Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

PIETER PYPERS

.Zij die gingen

 

Pieter Pypers

1896 - 1918

1896 - 1918


De Groote Stilte

De eeuwige “tak-tak” van de mitrailleurs, het zingen van geweerkogels, het afvuren van kanonnen, het suizen van obussen, het ontploffen van granaten en het alarmerende schreeuwen zorgden continu voor fysiek en mentaal oorverdovend lawaai aan het front.  Lawaai in een permanente staat van alarm.  Na het vertrek van het front bleven geluiden als alerte noodknoppen kleven in een hyper geactiveerd bewustzijn.  Deze constante vorm van alertheid zou een nieuwe vijand creëren; de stilte.  In de stilte kon de confrontatie met geluiden schrikbarende vormen aannemen en angstaanvallen inleiden.  De stilte was op eenzame momenten een sluipende vijand die geestelijk sloopwerk verrichtte.
 
Vele Belgische soldaten die niet op verlof naar huis noch familie konden, door de aanwezigheid van de Duitse bezetter, leefden steeds vaker in een innerlijke wereld van isolatie en heimwee.  Velen werden bij momenten tot sterke gevoelens van wanhoop gedreven door het gemis aan familie.  
 
Er waren elk jaar opvallend meer deserteurs in het Belgisch leger en de algehele ontevredenheid groeide.  De winter van 1917 was ongekend streng en hard geweest.  Tot april vroor het zo hard dat de schildwachten elk uur dienden afgelost te worden.   Veel Vlamingen voelden zich ondertussen door het eigen land en leger onderdrukt.  Bovendien ervaarde men een gebrek aan respect en erkenning van de oorlogsinspanningen.  Waalse en Vlaamse soldaten klaagden samen over het gebrek aan respect voor de gewone soldaat bij de generale staf en over de arrogantie van sommige officieren.  De soldaat was niet meer dan een registratienummer, een dienstplichtig ding.  De woede bij de soldaten was echter groter dan de wanhoop, gedreven door een immens verlangen naar thuis en haat, diepe haat tegenover de vijand, de bezetter van het thuisland.
 
Toen het nieuws van het bevrijdingsoffensief de soldaten bereikte, leidde dit bij velen dan ook tot sterke emoties 

 

Soldaat Pypers

 

 Stationsweg, Dudzele, 2018, honderd jaar later.  De plaats waar Pieter  werd geboren en getogen (Coll.PDV).
 

 


 Pieter, een enige zoon, was al een tijdje van familie, huis en omgeving weg.  In oktober 1914 vluchtte Pieter uit het huis, waar hij geboren en getogen was, voor de oprukkende Duitsers.  Zijn acht jaar jongere zus, en oogappel, Helena wist toen niet dat zij haar grote broer voor een laatste keer zou uitwuiven daar aan de boerderij nabij “de grote statie”.  Het toen tienjarige meisje zou haar broer voor altijd bewaren in een doosje.
 
De diepgelovige vader Frans, geboren te Dudzele op 18 februari 1854, en moeder Sidonia-Silvia Hasson, geboren te Koolkerke op 18 juni 1861, zouden door het sneuvelen van hun zoon een levenslange zware beproeving dragen.
 
Als oorlogsvluchteling werd Pieter opgevangen op de boerderij van de familie Louis Ternier en Louise Thybaut te Oostduinkerke (Langeleedstraat, nummer 1).  Een dorp in het laatste stukje onbezet België maar gevaarlijk dicht bij het IJzerfront.  Pieter was er graag gezien, maar het vele harde werk deed de oorlog echter niet sneller stoppen. 
 
 

 

Louise Thybaut en haar twee dochtertjes Angèle en Maria (Oostduinkerke, Langeleedstraat).  Na de mobilisatie van haar man stond zij er zo goed als alleen voor.  Gelukkig kon zij rekenen op de hulp van enkele schoonbroers en Pieter.  Niettegenstaande de dreiging van oorlog, de schaarste aan middelen ving zij Pieter zo goed als mogelijk op (Coll.JDP).

