar was Goede Vrijdag een bijzondere feestdag in Duitsland, dit in tegenstelling van bij ons. (op dien dag was het normaal vlees derven). Wij hebben ons Pasen gehouden in een katholieke kerk (een van de vier in en rond Hamburg) een goede halfuur gaans van ons lager. Als ik het goed voorheb was dat Willemsburg.
De dagen gingen voorbij,  eten,  slapen,  de was doen,  brieven schrijven naar huis, en eindelijk brieven ontvangen , waar wij zolang naar uitgekeken hadden. Op een zekeren dag  moesten wij met een paar kameraden ,  aluminium  kastjes uiteen vijzen. Die waren bestemd om terug in elkaar te steken binnen in een duikboot. Wij mochten mee om ze te dragen tot boven op de duikboot. Maar niet verder daar had je een speciale pas voor nodig.
Op een bepaalde voormiddag werd ik onwel en koortsachtig. Ik heb mij buiten  in de zon gezet en gevraagd om een dokter te mogen raadplegen. Wat zonder meer werd toegestaan, maar het duurde nog tot laat in de namiddag. Er werd mij een tolk (dolmetscher) aangewezen. Het was een Hollander. Zo goed als ik kon heb ik in het Duits verteld wat mij overkwam.  Ik had geen tolk nodig. De dokter was heel kort. In het Frans zei hij tegen de verpleegster die met hem meegekomen was, dat ik scharlakenkoorts had (rode koorts) en dat ik naar het hospitaal moest; omdat dit zeer besmettelijk was. Een ziekenwagen zou mij komen ophalen.
Nadat ik eerst gegeten had, vertrok ik met een ziekenwagen  naar een hospitaal. Waar ergens in Hamburg, ik heb het nooit geweten. Daar aangekomen werd ik een bed toegewezen. Ik kreeg een inspuiting van een verpleegster. ’s Anderendaags opnieuw verhuizen, ditmaal naar een kliniek buiten de stad Hamburg, geheel aan de oostzijde. Ditmaal voor zes weken in quarantaine. Het was er goed. Goeie verzorging, Het eten was goed. Er werd geen onderscheid gemaakt  tussen Duitsers en buitenlanders.  Zo was er iemand uit Blankenberge (zijn naam kan ik mij niet meer herinneren).  Wij hebben uren gepraat in ons  westvlaams  dialect. Zo ver ik iets kon vernemen, behoorde hij tot het verzet en was hij waarschijnlijk geïnterneerd.
Zo was er ook een Noor, die uit de gevangenis kwam.  Als hij ontslagen werd en terug naar het gevang moest, had hij een bijbel mee, het binnenste had hij uitgehold en er pruimtabak ingestoken, want dat mocht hij niet meenemen. Er was ook een Parisien (marinier) die vloeiend Duits en Engels sprak, waar ik ook veel mee gebabbeld heb, soms met drie talen door elkaar, als ik in het Frans bleef steken. Er werd ook geschaakt. Daar heb ik veel bijgeleerd en ook kennis gemaakt met de Duitse schaakliteratuur.
Sinksenmaandag kreeg ik bezoek  van mijn makkers uit het lager. Wij mochten  geen contact hebben met elkaar , wegensbesmettingsgevaar ? Het was roepen van uit het venster op de eerste verdieping naar beneden.  Zo wisten zij te vertellen dat ze daags voordien naar een voetbalmatch waren gaan kijken.
Op een warme zomerse avond zaten wij gezellig bijeen. Er werd gebabbeld over van alles en nog wat. Er werd gezongen in verschillende talen, ook in het Engels, o;a. its a long way to tipporary , come back my bonny to my . 

’s Anderendaags kregen wij te horen dat dit niet meer mocht gebeuren, vooral de Engelse liedjes.  Op een bepaalde nacht was het luchtalarm. Grote verhuis van de zieken naar de schuilkelders.  Een uurtje later werd er afgeblazen. Terug alles naar boven. Er was niets gebeurd.


10 juli 1943.

De geallieerden zijn geland op Sicilie. Nieuwe hoop en vertrouwen, het begin van het einde.  Het moment was gekomen dat  ik ontslagen  werd . Dus terug naar het werk. Het enige dat men mij wisten te vertellen was: Als je buitenkomt aan de ingang van het ziekenhuis op honderd meter links heb je de metro. Zo gezegd zo gedaan. Ik wist wel dat, dat  bestond. Maar nog nooit een gezien. Daar binnengekomen . Op een groot bord waren de metrolijnen uitgestippeld. Ik bevond mij aan de oostzijde van Hamburg. Mijn  bestemming was Altona aan de westzijde tot aan de ingang van de tunnel  onder de Elbe. Opgestapt en ter bestemming aangekomen. Door de tunnel naar de overzijde.  In het lager aangekomen, werd mij gezegd dat ik eerst naar de bureau moest gaan van de werf. Daar aangekomen werd  mij verteld dat ik nog enige dagen herstelverlof mocht nemen. Er werd mij enkele marken uitbetaald, het saldo van het loonverlies wegens ziekte, na aftrek van de kosten in het ziekenhuis. Een welgekomen buitenkansje. Iets wat ik niet verwacht had.


