Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Willem Vandendriessche

Geleende

herinneringen

Tekst: P. De Vuyst

Willem Vandendriessche

°5 november 1887, + 28 oktober 1914

Onze kennis van vroeger is tijdelijk in bruikleen bij elk van ons. Deze kennis is niet onze eigendom. Sterker nog; wij behoren toe aan onze herinneringen: vertellingen en verhalen opgeslagen in de ziel van ons wezen. Soms bonkt het hart zo fel onder het verlangen van verhalen die gehoord willen worden dat ons denken en voelen tijdelijk verstoord geraken. Ons lichaam bewaart immers verhalen in de eindeloze gangen van ons denkende wezen.

Onze kennis van vroeger is geleende kennis. Met de gratie van overlevering leggen wij contact met vaak onvolledige en versleten verhalen. Realiteit en fantasie omarmen er elkaar ver boven wat wij het "echte" leven noemen. We laven onze ziel aan deze vertellingen als een onuitputtelijke bron van dieper beschouwen en uiteindelijk leidt het ons tot een beter begrijpen van een soms vereenzaamd of vlak leven.

Laat ons hier in stilte luisteren naar het volgende verhaal want zij riep al jaren om gehoord te worden. Deze tekst wordt postuum opgedragen aan mevrouw Magrietje Vandendriessche, dochter van Willem.

Willem, speurend in een onzekere toekomst.

 

De laatste rustplaats van een

vergeten verhaal

Willem (doopnaam Guillaume-Napoléon) Vandendriessche werd geboren te Dudzele op 5 november 1887 en was het kind van Pierre Vandendriessche (landarbeider) en Coleta Cleemput. Toen de kleine Willem echter nog geen vier jaar oud was stierf zijn moeder Coleta te Dudzele op 20 april 1891. Hij groeide op in armoede maar kon de aarde bewerken zoals geen ander. Zo weinig het leven hem te bieden had, zo kort en hard zou zijn leven worden.

Samen met de in Heist-aan-Zee wonende Angela Maria Pauwaert trad hij in het huwelijk op 27 juni 1911. De naam Angela werd spoedig omgevormd tot Angèle. Zij werd geboren te Heist op 11 juli 1895 en was op haar huwelijksfeest amper 16 jaar oud en zwanger. Niemand kon echter vermoeden wat dit arme eenvoudige gezin toen nog te wachten stond.

Willem zou niet terugkeren uit de oorlog. Dit harde droevige nieuws zou Angèle pas na twee jaar bidden en smeken bereiken. Op deze sombere dag vond het vijfjarig Magrietje haar moeder wenend terug. Samen met het afsluiten van een periode van angstig afwachten in onwetendheid kwam een periode van diep verdriet. Angèle en haar dochtertje vormden noodgedwongen een klein gezinnetje en samen probeerden zijn hun leven terug op te bouwen ondanks de harde oorlogsomstandigheden en bittere armoede. Het geluk lachte terug toe toen Angèle opnieuw de liefde vond maar zij diende echter tot 11 juni 1923 te wachten om in het huwelijk te treden. Immers, eerst diende Willem officieel overleden (gesneuveld) verklaard te worden door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Als erkende oorlogsweduwe trad zij vervolgens in het huwelijk met hoefsmid Richard Vermeulen (° 5 december 1882, Dudzele). Een man met wie zij reeds samen woonde aan de Westkapelsesteenweg nummer 28. Richard zou overlijden in 1962. Angèle stierf op 10 januari 1973.

Het gezin Vandendriessche – Pauwaert kreeg drie dochters. Het tweede dochtertje Augusta (°13 oktober 1912, Dudzele), en het derde kindje Ivonne (°12 april 1915, Dudzele), zullen echter reeds na één dag sterven. Het eerste kindje zal in leven blijven. Zij werd geboren te Heist op 28 september 1911 en kreeg de naam Marguerita Vandendriessche. Marguerita of Margrietje, het latere oorlogsweesje, zal huwen met een andere Dudzeelse oorlogswees, namelijk Leopold Debacker (1907 – 1989). Leopold verloor zijn vader Amand Debacker, als soldaat, in november 1918 in Nederland aan de Spaanse Griep. Magrietje woonde samen met haar man recht tegenover de kapel. Heel haar leven lang zou zij trouw de Gedenkkapel, waar beide vaders herdacht worden, onderhouden.