 Pieter werd soldaat via het oproepen van het “Contingent Special” in 1915.   Jongemannen, zoals Pieter, zagen geen avontuur in oorlog maar oogsten uit dit slecht smakend verhaal slechts haat en verbittering.  Tegen hun zin werden ze in een voor hen totaal niet te bevatten grote oorlog meegesleurd.

Caen, 1915.  Pieter Pypers in opleiding (coll.RZ).
 
Pieter verschijnt na zijn opleiding, als piot of infanterist, aan het front op 1 februari 1916.  Heel af en toe zou zijn rol als piot onderbroken worden door taken bij de vervoersdiensten of het transport.  Hij maakt eerst deel uit van het 10de Linieregiment maar gaat later, op 1 oktober 1917, over naar het 20ste Linieregiment.
 
Het 20ste Linieregiment
 
Majoor met stafbrevet René WILLEMS schrijft het volgende over het 20ste Linieregiment.
 
Het 20e Linieregiment werd op 27 December 1916 gevormd uit ontdubbelde eenheden van het 10e Linie en een Compagnie van het 12e Linie. Het waren eenheden die reeds, gedurende twintig maanden veldtocht, blijk hadden gegeven van hunne waarde: te Namen, waar zij de eer hadden een deel van de meest blootgestelde sector, tussen het fort van Marchovelette en de Maas te verdedigen; te Dendermonde en, gedurende den slag aan den IJzer, te Beerst en te Keiem.
 
In 1915 en 1916 hadden zij achtereenvolgens de sectors Pervijze, Nieuwpoort, Driegrachten, Booitshoeke, Diksmuide en Ramskapelle bezet. 
 
Het 10e en het 20e, die de 10e Brigade vormden, bewaakten de sector van Ramskapelle tot 19 Maart 1917, daarna de sector van Boezinge-Steenstraat tot 7 Juli 1917.
 
Na een rust in de streek van Gravelines, hernam het regiment de wacht in de loopgraven: van 19 tot
Opgesteld door P.De Vuyst – V1 – NSB Dudzele – PDV90 – p.5
 
30 November 1917 in de sector van Luigem, terrein dat het Franse 36e Legerkorps in de zomer van 1917 had heroverd. Vanaf 6 December 1917 loste het regiment een deel van het Franse 36e Legerkorps af in de sector van Bikschote waar het zich onderscheidde door patrouilles, waarbij vijanden gevangen werden genomen, en door zware werken tot terreinversterking, welke later de operaties der 3e Legerdivisie tijdens de slag bij Merkem (17 April 1918) vergemakkelijkten. Het regiment werd op 11 Februari 1918 door het 12e Linie in de sector van Bikschote afgelost. Daarna werd het belast met de verdediging van de woelige sector Woesten-Weidendreft (20 April 1918 tot 27 Mei 1918), waar het zich onderscheidde door de gevangenneming van talrijke Duitsers.
 
Van 26 Juni tot 20 September 1918 bezette het de sector Diksmuide en bemachtigde er gevangenen.
 
De Eindstrijd
 
Het had te lang geduurd.  Te lang waren zij als uit hun eigen land gebannen; te lang waren zij van de tederste banden, van familie en vrienden, losgerukt.  Te lang speelde een brutale bezetter meester in het arme België.  En zij gingen nu een nieuwe fase inluiden.  Volgend bevel van koning Albert werd uitgevaardigd op 27 september 1918 en voelde als een ticket naar huis:
 
“Soldaten, Gij zult de vijandelijke stellingen bestormen met onweerstaanbaar geweld.  Te samen met Uwe Franse en Engelse wapenbroeders zult gij de overweldiger verslaan, die sedert meer dan vier jaar uwe broeders onderdrukt.  Het ogenblik is beslissend.  Overal moet de Duitser achteruit.” “Soldaten, Toont u waardig van de heilige zaak van onze onafhankelijkheid; toont u waardig van onze overleveringen en van ons ras.  Vooruit, voor het Recht, voor de Vrijheid, voor het glorierijke en onsterfelijke België. Albert.”
 