Zaterdagnacht 24 juli 1943.

Wij waren juist thuisgekomen van een avondje stappen in Hamburg met enkele kameraden. Het was middernacht. Luchtalarm! Naar beneden. Nog voor wij in de schuilkelder kwamen vielen de eerste bommen en zo twintig minuten lang. Een hels gedruis. Wij voelden het gebouw weg en weer gaan.
Ik dacht dat is het laatste, ik kom hier niet meer levend uit. Boven op het gebouw was er een mitrailleusepost  geïnstalleerd . De bemanning kwam naar beneden gevlucht. Het was niet te doen zeiden ze. Wat een opluchting wanneer het alarm afgeblazen werd. Terug naar boven. Gelukkig dat het gebouw niet getroffen werd.
Alle ruiten waren gesneuveld. Het glas was overal rond gevlogen, tot op de bedden toe. De kasten bleven rechtstaan. Ik had een grote kom bruine bonensoep weggezet. Alles was oke, ook de soep. Maar buiten was het een chaos, overal branden.  Men  had een massa fosfoorbommen uitgestrooid. Achteraf bekeken hadden wij geluk gehad. Wij hadden de eerste bommen gekregen, niet zo dik gezaaid; maar naar mate men de stad naderde waren ze kwistig uitgestrooid. Wij zagen een fabriek van verven  in de vlammen opgaan. De vaten met verf vlogen  de lucht in , waar ze ontploften en brandend terug neerstortten. Van slapen was er geen sprake meer. Zo bleven wij heel de nacht door naar het schouwspel kijken. Toch wel met een beetje leedvermaak, op dit ogenblik waren de Duitsers onze vijand. Een paar dagen voordien werd er verteld dat de ganse duikbootvloot binnen was gevaren,  allemaal beschadigd door de diepzeebommen.’s Anderendaags bij klaarlichten dag, overal waar men keek, was er een grote stofwolk. De zon was amper te zien, alleen een rode bol. Zo zijn wij met enkelen naar de mis geweest (het was toch zondag) een half uur vandaar.  Bij luchtalarm  was de mis een paar uur later. ’s Middags weer luchtalarm. Het waren Amerikaanse vliegtuigen , heel laag scherend over de gebouwen en natuurlijk met een paar bommen. Een ontplofte niet ver van onze schuilplaats. Nevens ons lager bevond zich het gebouw van de brandweer.  Verscheidene houten luiken die de kelders afschermden waren kapot geslagen. Wat zagen wij ? De kelders lagen vol met vaten benzine die daar opgeslagen waren. Wat een geluk dat er geen brandbommen op de kazerne waren gevallen vorige nacht, of wij werden levend geroosterd.  Wij besloten met enige makkers te vertrekken naar veiliger oorden om de volgende nacht door te brengen. Wij vonden onderdak  in een barakkenkamp, waar wij met open armen ontvangen werden . ’s Anderendaags , na een nachtje slapen, onderbroken door het luchtalarm vertelden wij dat wij terug naar ons lager moesten, ( wij hadden gemerkt dat deze kampplaats bestuurd werd door zwarthemden en dat was niet naar onze zin). Zo gezegd, zo gedaan, wij vertrokken terug naar ons lager. Wij besloten om eens te gaan kijken naar de stad Hamburg. Met een bootje over de Elbe varen ( de tunnel was afgesloten, ze stond onder water).
De Reeperbahn over, zodat we in de binnenstad konden komen. Het was erg om aan te zien. Overal uitgebrande huizen. De muren stonden nog recht. Zwart geblakerd. Hier en daar enige brokken steen die naar beneden vielen. Een smeulend vuurtje. Het was akelig. Wij hadden geen goesting meer om nog verder te gaan, zodat we op onze stappen terugkeerden. Opnieuw de stroom oversteken met een bootje. Er waren nog medepassagiers. Een ervan vaarde uit tegen een man met een