Margrietje zal overlijden in 2004. Zij zou haar hele lange leven zoeken naar haar vaders graf om te sterven, op 83 jarige leeftijd, zonder te weten wat er met haar vader gebeurd was, noch waar hij begraven lag. Dit altijd aanwezige gemis en deze onwetendheid leek te groeien met de jaren en woog op haar gekweld zielsleven. Rond haar hals droeg zij een gouden medaillon, met een foto van haar vader, als een relikwie. De oorlog had haar niet alleen haar echte vader ontnomen maar tevens een graf om afscheid te nemen, of om troost te zoeken.

Het gezin Debacker-Vandendriessche had een zoon; Martin. Martin was aldus een kind waarvan beide grootvaders gesneuveld waren.

In het gezin Vermeulen -Pauwaert was er tevens stiefzoon Henri Pauwaert. Na het overlijden van haar schoonzus in het kinderbed nam tante Angèle haar neefje Henri op in haar gezin. Henri zou later huwen met Julia Dekempe.

Toen alles nog rustig was, 1914

 

Willem

Met een klinkende doopnaam vol oorlogsretoriek als Guillaume-Napoléon trad Willem, door armoede gedreven, op 27 februari 1908 in dienst als "soldat volontaire avec prime de 1907". Hij was toen 21 jaar oud en werd ingedeeld bij een garnizoen met kazerne in het verre Namen. Als soldaat 2de klasse was hij ingedeeld bij de 1ste compagnie van het 3de Bataljon (1/III) van het later zeer zwaar beproefde 13de Linieregiment. Zo werd hij een "Lignard" of een infanterist.

In 1911 zat zijn diensttijd er op en kon hij met het gespaarde geld in het huwelijk treden met de acht jaar jongere Angèla uit Heist.

 

Het gezin woonde te Dudzele toen de oorlog uitbrak. Willem werd op 1 augustus 1914 terug onder de wapens geroepen. Toen hij vertrok kuste hij zijn pril zwangere echtgenote en kleine dochtertje Margrietje vaarwel. Minder dan drie maanden later was hij dood. Hij sneuvelde voor het vaderland op 28 oktober 1914. Zijn offer was groot, hij had niet alleen z’n leven gegeven maar tevens zijn lichaam; men heeft Willem nooit meer teruggevonden in het verzonken IJzerland.

Willem had echter een laatste boodschap; "Laat mijn sterven niet haaks en hard op het leven staan maar maak mijn dood deel van het aardse bestaan door mij vrij te maken in je herinneringen. Gun mij vrijheid van mijn onnoemelijk lijden en verzacht hiermee jou pijn om mijn verlies".

De lijdensweg van het

 13de Linieregiment

Het 13de Linieregiment ontscheepte met een 1000-tal soldaten te Oostende op 2 september 1914.

Foto: ontscheping van de "Princesse Clémentine" (Oostendse Maalboot)

De oorlog van 1870 gaf in België aanleiding tot een reorganisatie van het Belgisch leger: zo ontstond het 13e Linie dat bij Koninklijk Besluit van 29 Januari 1874 gevormd werd uit eenheden van het 1e, 3e, 4e, 6e, 7e, 10e en 11e Linie.

Het regiment lag sinds 30 maart 1892 in garnizoen te Namen. Het regiment werd gemobiliseerd als onderdeel van de 4e Legerdivisie. Het werd onmiddellijk in linie gesteld in den sector Maizeret-Andoy-Dave, waar het door z’n deelname aan de strijd de toelating kreeg om « NAMEN » op het vaandel te schrijven. Om niet door de veel omvangrijkere vijandelijke legers te worden omsingeld, was de 4e Legerdivisie genoodzaakt tot een pijnlijke en angstwekkende aftocht naar Frankrijk, om zich dan langs Oostende om, bij het Belgisch leger te vervoegen in de buurt van Antwerpen.