Het begin van het Eindoffensief voor de Legergroep Vlaanderen, was gepland op 28 september 1918, om 05.30u in de morgen. De Belgische aanvalssector liep van "Het Wieltje" (Sint-Jan) tot aan de "Hoge-brug" (Diksmuide) en was in drie opgedeeld, van "Het Wieltje" tot Langemark, van Langemark tot Mangelare en van Mangelare tot aan de Blankaart.
 
Het 20ste Linieregiment behoorde tot de 10de Infanteriedivisie en had nog twee andere regimenten bij zich; het 13de en het 19de Linieregiment.  Op 28 september vertrok het regiment voor het bevrijdingsoffensief, stak de Steenbeek over en nam het Blankaartkasteel in.
 
Tussen de Blankaartvijver en de Hoge Brug stond de 4de infanteriedivisie in voor een afleidingsopdracht.  De 10de infanteriedivisie, waar Pieter toe behoorde, moest die bewuste morgen door een nauwe engte van amper 800m, tussen de inundaties van de Blankaart en de noordgrens van de 1ste infanteriedivisie door, om dan te ontplooien.  Daar waar de Duitse reactie tegen de andere divisies bijna nihil was, werden de manschappen van de 10de infanteriedivisie onmiddellijk het doelwit van de Duitse artillerie en mitrailleurs.  Bovendien kwamen die manschappen rechtstreeks van hun rustkantonnement nabij Izenberge, wat betekende dat ze een pijnlijke mars van ca 20 km ondernomen hadden, met al het materieel dat ze zelf moesten dragen… Het 20ste Linieregiment had de opdracht om het kasteel Blankaart te veroveren. Tegen de middag van de 28ste september kon het kasteel ingenomen worden.
 
Nadien veroverde het regiment van Pieter Klerken en stelde zich de 29ste op in Zarren, nadat het talrijke gevangenen en een aanzienlijke buit had bemachtigd. 

Het strijdtoneel nabij Diksmuide (jachthuis, kasteel Blankaart)(Coll.PDV).
 
Na deze gevechten volgde een noodzakelijke pauze maar de soldaten werden naar huis getrokken als door een onstilbare drang.  De West-Vlamingen streden op en voor hun eigen grond.  Men wilde zo snel mogelijk vooruit.  In amper zes dagen verwachtte men in Brugge te kunnen zijn.  De strijd zou hervatten op 14 oktober.
 
Handzame, op een tiental kilometer van het westelijk front, werd door Duitsers bezet vanaf 20 oktober 1914 tot 14 oktober 1918. Het dorp was een rustplaats voor de artillerie en het voetvolk, duizenden Duitse militairen werden er over de jaren heen ingekwartierd. Er was een medische post, een Duitse militaire begraafplaats, een vliegveld, een 'pionierspark' van de genie, een munitiepark, een opleidingscentrum, enz. De inwoners moesten zich onderwerpen aan allerlei controles, inleveringen en vrijheidsbeperkingen vanwege de Ortskommandant.  De gemeente werd een bijkomende verdedigingsgordel in de nieuwe "Flandern-I-Stellung", vanaf Handzame naar Ledegem aangelegd. 
 
Die "Flandern-I-Stellung" en Handzame-dorp werden definitief door de geallieerden heroverd tijdens de tweede fase van het Eindoffensief. Hierbij vallen tientallen doden. Veel huizen, de kerk, het gemeentehuis en boerderijen worden beschadigd of vernield.
 
Op 14 oktober nam het regiment van Pieter deel aan deze slag van Torhout-Tielt maar het zou Pieter fataal worden.  Na Klerken en Zarren werd Handzame zijn laatste punt, dichtst bij zijn dorp Dudzele.   De aanval op het reeds sterk beschadigde dorp Handzame werd frontaal ingezet.  De strijd opende om 05.30u met het opstarten van artilleriebarrages.  Het dorp was door zijn inwoners verlaten maar niet door de Duitsers die haar hadden omgevormd tot een bolwerk met sluipschutters en mitrailleursnesten. 
 
 De tweede compagnie van het 20ste Linieregiment, waartoe Pieter behoorde, diende mee de aanval in te zetten aan de Krekebekebrug (toen aangeduid met de brug van Handzame) in de Kronevoordestraat (toen Statiestraat genoemd).  Zij dienden samen met het 13de Linieregiment door het zwaar verdedigde dorp heen te trekken.   Eénmaal voorbij de kerk gingen beide regimenten elk hun eigen richting uit.
 