armband met een hakenkruis in het Duits: heb je het nu gezien wat er is gebeurd is, het is allemaal jullie schuld. Natuurlijk deed er nog een mop de ronde. Het standbeeld van Bismarck was blijven rechtstaan. Alles was vernield er rond. Wij hadden vernomen dat een hulppost was, die gratis eten uitdeelde aan de getroffen bevolking. Daar aangekomen konden wij een homp brood bemachtigen. Vandaar gingen wij meer naar het open veld, het was trouwens mooi zonnig weer. Wij vonden een plaatsje  op een heuveltje in de schaduw van de bomen. Tegen de avond kregen wij bezoek van een Belgische krijgsgevangene, die van het veld kwam,  en als hulp in een landbouwbedrijf was tewerkgesteld. Wij waren besloten van op die plaats in open lucht te overnachten. Het begon reeds te donker te worden . Een politieman kwam ons opzoeken en zei,dat wij mee moesten komen, dat het veel te gevaarlijk was. Hij bracht ons naar een nabijgelegen café. Wij mochten in een schuurtje slapen. Die nacht was het weer zo ver. Luchtalarm. Terug bommen op Hamburg. Het was een vreselijk schouwspel; Zo ver wij konden kijken was het een vuurgloed over de horizon.  Woensdag 28 juli 1943. Na nog wat rondgedoold te hebben, vooral om aan eten te geraken, besloten wij, allemaal tegelijk : we gaan naar huis! We waren met  zes personen: André Doossche uit Knokke, André Lippens van Lapscheure, André Bultynck van Westkerke, André Vandermoere uit Jabbeke, Jozef Croes van Klemskerke en ik uit Dudzele Zo gezegd, zo gedaan.
Op onze weg kwamen we een stationnetje tegen, gelegen op de lijn van Hamburg naar Bremen. Elk een coupon gekocht enkele reis bestemming Bremen. Opgestapt in de coupé zat een Duits soldaat, zeer te neer geslagen. Hij vertelde ons dat hij in verlof was gekomen naar zijn ouders in Hamburg, hij had ze niet meer gevonden, het huis waar ze woonden was vernield, hij ging terug naar zijn eenheid gelegen in Maastrcht Toen hij vernam dat wij van plan waren naar huis te gaan in België, stelde hij voor om ons op de militaire trein te helpen. In  Bremen aangekomen, de avond begon reeds te vallen, was het weer luchtalarm. Iedereen naar beneden gaan schuilen. Er werd afgeblazen. Gelukkig was er niets gebeurd. De trein arriveerde voor onze soldaat. Hij deed nog een poging om ons mee te krijgen. Maar het lukte niet. Dan maar gewacht op de trein naar Aken. Die zat bomvol. Er was nog een beetje plaats in de gang, amper genoeg om ons neer te zetten en zo reden wij de nacht in zuidwaarts. In Osnabruck stapten er een deel af, zodat wij konden plaats nemen op de banken, dat was toch een beetje confortabeler. ’s Morgens reden wij al door het Ruhrgebied. De industriestad Wupperthal ook helemaal verwoest door de brandbommen. Zo arriveerden wij in de namiddag in de statie van Aken uitgestapt.
Hoe geraken wij hier uit de statie? Een beetje getreuzeld, onze drinkbussen gevuld met drinkwater. Tot plots een jonge vrouw naar ons toekwam en vroeg in het Frans of wij van Hamburg kwamen en ons de raad gaf naar de uitgang te begeven, daar zou iemand van het arbeidsambt ons opwachten, ons geleiden naar een barakje en ervoor zou zorgen voor de nodige papieren. Toen wij in dit barakje kwamen was dat nogal vol vluchtelingen. Ik had groten honger. Ik vond nog een  korst brood. Het heeft mij nog nooit zo gesmaakt niettegenstaande het uitgedroogd en hard was. Na een paar uur gewacht te hebben, kwam de man van het arbeitsambt terug met onze paspoorten en voor ieder een certificaat, die ons toelating gaf de grens te overschrijden, erbij voegende dat dit vandaag moest gebeuren. Hier geef ik de inhoud van dit document opgesteld in het Duits.