Nauwelijks was de 4e Legerdivisie aangekomen of het 13e werd te Dendermonde in eerste linie geplaatst. Het behaalde er een nieuwe vermelding. Kort nadien leverde het nog slag te Schoonaarde-Berlaar, alvorens zich terug te trekken naar den IJzer, waar het, sterk uitgedund, op 14 oktober aankwam.

Een nieuwe zware beproeving begon voor het 13e Linie met de bloedige gevechten bij Keiem, op 18 en 19 oktober, waaruit er slechts één officier en tweehonderd man, van de zevenhonderd van zijn eerste bataljon, terugkeerden. In de laatste oktoberdagen tot de eerste dagen van november werd het 13de Linie blootgesteld aan herhaalde vijandelijke stormlopen, onder andere te Oudstuivekenskerke, die telkens door het regiment werden afgeslagen, maar de tol was schrikwekkend hoog. De offers gebracht door het 13de Linieregiment vertaalden zich in de naam «IJZER» op het vaandel maar daar dacht Willem niet aan toen hij sneuvelde op 28 oktober 1914.

De IJzerslag

De moegestreden soldaten hielden in hun aftocht van Antwerpen halt aan de IJzer halfweg oktober 1914. Zwart van stof, beslijkt en hongerig sleepten ze zich voort. Anderen hinkten, nog anderen werden ondersteund door kameraden. Er zijn er die geweer en ransel kwijt zijn, zelfs hun sjako of muts verloren hebben. Zweet heeft sporen getrokken over het vervuilde behaarde gelaat. Ogen staan dof. Velen lopen op klompen en dragen hier en daar enkele stukken burgerkledij om zich warm te houden.

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans:

"Het was een ordeloze, verwilderde groep, waarin geen regiment, geen bataljon, geen compagnie, geen rij of lijn meer te onderscheiden viel. Alle mogelijke wapenen en uniformen, in een onontwarbaar kluwen door elkaar."

De stroom soldaten lijkt eindeloos, hun wanhoop groot. Van zodra er even halt wordt gehouden, gooit men zich overmand door vermoeidheid neer. Vele vluchtelingen mengen zich in de groepen soldaten maar laten hen al vlug achter in hun trektocht naar het westen, naar Frankrijk, steeds verder. De soldaten moeten echter blijven.

Dhr.De Broqueville, Minister van Oorlog en Voorzitter van de Ministerraad in 1916:

"Overal waren de wegen belemmerd met de voertuigen van een ganse natie in aftocht. Duizenden vluchtelingen sleepten zich voort, met zich dragende enige lompen, jammerlijk overschot van hun verwoest fortuin. Al dooreen, te voet, te paard, op voertuigen van alle aard, stroomde dit alles naar Frankrijk, vrouwen, kinderen, grijsaards."

Foto hieronder:

Belgische soldaten zoeken verpozing in een vochtige greppel. Er is weinig of geen beschutting noch dekking in het vlakke land rond de IJzer. De straks begint het moorden opnieuw.

Verkleumde Belgische soldaten, 1914.

Van Boesinge tot aan de zee, over een front van 36 km, zou men de vijand opnieuw van antwoord dienen. Veel soldaten zijn ziek, koortsig, getraumatiseerd en oververmoeid.

 

De Strijd

Het Belgisch leger probeert zich zo goed mogelijk te organiseren. De tweede divisie werd het dichtst bij de zee opgesteld achter de linie Lombardsijde, Nieuwpoort en Mannekensvere. De eerste divisie sloot zich daarbij aan van de Uniebrug (tussen Sint-Joris en Mannekensvere) tot nabij het gehucht Tervate, achter Keiem. Dan volgde de vierde divisie waartoe Willem behoorde. Zij zouden de ruimte tussen Keiem en Diksmuide dekken.