In Handzame dorp ontwikkelden zich hevige beschietingen en verschrikkelijke straatgevechten waarbij huis om huis strijd geleverd werd. De strijd in en rond het dorp Handzame was te hevig geweest.
 
Een oorlogsvrijwilliger schreef in zijn dagboek: "Na een gevecht dat 8 uren duurde om de Hindenburglinie te veroveren (100meter prikkeldraad moest eerst worden overbrugd) werden we werkelijk weggemaaid door Duits mitrailleurvuur. Eens over de waterstroom verstopten wij ons achter een berm, terwijl de Duitsers ons voortdurend onder vuur namen ..."  En verder: "Ik liep verder over het dorp Handzame, overal veel doden, de gekwetsten zijn weggehaald. Het dorp Handzame waar ik niets anders vond dan doden van het 13de Linieregiment ... Mirakels gebeuren zelden, maar om hier levend uit te komen was een mirakel."
 
Een obus viel, een schreeuw klonk, en een lichaam werd op de grond geworpen.  Pieter zou niet langer in de richting van eigen haard trekken maar terugkeren naar het achterland; naar een militair hospitaal.
 
Het regiment stopte niet en drong tot ver voorbij Handzame door en speelde een hoofdrol in de uitvoering van « de manoeuvre van Torhout », die te danken was aan het stoutmoedig initiatief van Generaal Michel, de roemrijke verdediger van Namen.
 
In de ochtend van 16 Oktober was de nederlaag van de Duitsers duidelijk: over het ganse front van het 20ste linieregiment was de vijand in aftocht.
 
De snelle achtervolging begon en bracht de Belgische troepen tot aan het afleidingskanaal van de Leie, waar de Duitse soldaten weerstand boden. Het regiment van Pieter onderscheidde er zich door de verovering van Overbroek, zijn laatste en roemrijke gevecht van 23 Oktober 1918.
 
Tijdens het ganse conflict verloren 57 officieren, 1438 onderofficieren, korporaals en soldaten van het 10e, 20e en 30e linieregiment het leven.
 
Gewond
 
Soldaten wisten aan welke grote gevaren zij bloot stonden, en dat de dood elk moment kon toeslaan.  Dit bewustzijn deed velen hopen op een snelle dood; een kogel doorheen het hart.  Pieter werd echter niet in een oogwenk weggenomen op 14 oktober 1918.  Hij werd geraakt in de borst door een obusscherf te Handzame dorp.  Hij doorstond bij momenten helse pijnen en voerde een dagenlange strijd.  Hij leefde een nachtmerrie.  Zijn kansen op overleven waren zeer beperkt.  Hij stierf uiteindelijk na een langzame doodstrijd die eindigde, 21 dagen later, op 4 november 1918 in De Panne in het hospitaal l’Océan.  Hij ontving in het hospitaal het laatste sacrament, enkele dagen voor de wapenstilstand.

Vooroorlogse afbeelding van het GRAND HOTEL DE L’OCEAN (Coll.PDV)

L’Océan tijdens de oorlog met ziekenhuisbarakken (Coll.PDV).
 
 
Op 24 november 1918 werd te Dudzele om 07.30u een kleine misdienst gehouden voor Pieter waarbij gedachtenissen werden uitgereikt.

               Gebidsprentje (coll.PDV).                                  

                  Pieter Pypers 1916-1917 (coll.RZ).
 
Het Heiligdom
 
Naarmate de oorlog vorderde en de oorlogszone vrij stabiel bleef, kon de Belgische overheid in Le Havre haar oorlogsinspanningen steeds meer en beter organiseren.  De regering werd hierin gedreven door noodzaak.  Zo werd in Le Havre, in het bestaande barakkenkamp, het nieuwe “Bureau des Souvenirs du Soldat Belge” opgericht.
 