Arbeitsambt Aachen Aachen, den 29 juli 1943.
A.L. 5511.2 – U - Der für die Firma H.C.Stülcken Sohn  in Hamburg – Steinwärder angeworbehe Ausländische  Staatsangehörige: Name  Slembrouck   Vorname  André
Geb am    7.5.24      genaue Heimatanschrift    Dudzele  bittet um Grenzübertrittserlaubnis, da er – nach dem Ergelnis der Feststellungen –
Laut Bescheinigung  (Sammelbescheinigung) der NSDAP Hauptanbt für Volkswolfahrt in Hamburg 8 vom 28/7/43 ist der Genannte total fliegergeschädigt und fährt zur Beschaffung neuer Kleidung in seiner Heimat.
Gegen die Ausreise in die Heimat bestehen diesseits keine Bedenken.
Zu Auftage:
AL. Nr. 75a – 6.43-500  (get. Hoofdcommissaris Polizei)

 Toen we buitenkwamen werden we terug aangesproken door dezelfde vrouw, die ons te woord stond in het station. Ze was vergezeld van nog andere personen.
Ze stelden ons voor of wij voor hen elk 300 mark wilden deponeren in de bank  om ze uit te wisselen in het postkantoor in Verviers;  wij zouden tien procent krijgen.
Dit kwam ons goed uit. Zo konden wij onze trein betalen om naar huis te reizen.
Dit was nog niet alles. Eenmaal het geld gedeponeerd, werden wij getrakteerd op  een eetmaal in een restaurant rond de statie.

Zij kochten voor ons een treincoupon
tot in Verviers en nodigden ons uit om bij hen te overnachten. Met de laatste trein zijn wij vertrokken. Nu nog de grenscontrole in Welkenraedt. Dan terug de trein op en adieu Duitsland.
’s Anderendaags om 9 uur in het postkantoor de nodige verrichtingen gedaan. Wij kregen onze 300 frank zoals afgesproken. ( Zij waren goed gekend in de post, dat kon je zien. Het was niet de eerste keer dat dit gebeurde. Het waren waarschijnlijk een soort van smokkelaars. In alle geval waren wij goed geholpen.)
Dan de trein op. Rond de middag arriveerden wij in Brussel. Daar moesten wij een paar uur wachten eer wij een trein hadden naar Brugge. Het moet rond 6 uur geweest zijn, als de trein stopte in Aalter.  Daar zag ik twee schoolkameraden opstappen. ( André Helsmoortel en Maurice Dombrecht ) Toen de statie van Oostkamp gepasseerd was, zag ik in verte de Brugse torens opdoemen (Halletoren St Salvater en O. L. Vrouw) Ik heb ze nog nooit zo schoon gevonden, dat kan ik niet vergeten. Nu nog wachten op de tram naar Knokke. Het was de laatste tram dien avond. Toen de tram Dudzeledorp binnenreed ging ik op achter platform staan. De tram moest mijn huis passeren. Ik zag mijn zuster Elsa door het raam kijken naar de tram. Ik wuifde naar haar. Daarmee wist ze dat ik terug thuis kwam. Honderd meter verder was de tramhalte. Ik  sprong van de tram en te vluchtte naar huis. De rest kan ik niet vertellen.  Daarmee was er een einde gekomen aan de deportatie , God zij dank een gelukkig einde, maar ook het begin van een goed jaar ondergedoken te leven. Hierna volgt een uittreksel van de officiële erkenning van weggevoerde 1940 – 1945. 

Ministerie van wederopbouw. Controlecommissie voor de weggevoerden. Brugge. Eerste kamer.   Dossier nr. 311.887/2.086/2.033.
Slembrouck André, Charles, geboren te Dudzele, 7 mei 1924.
Zitting van 4 maart 1952 Beslissing betekend op 18.3.1952
Gezien de besluitwet van 24.12.1946, de Regentsbesluiten van 29.11. 1947 en 23.6.1949 en de wet van 9.7.1951;
Gezien de regelmatige aanvraag ingediend op 26.3.1948, waardoor de aanvrager om de erkenning verzoekt van de hoedanigheid van weggevoerde voor de verplichte arbeid van de oorlog 1940-1945.
Gehoord de heer staatscommissaris R. Capiau in overeenstemmende verslag en besluiten;  Uitspraak doende op de stukken;
Overwegende dat de verzoeker van Belgische Nationaliteit is;
Overwegende dat de verzoeker vanaf 14 april 1943 tot 28 juli 1943 in Duitsland gewerkt heeft;
Overwegende dat de verzoeker gedwongen werd tot de verplichte arbeidsdienst in uitvoering  van een schriftelijk en formeel bevel van de vijand of zijn agenten, zoals blijkt uit de stukken welke zich bevinden bij de Dienst voor Documentatie van het Ministerie van wederopbouw en die ter beschikking werden gesteld van de belanghebbende (stukken 2 tot 6), alsmede uit de inlichtingen medegedeeld door het steunfonds voor werklozen te Brugge (stuk 12):
Overwegende dat de verzoeker na zijn terugkeer in België een periode van werkloosheid heeft doorgemaakt van 29 juli 1943 tot 13 september 1944;
Overwegende dat de verzoeker niet valt onder toepassing van één der gronden van uitsluiting voorzien bij art. 3 van de besluitwet van 24.12.1946, noch onder toepassing van één der gronden van verval bij art. 4 der zelfde besluitwet.