Spoedig bleek dat de Duitsers een nieuwe grootschalige aanval zouden doorvoeren in het naakte vlakke land tussen Nieuwpoort en Diksmuide.

Dhr.De Broqueville, Minister van Oorlog en Voorzitter van de Ministerraad in 1916:

"Ons veldleger telde op dit ogenblik, in globo, ongeveer 80.000 man; het had slechts 75mm kanonnen in een aantal van 340, en 150mm houwitsers in een aantal van 24."

Er waren amper 48.000 geweren. De Belgische voorposten aan de IJzer moesten spoedig wijken voor de Duitse overmacht. De belegeringstroepen vormden een kring van Woumen over Esen, het kanaal van Handzame, Beerst tot Keiem en dan rond Diksmuide. Daar stelden de Duitsers hun zwaar geschut op en Diksmuide en omgeving lagen overgeleverd aan zware kanonnen. De situatie werd onhoudbaar en de Duitsers zwermden steeds meer over de rivier de IJzer. De aanvallers zagen nu kans een doorbraak te forceren en drongen steeds dieper in het land tussen IJzer en spoorwegberm.

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans:

"Van Schoorbakke tot Diksmuide lag de ganse zone te daveren in wolken van rook."

De kanonnen slingerden al dagenlang als bezeten granaten naar de Duitse linies. Op hun beurt huilden Duitse granaten door de lucht, sloegen takken af, spleten de bodem open en spoten aarde omhoog. Vele soldaten kropen kreunend weg door grachten en vlieten of bleven stervend liggen, andere verwoeste levens kropen ineen in het open veld tussen de rivier de IJzer en de spoorwegberm.

Dhr.De Broqueville, Minister van Oorlog en Voorzitter van de Ministerraad in 1916:

"De vijand beoogt rechtstreeks Nieuwpoort en Diksmuide. Tegenover het zwakke front, waar wij ternauwernood enige verschansingen haastig hadden opgeworpen, hebben de Duitsers 7 legerafdelingen aangebracht, vers en voltallig, met meer dan 500 stukken geschut van alle aard, van het 77mm kanon tot het 210mm kanon. Ten minste 140.000 man bestormen de zwakke barrier die hun weg naar Duinkerken verspert."

Militair Raoul Snoeck (2de Linieregiment) uit Gent, schrijft in z’n oorlogsdagboek:

"Daar de Belgen gedurende drie maanden alleen vechten, mag men zeggen dat zij den marteldood stierven, vermits zij niet voorbereid waren en het hun aan alles ontbrak; aan kleederen, voedsel, zorgen en munitie. We hebben de uitersten grens van den menschelijken weerstand bereikt."

 

Oud-Stuivenkenskerke

Op 26 oktober 1914 dreigde het grootste gevaar niet te Nieuwpoort, noch te Diksmuide maar in het midden. Op dat moment bevonden Willem en de anderen zich achter de Reigersvliet, tussen Stuivenkenskerke en Oud-Stuivekenskerke.

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans:

"Het Belgisch legertje scheen thans veeleer een groep martelaars, die zich opofferen moest tot de laatste man. Aan deze hel nog levend te ontkomen scheen een wonder."

Willem hoorde gekerm naast hem, voor hem, achter hem…. Een kameraad reikte naar hem uit met gestrekte armen en smeekte om hulp. Hij was bedekt in bloed. Maar Willem was geen mens meer, hij was een wrak, een schim van zijn oude zelf. De aanpassing aan de oorlog had hem een ander wezen gemaakt. Hij was veranderd in een mens zonder menselijkheid; een verdierlijking waar menselijke waarden verdwenen waren. Enkel het vechten om te overleven telde.