Het “Bureau des Souvenirs du Soldat Belge” was wellicht een nog belangrijker oord dan een begraafplaats of een graf.  Het was een heiligdom gecreëerd door het Ministerie van Oorlog; een wachtzaal voor de doden alvorens het hiernamaals te betreden.  Een plaats waar alle zaken die toebehoord hadden aan een gesneuvelde of overleden militair verzameld en opgeborgen werden.  Dingen die op het eerste zicht onbeduidend leken tot kostbare zaken werden er door een ambtenaar als relikwieën gerangschikt, genummerd en geïnventariseerd op naam van de gesneuvelde. 
 
Erfgenamen konden daar verloren dromen in jute zakjes komen ophalen.   In die zakjes zaten dingen die voldoende belangrijk waren geweest voor de gesneuvelde om maandenlang overal mee te dragen in een ransel of andere plaats; foto’s, prenten, brieven.  Zaken waar hij emotioneel mee vergroeid was. 
 
Gesneuvelden lieten ook brieven aan geliefden na, als een soort laatste gesprek met de nabestaanden.  Deze afscheidsbrieven waren netjes aan de individuele dossiers toegevoegd en vormden een hartverscheurende getuigenis van een kapotgeschoten generatie.   Er waren de zakboekjes en andere volgeschreven blaadjes met bedenkingen en overwegingen.  Nog andere papieren bevatten opdrachten aan vrienden over wie diende verwittigd te worden in geval van sneuvelen of dodelijke verwonding.  Andere teksten gaven weer hoezeer men thuis en familie miste en getuigden van verloren kansen en gebrek aan warme liefde.  Er waren ook doorkerfde en doorschoten kleren waaraan nog geronnen bloed kleefde.
 
Dudzele verloor met Pieter Pypers opnieuw een krachtige, beloftevolle jonge mens met ongetwijfeld vele talenten.  Ongeveer 13.000 Belgische soldaten kwamen om het leven in het enige offensief dat het Belgische leger ooit heeft uitgevoerd.  
 
Maar het laatste pakje zou niet van Le Havre komen.  Boerin Louise Thybaut, die Pieter had opgevangen op de boerderij in oktober 1914, had het pakje van Pieter meegenomen uit het hospitaal zodat zij dit alles kon afgeven aan de diepbedroefde ouders.
 
Het doosje van Helena
 
Pieter Pypers heeft ons een adresboekje, dagboekje, foto’s en brieven nagelaten.   Dankzij de Heer Roger Zwaenepoel, en zijn echtgenote Mevrouw Christiane Decoster, woonachtig te Uitkerke, werd een belangrijk stuk geschiedenis bewaard en nu opengesteld.  Het was de moeder van Roger die de erfenis van haar broer had bijgehouden.  Helena zou sterven in 1982.
 
Adresboekje Uit het adresboekje leren we dat hij correspondeerde met andere Dudzelenaars.  Zo ook met Kamiel Vandeweghe die net zoals Pieter zou sneuvelen.  Achteraan in het boekje schrijft hij een bericht aan zijn ouders en zusje:
 
”Beminde ouders en teergeliefde zus, ik kom U enkele regels te schrijven in dit boekje voor het geval mij een ongeluk zou overkomen.  In de periode dat ik van huis ben vertrokken en totdat ik soldaat ben geworden, heb ik nooit gebrek aan geld gehad.  De mensen die mij opgevangen hebben, hebben mij altijd in mijn onderhoud voorzien en daarom beste ouders en teergeliefde zus als er mij een ongeluk zou overkomen, breng mij dan niet tot schande bij hen met hetgeen ik allemaal heb gekregen.  In dit boekje staat hetgeen ik allemaal heb gekregen genoteerd en wil dan zo goed zijn om alles wat ik heb mogen ontvangen terug te willen geven.” Ook uit het dagboekje blijkt dat de constante zorg over het heelhuids terugkeren alle aandacht opeist

“Leve de kameraden van Oostduinkerke, 1915”.  Pieter bevond zich in de lichting 1915 en staat naar alle waarschijnlijkheid mee op de foto (hij was immers gedomicilieerd te Oostduinkerke). Oostduinkerke betekende voor Pieter zeer veel. (Coll.RZ).
 