 WERKWEIGERAAR VERPLICHTE ARBEID 1940-45

Zondag 1 augustus 1943 was het grote kermis in Dudzele. Burgemeester Steyaert (oorlogsburgemeester) had er voor gezorgd dat er foorkramers, niettegenstaande het spergebied, hun tenten hadden opgeslagen in een weide naast het dorp.  Ik ben er niet naar toe geweest. Ten andere men ging teveel vragen stellen naar mijn wedervaren. Het was niet aangewezen daar aan vreemde mensen daarover uit te wijden. Niet een weet, niet een deert. Dien dag ben ik samen met mijn kameraad Julien Vlaeminck  naar Blankenberge getrokken per fiets naar mijn peter Charles Van de Velde, mijn moeders broeder. Daar hoorden wij een oproep in de radio tot al diegenen die uit Hamburg naar huis gekomen waren, wegens de bombardementen, zich zouden aanmelden bij de webestelle. Dus een reden temeer om niet meer terug te gaan. Men was blijkbaar niet meer zeker van wie er weggelopen was. Ik wist wel dat er vele openbare gebouwen vernield waren en uitgebrand, o.a. het D.A.F.
(Deutse Arbeiters Front) Terug naar Duitsland was niet meer aangewezen na die gebeurtenissen, dus onderduiken. Ik heb wel verteld, dat ik met vrijpapieren terug
gekomen was uit Duitsland, maar er niet bij verteld dat ik mij moest aanmelden in de werbestelle.   Ik ben in de loop van de week naar het gemeentehuis geweest om mijn rantsoeneringskaart op te halen. Die werd natuurlijk geweigerd, met de gezegde: eerst te gaan aanmelden in de werbestelle in Brugge. Dus dan maar voort doen zonder kaart.
Daar er volop geoogst werd, mochten wij (mijn moeder, zuster en ikzelf) gaan santen op een stuk tarweland,  gebruikt door Staf Dendooven , en waarop reeds de schoven rechtop stonden. Dat was zeer welkom, want er was groot tekort aan brood, .
Nadien vroeg Staf mij of ik kon helpen om de oogst binnen te halen. Zo had ik iets te doen en was ik in de kost. Wat toen zeer belangrijk was. Zo heb ik maanden geholpen op de boerderij, gelegen aan de zelzatebrug. Ik heb bijna alle landbouw activiteiten gedaan na de oogsttijd van het graan. Aardappelen oprapen achter de machine. Geholpen bij het uitdorsen met de dorsmachine. Ook bij twee hofsteden in de buurt. Gereden met de koppel paarden. Eenmaal met een veulen ingespannen
naast een gewoon werkpaard, om te leren trekken. Een stuk land geëgd. op tijd en stond, het veulen aangepord met een aardkluit te smijten tegen zijn achterste, zodat
hij opgeschrikt werd en vooruit sprong. Dat veulen hadden wij een paar dagen voordien uit de weide gehaald waar het gans de zomer in de vrije natuur had rond gelopen. Het had ons weliswaar een paar uren werk gekost om hem te vangen. Zo werd het bijna winter. De identiteitskaarten moesten vervangen worden door nieuwe. De mijne kon niet vervangen worden. Dus  werd het opletten geblazen en zeer riskant om mij op straat te begeven. Er zat niets anders op dan thuis te blijven. Mij niet te vertonen als er iemand binnen kwam. Dit heb ik maanden uitgehouden tot begin september 1944. Ik hield mij bezig met mijn schoolboeken en correspondeerde ik met mijn kozijn, Albert  Schotte. Er werden opstellen gemaakt in het Frans, hij verbeterde ze en zond ze terug. Natuurlijk op naam van mijn vader.
Mijn nonkel Alfons Depauw, rijkswachtkommandant in St. Lievenshoutem stelde mij voor dienst te nemen bij de rijkswacht een manier om uit de illegaliteit te geraken.
Ik ben er niet op ingegaan. Ik vond het te riskant. Later was ik blij  het niet gedaan te hebben. Na de oorlog werden deze personen beschouwd als zijnde bij de zwarten te behoren, dus een soort van landverraad.