Dhr.De Broqueville, Minister van Oorlog en Voorzitter van de Ministerraad in 1916:

"Maar de vermoeienis onzer troepen heeft de palen der menselijke krachten bereikt. De verdedigers van Diksmuide zijn soms gedurende 72 achtereenvolgende uren ter plaatse gebleven, voortdurend maar vijandelijke aanvallen afslaande, soms tegenaanvallend onder een regen van vuur en schroot. Ook onze kanonnen, waarvan sommige 6.000 maal hebben gevuurd, geven tekenen van vertraging. De voorraad projectielen, uit Antwerpen gered, is bijna uitgeput."

Het geluid van de kanonnen verstomde maar dat luidde slechts de zoveelste Duitse stormloop in. Er was geen tijd noch aandacht voor gewonde kameraden. Het was elk voor zich. De angst, de honger, de dorst, de spanning was onmenselijk en verbeestte de mens. Sommigen werden gek en liepen als verdwaasd rond, als levende schietschijven.

 Overal om Willem heen lagen doden, verminkte lichamen, tierende gekwetsten, huilende stervenden maar ook gevloek. Kluiten, graszoden, moordend ijzer kletsten om hem heen.

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans (weergave getuigenverklaring infanterist):

"…gewonden…die in doodsangst uw benen, uw jas grijpen."

"’t Is de smeekbede van mensen, welke uit het graf nog de handen uitstrekken naar het leven, de liefde, het licht. Tegenover die stemmen kan men niet onverschillig blijven…"

De Duitsers zouden onthaald worden op een muur van bajonetten. Voor Willem en de anderen was er geen weg terug. Enkel de gewonden mochten het frontgebied verlaten.

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans (weergave getuigenverklaring infanterist):

"Tegen de brugpijler is een bom gebarsten en de opgeworpen aarde is er vermengd met menselijke overblijfselen, een massa van ingewanden, zenuwen, hersenen en uit die bloedige kuil kruipen verminkten…"

"In de nacht vermindert het gekletter; de mannen zijn gebroken van vermoeienis en van honger; de tanden klapperen in de koude van de nevel, waaronder zich de dood hult."

Dhr.De Broqueville, Minister van Oorlog en Voorzitter van de Ministerraad in 1916:

"Den 25ste worden maatregelen getroffen voor de overstroming."

Militair Raoul Snoeck (2de Linieregiment) uit Gent, die verderop zit, schrijft in z’n oorlogsdagboek op 26 oktober:

"…mannen worden door inzakkingen begraven; langs alle zijden ziet men verminkte ledematen, zakken, wapenen, en bebloede aarde in de lucht geslingerd worden."

"De spoorweg zou onze laatste verschansing zijn. Onmerkbaar begint de overstrooming; terwijl de vijand eene laatste poging voorbereidt; de Duitscher bemerkt opeens dat de overstrooming toeneemt."

Gekwetste koeien, paarden en andere hoevedieren lagen in dolle angst te stampen van pijn op de grond. Willem wordt in die kolkende razernij op 28 oktober 1914, in volle IJzerslag, op een voorpost dodelijk getroffen. Nabij de kerk van Oudstuivekenskerke vond hij de dood en werd ter plaatse haastig toegedekt.

Enkelingen werden niet als een hond begraven.

Militair Raoul Snoeck (2de Linieregiment) uit Gent, schrijft in z’n oorlogsdagboek op 28 oktober het volgende:

"Om 4 uur ’s morgens, worden wij afgelost van de vuurlinie. (-). Het gebeurt in een gevecht, als men moet achteruitwijken, dat de gekwetsten tusschen de vuurlijn blijven; dan is er geen middel om hun ter hulp te komen; indien er bij ons, een moedige, zijn leven wil wagen, dan is hij zeker niet meer terug te keeren; men hoort dan het geroep van deze helden langzamerhand wegsterven; dat is het wreedste in een veldslag."

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans:

"Kisten om de doden te begraven had men niet, en men had zakken op de hoeven gerekwireerd en naaide de doden daarin."

Andere werden verscheurd door uitgehongerde verwilderde dieren.