Het dagboekje Pieter hield tijdens de oorlogsjaren (1916, 1917, 1918) niet echt een dagboek bij.   Tijdens zijn hospitalisatie startte Pieter met het uitschrijven van zijn ervaringen “uit die vreselijke oorlog” in een klein boekje.   Hij schrijft alles met potlood.  Het grote aantal details, data en plaatsnamen, doet vermoeden dat hij reeds nota’s nam aan en achter het front.
 
Hij durft deze stelling te nemen in de inleiding van het boekje: “… na enige maanden in het kamp te zijn geweest, diende ik naar het front te komen of zeg maar het slachthuis want die oorlog is toch maar om de werkman onder de voet te houden.”
 
Hij bespreekt er gevechten, de beschietingen, verloven, het werken en de vele verplaatsingen aan het front.  Zo zijn er op 2 mei 1916, in de sector Diksmuide, na een beschieting van 6 uur, 13 doden en 34 geblesseerde soldaten in zijn eigen compagnie.  Op 3 mei volgt verlof te Bray-Dunes.  Op 26 mei 1916 gaat de eenheid over naar de sector Ramskapelle.  
 
Er is ook de intense koude.  

 Sector Merkem, december 1917. “…wij hadden op de voorpost een man die weggedragen diende te worden als gevolg van de kou.”
 
Op 21 maart 1918 trekt Pieter op in de sector Loo en maakt kennis met een gasaanval.  Op 22 maart gebeurt het volgende: “… wij hadden drie mannen in onze compagnie die door het gas bevangen waren en afgevoerd werden naar het hospitaal.”
 
Er is ook een kritische noot voor de officieren van een gehard en ervaren frontsoldaat.  Sector Loo, nacht van 24 op 25 maart 1918. “… wij gingen naar de voorpost met onze nieuwe luitenant.  Hadden wij hem moeten geloven dan moesten wij op onze knieën naar de voorpost kruipen omdat de Duits nu en dan eens schoot met een mitrailleur.”
 
Niet mogen uitgaan na het vele harde werk, werd niet in dank afgenomen. “….en in de nacht van 5 op 6 mei 1918 kwamen wij uit de loopgrachten.  Tijdens deze drie dagen dat wij uit de loopgrachten waren mochten wij niet uitgaan.  Wij waren nog slechter gesteld dan Duitse gevangenen.”
 
Pieter beschrijft enkele vreemde voorvallen. “….op 8 mei 1918 gingen wij wederom naar de loopgrachten voor zes dagen.  In de eerste drie dagen hadden wij een geblesseerde door een bal van zijn geweer die afging.”
 
Op 21 mei 1918, nabij het station van Klein Leisele. “…er was een man die een geweerbal door zijn voet schoot.”
 
Augustus 1918, Hoogstade. “… de eerste van augustus gingen wij terug naar de loopgrachten voor acht dagen.  De laatste dag dat wij in de loopgracht waren, hadden wij een geblesseerde doordat zijn eigen geweer in stukken sprong.”
 
En dan komt het bevrijdingsoffensief.  Hij schrijft over 27 september 1918, en daaropvolgende dagen, het volgende neer: “… en dezelfde avond moesten wij naar de loopgrachten om een aanval uit te voeren.  ’s Morgens rond drie uur begonnen onze kanonnen drie uren aan één stuk door te schieten.  Dan kon onze aanval beginnen.  Wij trokken de eerste dag door tot tegen Klerken en de tweede dag namen wij Zarren in.  Tijdens die twee aanvalsdagen hadden wij een veertigtal mannen buiten gevecht aan doden en geblesseerden.     Wij dienden dan tot de 8ste oktober in de loopgrachten te blijven zitten.  Dan kwamen we uit de loopgrachten om in rust te gaan te Klerken.”
 
Hier eindigt de tekst in het boekje.
 
Mondelinge overlevering leert ons dat de Belgische soldaten zo snel als mogelijk wilden vorderen; op weg naar het einde van de oorlog maar ook op weg naar huis.  Belgische soldaten liepen hierdoor soms te snel vooruit en werden geraakt door de eigen artillerie die haar beschietingen nog niet had opgeschoven naar het diepere hinterland.  Het vermoeden bestaat dat Pieter door de eigen artillerie werd geraakt.
 