Het einde van de oorlog begon te naderen, na de landing in Italië, was het de beurt aan Normandië, 6 juni 1944. De Duitsers hadden al van in het voorjaar de landerijen doen overstromen door geen water meer te doen afvloeien  in het leopoldskanaal.
Begin september was de dorpskom nog alleen gevrijwaard en de oude hofsteden die gebouwd waren op de hoogste plaatsen. Zelfs de baan naar Brugge een eind buiten de dorpskom was op sommige plaatsen ondergelopen.
Op zondag 10 september 1944, het was mooi weder, ’s namiddags zat iedereen voor zijn deur, in bange afwachting wat er op komst was. Terugtrekkende Duitse troepen. Antwerpen en Brussel was al bevrijd. Plots een obus die schuifelend over het dorp heen vloog. Iedereen vluchtte naar binnen. Men hoorde het geratel van
machinegeweren. Een vuurgevecht was ontstaan aan de herdersbrug tussen de Canadese troepen en de Duitsers. Er sneuvelde een drietal Duitse soldaten. Het schijnt dat de Canadezen al van de vrijdag aan de overkant van de brug, die in tussen reeds vernield was, waren toegekomen en enkel wachtten op versterking die kwam van de baan Bruge Blankenberge.
De dinsdagvoormiddag trokken de laatste Duitse troepen  Westkapellewaarts. Men trok zich terug achter de beide kanalen.
In de namiddag arriveerden  de eerste Canadese soldaten met hun lichte gevechts-wagens. Iedereen was op de been. Ze werden overstelpt met bloemen en met kussen van bepaald vrouwelijk schoon. Maar ook de witte brigade kwam boven water. De jacht was geopend op de zwarten. Zo ook moest de oorlogsburgemeester
er aan geloven. Men trok met hem naar de onderpastorij; Hij moest vergiffenis komen vragen, omdat door zijn toedoen de onderpastoor 3 maanden in het gevang had gezeten. Een preek over de hoogvaardigheid, was niet in goede aarde gevallen bij de burgemeester. Hij had het op zich genomen. Men beweerde dat door zijn toedoen de onderpastoor veroordeeld werd door de rechtbank (welke ?) tot 3 maanden cel.  De onderpastoor Kamiel Traen  was niet thuis.  Hij was de koster Hilaire Denecker die ook ondergedoken was gaan halen naar Bovekerke, tegen Diksmuide. Ze kwamen toe per fiets in de late avond. Hoe het dan verder afgelopen is heb ik nooit geweten.
Daarmee kwamen wij terecht  in de frontstreek. De Duitse soldaten verschansten zich achter de beide afwateringskanalen om te beletten dat de Canadezen zouden doorstoten tot aan de Schelde in Zeeuws-Vlaanderen en alzo de doorvaart naar Antwerpen te verzekeren. Zo bleef ook de haven van Zeebrugge in hun handen. We werden nu en dan getrakteerd op een paar obussen zonder evenwel veel schade
aan te richten. Wel is waar was er een obus terecht op de straat vlak voor ons huis. Al de ruiten uit.  De laatste obussen zijn terechtgekomen  langs weerzijden naast de de kerk in de vroege morgen op 1 november binst de vroegmis van 7 uur. De doorbraak werd door de Canadese troepen geforceerd langs de Scheldemonding. Op 2 november werd Zeebrugge bevrijd.  .
Intussen was de operatie Gutt ( minister van financiën in de regering Pierlot) begonnen. Alle bankbriefjes van duizend frank en groter werden binnen gevraagd
Tot aan tien duizend frank werden uitbetaald met nieuwe bankbiljetten van duizend. De rest werd geblokkeerd. Er was teveel geld in omloop gebracht door de Duitse Bezetter en men wilde vermijden dat er een inflatie kwam. Later werd een bijzondere
heffing ingevoerd op de bedragen en zodoende werden de woekerwinsten van binst de oorlog toch een beetje ingedijkt.                                                 