Oorlogsjournalist Louis Pierard beschrijft een gesprek met een officier:

"De oorlog is één hoop gore vuiligheid. Nabij Diksmuide, de lijken van de IJzer, kapot gevreten door dolgedraaide verwilderde varkens."

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans over de dieren:

"…maar weldra werden ze wild door al het oorlogsgeweld en stormden brullend over de velden tot een granaat of ’t schot van een Duitser hen neervelde."

Op 29 oktober bereiken de Duitsers de spoordijk nabij Oud-Stuivekenskerke.

Schrijver, oorlogsjournalist Abraham Hans:

"In de hoeven van de vlakte tussen de spoordijk en de IJzer… En onbegraven doden ligger er veel. De tijd ontbrak om ze te delven."

"Er zijn er die beproeven heen te kruipen, doch uitgeput blijven ze hijgend in het slijk steken, dat hun gruwelijk sterfbed worden zal."

Dhr.P.Nothomb, journalist en schrijver:

"En het water steeg, het kwam aan zonder gerucht,

Foto hieronder: Gesneuvelde Belgische soldaat

Koeien worden door Belgische soldaten weggeleid uit de overstroomde IJzervlakte, aanvang 1915. Foto Ruyssen, Veurne.

In het verwoeste niemandsland sijpelde het water overal doorheen en dekte ook Willem geruisloos toe. Verzwolgen en verteerd door het water zou men hem nooit meer terugvinden.

Het 13de Linieregiment had zich terug getrokken achter de spoorwegberm, de Duitsers aan de rivier de IJzer. Vier jaar lang zou er oorlog gevoerd worden maar het gebied tussen de spoorwegberm en de rivier de IJzer zou een massagraf blijven. Ongeveer 4.000 Belgische soldaten vonden de dood in de laatste twee weken van oktober 1914.

Dhr.De Broqueville, Minister van Oorlog en Voorzitter van de Ministerraad in 1916:

"In deze enkele dagen verloor het Belgisch Leger meer dan één vierde van zijn effectief, 25.000 gekwetsten belemmerden de haastig ingerichte hospitalen. Onze kanonnen vuurden meer dan 260.000 projectielen af en het getal onzer geweerschoten is onberekenbaar."

 

Zoektocht naar matricuul 26295

Op 8 juli 1920 bevestigde Angèle aan de onderzoekscommissie dat zij tot op die datum geen nieuws van haar echtgenoot ontvangen had. Niettegenstaande de lijsten van het Rode Kruis Willem vermelden, in de derde lijst uitgegeven in 1916, blijft hij officieel vermist. Op 31 oktober 1922 diende Angèle een aanvraag in om opnieuw in het huwelijk te mogen treden. Dit kon echter pas nadat Willem officieel overleden werd verklaard.

Na jaren van tevergeefs zoeken en het vruchteloos versturen van brieven naar mogelijke getuigen, met de dringende vraag om informatie, werd op 19 april 1923 het dossier op de rechtbank afgesloten door de Procureurs des Konings te Brugge. Iedere soldaat die iets had kunnen verklaren was gesneuveld, toen samen met Willem of later. Enkele weken later, op 11 juni 1923, trad Angèle opnieuw in het huwelijk.

Had Willem zich niet gemeld als "volontaire" dan was hij niet gemobiliseerd geweest en diende hij niet te sneuvelen. Heel soms wanneer verdriet en wanhoop vervormden tot woede en frustratie, kon Angèle niet anders meer dan hem deze "stommiteit" te verwijten maar anderzijds had er zonder dat soldatengeld in 1911 geen nieuw leven kunnen starten.

Willem Vandendriessche sneuvelde op 28 oktober 1914. Zijn offer, zijn verlies, zou nooit vergeten worden. Angèle had thuis het grote dikke boek "Onze Helden" met de eindeloze rijen namen van gesneuvelden. Helemaal vooraan, waar de lijsten aanvatten, had zij de foto van Willem gekleefd. Zoals men een foto op een graf zou plaatsen; een boek als grafsteen.