Brieven

Pieter had een Nederlandse oorlogsmeter of “marraine de guerre” namelijk onderwijzeres Geertruida H. Pronk uit Alkmaar (Mient, nummer 29).   Veel soldaten hadden oorlogsmeters waarmee zij correspondeerden.  Veruit de meeste meters woonden in Engeland, Frankrijk en Nederland.  Wie met een Nederlandse meter correspondeerde had meer kans op het laten doorsturen van brieven naar het bezette België. De onderwijzeres tekende af met “Geertr. H. Pronk”.  Pieter noteerde in zijn adressenboekje “Geerte”.
 
In maart 1918 nodigt Geerte Pieter uit om een brief aan zijn ouders te schrijven: “Je schreef me de laatste maal dat je reeds in zo’n lange tijd niets van je ouders hebt vernomen.  Weet je wat je doen moet, Pieter.  Je schrijft aan mij, wat je gaarne aan je ouders wilt laten weten en geef dan ook aan mij het adres van je ouders op.  Dan zal ik mijn best doen om het aan hen te doen weten en hen vragen aan mij te schrijven met wat ze U graag willen vertellen en dat meld ik dan weder aan U.” (G.H.Pronk)
 
In het doosje van Helena zit een brief van Pieter met datum 27 juli 1918.  Een brief gericht aan zijn ouders: “Beminde ouders en teergeliefde Zuster, ik kom U nogmaals een briefje toe te sturen…. (-).  Wat mij betreft ik stel het tot nu toe nog altijd opperbest.  Ik heb niets tekort noch van eten, noch van drinken en ook geen gebrek aan geld want een slimme vos die geraakt aan alles nietwaar…(-).  Jullie moeten geen verdriet maken in Uw zoon en broer want er zal toch wel eens een dag komen dat wij weerom elkaar zullen terug zien.” (P.Pypers)
 
Geen enkele brief zal echter ooit zijn ouders bereiken.
 
Er is ook correspondentie met de boerin Louise Thybaut (Pieter zijn “tweede moeder”) uit Oostduinkerke en dit reeds van in het prille begin als Pieter vertrokken is als soldaat op 20 juni 1915 (officieel was Pieter soldaat op 9 juni 1915).  Pieter verneemt via deze brieven onder meer hoe beschietingen boerderijen, in de buurt van het hof Ternier, raken.   De echtgenoot van Louise Thybaut, de boer Louis Ternier, was soldaat tijdens de oorlog (hij zal de oorlog overleven en februari 1919 terugkeren).  Louis Ternier werd reeds in september 1914 krijgsgevangen genomen en zou de rest van de oorlog in krijgsgevangenschap doorbrengen.  Hij zal Pieter nooit ontmoete

Boerderij Ternier – Thybaut, Oostduinkerke, Langeleedstraat nummer 1, 2018. Waar Pieter werd opgevangen en in ruil de boerin met haar twee kleine dochtertjes  Marie (°1911) en Angèle (°1912) hielp.  Echtgenoot Louis Ternier was ondertussen krijgsgevangen (Coll.PDV).
 
Louise Thybaut zal contact opnemen met de ouders van Pieter en vanuit Oostduinkerke een brief schrijven: “… Gij zijt zeker verwonderd beste vrienden dat Pierre nog bij U niet geweest is, het is hem onmogelijk tot U te komen en hij zou graag hebben dat je zelf eens komt om hem te bezoeken want Pieter ligt geblesseerd in het hospitaal in De Panne.  Ik ga hem tweemaal in de week gaan bezoeken en laat hem niets tekort.  Daar moet je niet aan denken want Pierre is een brave jongen.  Ik hoop beste vrienden als ge mijn brief ontvangt dat ge niet lang zal wachten om Uw zoon te bezoeken.  Ge kunt bij mij aanlanden en ik zal dan met U meegaan.  Het hospitaal is open van 1 tot 3 uur in de namiddag.  Bij mij kunt ge wezen en overnachten.  Ik woon het eerste dorp over Nieuwpoort genoemd Oostduinkerke en wij zijn goed gekend.  Vraag achter het hofsteetje van Louis Ternier en ge zult goed aanlanden. Uwe zoon is geblesseerd in zijn schouder en ge moet niet ongerust zijn en ik geloof wel dat de oorlog zal gedaan zijn en dat Pierre niet meer zal moeten gaan.  Hij verlangt zo om U allen te zien en ik denk wel dat ge aan zijne vraag zal voldoen.   Beste vrienden ge moogt God loven en danken dat alles zo afgelopen is en ik verwacht U binnenkort.” (L.Thybaut)
 