Zoals bij de weggevoerden heb ik ook een aanvraag ingediend om officieel erkend te worden. In het verbond van weggevoerden en werkweigeraars stond men er zeer sceptisch tegenover mijn aanvraag. Het zal nooit gaan zo beweerde men.
De Controlecommissie voor Werkweigeraars , eerste kamer te Brugge, stuurde mij een brief gedateerd op 25.3.1952 nog geadresseerd op Dorpsplaats 18 te Dudzele met volgende tekst:


Teneinde mij toe te laten thans ook uw bundel werkweigeraar met gekwame spoed ter beslissing aan de bevoegde Controlecommissie te kunnen voorleggen is het noodzakelijk dat U mij per omgaande in het bezit stelt van het door uw Duitse werkgever verstrekte “Urlaubschein” in verband met de U toegestane verlofperiode in België. Zo U niet meer in het bezit zijt van voornoemd bescheid gelieve mij dan per omgaande te willen mededelen wanneer gij gehouden waart uw werkprestaties bij uw vroegere werkgever in Duitsland te hervatten. Waart gij eventueel bij uw terugkomst in België niet definitief van de verplichte tewerkstelling in Duitsland 
vrijgesteld?

Hoe verklaart gij anders het feit dat gij nadien nooit meer door de bezetter verontrust zijt  geworden?
        

Met hoogachting,
De Eerste Staatscommissaris           R. Capiau

Het antwoord op bovenvermelde brief werd als volgt geformuleerd:
 

Geachte Heer Staatcommissaris,
Uw brief van 25.3.52 had mijn bijzondere aandacht.
U vraagt mij per omgaande U in het bezit te stellen van de “Urlaubschein” door mijn Duitse werkgever verstrekt. Gezien de omstandigheden waarin ik uit Duitsland teruggekomen ben, kan hiervan geen sprake zijn. Ik ben namelijk uit Hamburg, waar ik verplicht  tewerk gesteld ben met vier kameraden weggevlucht op woensdag 28.7.43 na de bombardementen die deze stad geteisterd hebben in de nacht van 24 op 25.7 en volgende dagen.

Op donderdag 29.7.43 zijn wij per trein in Aken toegekomen.
Daar werden wij door een Waals meisje op de hoogte gebracht, dat de vluchtelingen (de vreemde arbeiders) opgewacht werden aan de ingang der statie door een bediende van het Arbeitsamt.           
Daar zouden een stuk ontvangen om de grens te overschrijden.      Dit document bevind zich in mijn dossier van weggevoerde (zie nr
311.887). Er kan hier dus geen sprake zijn van in verlof te komen. De dag waarop ik terug diende te vertrekken naar Duitsland is mij dus nooit verstrekt geweest, gezien ik enkel de toelating kreeg om op 29.7.43 de grens te overschrijden.
Bij mijn thuiskomst moest ik naar alle waarschijnlijkheid mij aanmelden in de Werbestelle te Brugge, wat ik dan ook nagelaten heb dit te doen. Er kan dus hier ook geen sprake zijn van een definitieve vrijstelling van de verplichtte tewerkstelling in Duitsland, daar ik mij feitelijk hieraan onttrokken  door onder te duiken.
U vraagt mij het feit te willen verklaren dat ik na mijn thuiskomst nooit door de bezetter werd verontrust?
Heel eenvoudig, dat de Werbestelle hier in Brugge nooit op de hoogte werden  gebracht van mijn vertrek uit Duitsland en ik naar alle waarschijnlijkheid nog aangeschreven stond als gedeporteerd en tewerkgesteld in Hamburg..  
Door de bombardementen op deze stad, die in één nacht tijds bijna verwoest werd hebben de Duitsers nooit kunnen achterhalen wie er verbleef op dit ogenblik.
De firma, waar wij tewerkgesteld waren, nl een duikbootwerf, is een der eerste slachtoffers geweest en werd bijna gans vernield. Ons lager is een paar dagen nadien uitgebrand  zoals ik later vernomen heb. Het D.A.F. en het arbeidsamt in Hamburg is ook een prooi der vlammen geworden. Zo dus was er een grote kans dat langs deze zijde geen bericht zou gezonden worden dat ik verdwenen was. Het arbeidsamt te Aken kon dit nog laten weten hebben. Hebben zij dit
gedaan ? Waarschijnlijk niet. Daar de radio Brussel de volgende oproep deed op zondag 1 aug. 1943, dat al de arbeiders, die van Hamburg naar huis terug gekeerd waren , zich zouden aanmelden aan de Werbestelle. Dit gaf het feit uit, dat zij niet meer bij machte waren om zelf de vluchtenden op te zoeken met eigen middelen.  Dat het daar een warboel was verklaard het volgende feit. Jerome
Devisch wonende te Varsenare, StJorisdreef, in het zelfde lager verblijvende al verplicht tewerkgestelde en in Hamburg gebleven zijnde tot aan de bevrijding, had één jaar nadien moeilijkheden met de Duitse Polizei, daar hij aangeschreven stond als zijnde vermist en hij verdacht werd, zich aan de tewerkstelling onttrokken te hebben, niettegenstaande hij altijd in Hamburg gebleven was.
In de hoop, geachte Heer Staatscommissaris, met mijn antwoorden op de door U gestelde vragen,mijn dossier aan de bevoegde controlecommissie voor te leggen.
Teken ik inmiddels met de meeste hoogachting.

Beslissing van de controlecommissie d.d. 10.10.1952.