Op de foto van links naar rechts; Margrietje Vandendriessche, Henri Pauwaert, Angèle Pauwaert en echtgenoot Richard Vermeulen.

De huwelijksring is duidelijk zichtbaar.

Eervolle vermeldingen

In totaal werden drie boeken teruggevonden waar Willem postuum wordt vernoemd:

Het Rode Kruis van België

Derde lijst der Belgische soldaten gesneuveld voor het Vaderland, uitgegeven door het Belgisch bureel van inlichtingen over de zieke, gekwetste of overleden soldaten, bestuurd door het Comité médical van het Roode Kruis van België. Uitgave 1916. Pagina 273.

"Vanden Driessche. Guillaume-Napoléon, volontaire à prime de 1907 au 13e de ligne 1/3, né le 5 novembre 1887 à Dudzeele, y domicilié, tué à l'Yser le 28 oct, 1914."

Het Guldenboek

Willem krijgt een vermelding in het guldenboek van het 13de Linieregiment; "Petite Histoire du 13", op pagina 118.

Onze Helden

De gesneuvelde wordt vermeld in het lijvige boek "Nos Héros" of "Onze Helden" in de "Derde lijst".

Een laatste kus.

 

Een dode die niet goed begraven

                werd, blijft spoken

Haar leven lang heeft Margrietje Vandendriessche gezocht naar de begraafplaats van haar vader. Deze zoektocht was niet zomaar een wens, een opdracht of een missie. Het bepaalde haar leven, denken en werken. De herdenkingskapel werd een plaats waar ze even rust kon vinden, waar ze door dagelijks onderhoud nog even iets kon doen voor haar vader. Elke keer opnieuw was ze een pelgrim. De koorts om te weten steeg naarmate ze ouder werd. Alsof de groeiende afstand van jaren, de pijn om een vergeten afscheid verdiepte. Het beetje informatie waar ze om schreeuwde, heeft haar nooit bereikt. De leemte zou blijven bestaan. Misschien is het beter zo. De waarheid overstijgt soms de realiteit en wat ons besef kan bevatten. De waarheid weegt dan te zwaar om te omarmen. Wanneer we de waarheid te zwaar is, en wij ze niet kunnen begrijpen, maakt ze ons rusteloos en kunnen we ze niet langer plaatsen in een persoonlijk verhaal. Een verhaal dat we dan niet kunnen delen om tot rust te komen. Zij overleed zonder ooit te weten.

Willem sneuvelde in Oud-Stuivekenskerke op 28 oktober 1914, bij een poging om de Reigersvliet te controleren. Hij werd snel bij de toren begraven, waarschijnlijk op het gemeentelijke kerkhof, dat zich nog naast de toren bevond. Na de oorlog werd zijn lichaam niet teruggevonden want het terrein was omwoeld en bezaaid met brokstukken en puin. In 1968 bracht de vzw Vrienden van het Onze-Lieve-Vrouw-hoekje een wit stenen kruis aan boven een gedenkplaat op de restanten van de kerktoren, ter nagedachtenis aan allen die in deze omgeving het leven lieten. Het waren er veel.

Beelden die lezen als boeken

Het blijft verbazend hoezeer dozen vol foto’s als prularia van de hand gedaan worden op lokale rommelmarkten. Elk beeld intrigeert omdat ze ons confronteert met onze eigen geschiedenis.

De starre mensen op de afbeeldingen hebben echt geleefd. De beelden bewegen niet, ze veranderen nooit van pose. Ze zijn een soort pauze, een ciné-pauze uit het verleden. Alsof de doden terug even niet dood zijn. De zwart-wit of sepia beelden hebben soms iets verhelderend eenvoudig, soms zijn ze suggestief of dagen ze ons uit om te speculeren maar altijd dragen ze een verleidelijke zweem van mystiek. Dat maakt ze boeiend.

De afdrukken zijn tastbaar echt, en versterken niet alleen een band met een mogelijk verhaal achter elk beeld maar het dwingt telkens opnieuw om een waarheid te creëren waardoor vernieuwende inzichten ontstaan en de waarde van een verhaal versterkt kan worden.

Varia

Cijfers

IJzerslag 17 oktober – 31 oktober 1914

154.000 gewapende mannen stonden tegenover elkaar (waarvan 100.000 aan Duitse zijde). Er vielen aan de IJzer in totaal ongeveer 48.000 slachtoffers (bijna 1 op 2 aan Belgische en Franse zijde) langs een 28 kilometer korte frontlijn en dit "slechts" in de laatste twee weken van oktober. Bijna 4.000 slachtoffers per dag…

Terminologie

"Volontaire avec prime"

Een "volontaire avec prime" nam de plaats in van iemand die via het lotingsysteem aangeduid werd om als dienstplichtige in het leger te dienen. Dat kon enkel gebeuren indien de dienstplichtige een niet onbelangrijke som aan het Ministerie van Landsverdediging overmaakte en indien de kandidaat-vervanger voor de militaire dienst werd goedgekeurd. De te betalen som was bij wet vastgelegd en diezelfde som werd in meerdere schijven ter beschikking van de vervanger gesteld. Tijdens het eerste decennium van de 20ste eeuw bedroeg die som, afhankelijk van het korps waarbij de vervanger werd ingedeeld, 1500 tot 1700 frank.

Bibliografie

 Charlier, Pierre. Carnet du Soldat O.Barthélemy, Août-Décembre 1914, Editions du Céfal, Liège, 2002.

 s.l., Petite Histoire du 13, Imprimerie J.Dasnoy-Lambert, Namur, 1935.

 Hans Abraham, De Groote Oorlog. Uitgeverij Opdebeeck, Antwerpen, 1919.

 Hans Abraham, Het Bloedig IJzerland. Uitgever J.Hoste, Sint-Pietersstraat 30, Brussel, 1920.

 Lyr Rene, Onze Helden. Gestorven voor het Vaderland. Uitgeverij NV Drukkers en uitgevers maatschappij "Ons Land", Brussel, 1926.

 Van Hoecke, H. De Eerste Wereldoorlog als thema in het Vlaams verhalend proza. Koninklijk Museum van het Leger en van Krijgsgeschiedenis, Brussel, 1969.

 s.l., De Slag aan den IJzer, Plechtige Herdenking van de Tweede Verjaring (Havre, 29 October 1916). Drukkerij Berger-Levrault / Parijs-Nancy. Februari 1917.

 Delfosse, Van Dyck. De Grenadiers te Steenstraat. Etablissements Collignon, Ixelles – Bruxelles, 1934.

 Ombiaux des, M., Un Royaume en Exil. La Belgique du dehors, nr.1. Documents du service photographique de l’armée Belge, Le Pays de France, Paris, sd.

 Piérard L., La Belgique sous les armes. Sous la Botte. En Exil. Librairie académique Perrin et Cie, Paris, 1917.

 Snoeck, R., In Yzer’s Moerassen. Notaboek van onderluitenant Raoul Snoeck. Snoeck Ducaju & Zoon Uitgevers, Gent, 1923.

Afbeeldingen

Alle afbeeldingen privé-verzameling P.De Vuyst.

Familiefoto’s privé-verzameling K.Cools.

Dankwoord

Dhr.Martin Debacker (kleinzoon van soldaat Willem Vandendriessche)

Dhr.Martin Van Acker (voorzitter NSB Dudzele)

Dhr.Stefaan Calus (om zijn liefde voor geschiedenis te delen)

Dhr.Karl Cools (voor het delen van informatie en foto’s)

Dhr.Ruben De Vuyst (mijn zoon en trouwe assistent)

Dhr.Patrick Van Moeffaert (de perfecte proeflezer)

Schoolmeester Bogaert

Op het kader van schoolmeester Bogaert staat de stervensdatum van Willem foutief als 18 oktober genoteerd. Dit hoort 28 oktober te zijn.

 

 

Angèle Pauwaert en haar

moeder Vermeersch Nathalia