Gezien de besluitwet van 24.12.1946, de regentsbesluiten van 31.1.1948 en 1.6.1949en de wet van 9.7.1951.
Gezien de regelmatige aanvraag ingediend op 29.7.1948, waardoor de aanvrager om de erkenning verzoekt van de hoedanigheid van werkweigeraar  voor de verplichte  arbeid van de oorlog 1940-1945;
Gehoord de heer staatscommissaris R. Capiau in zijn niet overeenstemmende verslag en besluiten;
Overwegende dat de verzoeker uitgenodigd werd om te verschijnen overeenkomstig Artikel 23  van het besluit van de Regent van 31.1.1948, gewijzigd door het besluit van de Regent van 1.6.1949; (nooit een uitnodiging ontvangen)
uispraak doende op de stukken;
Overwegende dat de verzoeker van Belgische nationaliteit is;
Overwegende dat de verzoeker niet valt onder toepassing van één der gronden van uitsluiting voorzien bij art. 3 van de besluitwet van 24.12.1946;
Overwegende dat er geen aanleiding bestaat toepassing te maken van één der gronden van verval voorzien bij het artikel 4 van dezelfde besluitwet;
Overwegende dat de verzoeker op 14.4.1943 naar Duitsland is vertrokken in uivoering van een formeel en schriftelijk bevel van de vijand of diens agenten en dat hij aldaar heeft gewerkt tot 28.7.1943;
Overwegende dat de verzoeker op 29 juli 1943 met verlof naar België is teruggekeerd;
Overwegende dat de verzoeker als bewijsstuk een Duits document overlegt uit het welke blijkt dat hem op 29.7.1943 toestemming werd verleend naar België terug te keren ingevolge het feit dat hij door een luchtaanval al zijn benodigdheden had verloren en dat hem op grond hiervan toestemming werd verleend  andere klederen te halen (onderzoek stuk 4);
Overwegende dat de besluiten van de heer Staatscommissaris ertoe strekken de aanvraag van de verzoeker te zien afwijzen op grond van de overweging dat hij niet bewijst en dat ook uit het dossier niet blijkt dat hij verplicht was op een bepaalde datum naar Duitsland terug te keren, dat de toestanden in Duitsland en in België op dit ogenblik dusdanig waren dat de Duitse  overheden ieder middel van kontrole over de arbeiders die uit de stad Hamburg na de bombardementen van 24 en 25 juli 1943 waren gevlucht, hadden verloren en dat hieruit zou dienen te worden besloten dat de verzoeker zich volgens de zin der wet niet vrijwillig aan
de arbeid voor de vijand zou hebben onttrokken;
Overwegende dat ,evenwel dient te worden opgemerkt dat er geen aanduidingen voorhanden zijn uit dewelke zou blijken dat verzoeker van de arbeid in Duitsland vrijgesteld zou zijn geweest;
Overwegende dat het vaststaat dat hij uit eigen beweging en zonder voorafgaandelijke toelating zijn werkplaats heeft verlaten;
Overwegende dat het eveneens vaststaat dat hij in strijd met de onderrichtingen van de bezettende overheid heeft geweigerd zich in België bij de Werbestelle aan te melden en dat hij vanaf zijn terugkeer tot de bevrijding van het grondgebied op onwettige wijze in België heeft verbleven;
Overwegende dat niet kan worden betwist dat hij ieder ogenblik in gevaar verkeerde door de Duitse politie te worden aangehouden en bestraft uit hoofde van werkweigering; dat het in ieder geval vaststaat dat de verzoeker zich in België niet vrij kon bewegen.
Overwegende dat de verzoeker anderzijds schikkingen heeft genomen om zich aan
de verplichte arbeidsdienst in Duitsland te onttrekken;
Overwegende dat het bij gebreke aan meer preciese gegevens en rekening houdende met de in de bundel voorhanden zijnde elementen, als billijk voorkomt.
De begindatum der door de verzoeker  in de illegaliteit doorgebrachte periode vast te stellen op 1 september 1943; dat de verzoeker in de illegaliteit heeft geleefd tot 13
September 1944.
Overwegende dat de periode door de verzoeker ingevolge zijn weigering om voor de vijand te arbeiden in werkloosheid heeft doorgebracht, loopt van 1 september 1943 tot 13 september 1944;
OM DEZE REDENEN  de Commissie beslist:
De aanvraag is ontvankelijk en gegrond;
De hoedanigheid van werkweigeraar wordt aan verzoeker toegekend op basis van:
Art. 2, 3° van de besluitwet van 24.12.1946;
De periode welke door de verzoeker in de illegaliteit werd doorgebracht om zich te onttrekken aan de vijand of diens agenten loopt van 1 september 1943 tot 13 September 1944; De periode van inactiviteit door de verzoeker doorgebracht ingevolge zijn weigering om voor de vijand te arbeiden loopt van 1 september 1943 tot 13 september 1944;
Aldus beslist en uitgesproken in zitting van 10.10.1952.
 

Met dank aan dhr. Luc Van Torre