 
Vanuit het hospitaal in De Panne schrijft Pieter rechtstreeks aan zijn ouders vanuit “bed 144”.  Een nadere kijk op de handschriften leert dat hij deze brief niet zelf heeft geschreven. Hij laat z’n ouders voor de eerste keer iets weten over zijn verwonding:
 
“Hospitaal, de 18de oktober 1918” Teerbeminde Ouders en Geliefde Zuster Ik laat U iets weten dat er mij een klein ongeluk overkomen is, het is te zeggen door de moffen gewond.  U moet U niet ongerust stellen beminde ouders en zuster, mijn wonde is niet erg.  Ik ben gewond onder mijn rechter schouder door een obus, ik heb vele pijnen doorstaan, nu ben ik toch aan de beterhand. Beminde Ouders en Zuster, ik hoop dat U allen nog goed gezond zijt en dat U Uwe gezondheid moogt houden, tot wij elkaar gaan wederzien, hetgeen ik denk niet lang meer zal duren want is dat wij kloeken Belgen zoo voortgaan, zal onze ontmoeting heel spoedig zijn.  U hebt ook den goeden dag van Désiré Marreyt, hij stelt het opperbest. Beminde Ouders  en Zuster,  ik moet mijn brief sluiten daar ik teveel moeite heb om te schrijven.  Ik hoop dat U allen deze enige regels in de beste gezondheid moogt ontvangen. Ik stuur U allen Beminde Ouders en Zuster mijne beste kussen en een spoedig wederziens.  Uwen toegenegen zoon”. Beminde Ouders en Zuster, als het soms mogelijk is mij te komen bezoeken zoudt U mij een groot genoegen doen, ik ken hier burgers waar U allen goed te eten en te slapen zult hebben.  Uwen zoon Pierre.” (P.Pypers)
 
De ouders en zus van Pieter schrijven terug op 27 oktober 1918. “Beminde Zoon en Broeder,  wij hebben Uwen brief van 18 oktober ontvangen, evenals uw portret waar gij zoo flink op staat, hetgeen voor ons allen natuurlijk veel plezier doet surtout dat wij sedert 4 jaar geen zeker nieuws meer van U ontvangen hadden.   Wij stellen het allen godzijdank nog goed, wij hebben in niets nog tekort gehad, wij zijn van de Duitsers veel afgenomen maar hebben nog genoeg om voort te doen.  Hier zijn al de koeibeesten en paarden meegenomen, maar op Dudzele alleen zijn de koeibeesten gebleven en wij hebben ook ene koei behouden met een zwijn en een goed zwijn in de kuip. Op 19 oktober zijn de eerste Belgische soldaten aangekomen en den 18de waren de Duiters gevlucht gelijk de hazen naar Holland.  Toe op de statie in het land van Louis Bonte staan vele barakken voor proviand.  De chef, Verscheure, die dood is, Croes, Amelie Van Renterghem, nu al de mensen van de statie, uitgenomen wij, hebben moeten verhuizen.  Wij hebben de complementen gehad van Dies Marreyt en gij ontvangt de complementen van de chef en Martin en Maurice.  Hier is alles ook goed gespaard gebleven, alleenlijk zijn de duikers en de bruggen overal gesprongen.  De Herdersbrug ligt in de vaart.  Van graan en aardappels is er nog nooit geen betere oogst geweest.  Wij verhopen op een spoedige genezing van U en verhopen u in het kort weder te zien.  Van al de Dudzeelse soldaten zijn er maar Louis Scherpereel, Willem Vandendriessche en Vandewaeter dood.  Audenaerde waar gij altijd gewerkt hebt en Kamiel van Renterghem zitten krijgsgevangen in Duitsland.  Wij hebben hier ook het bezoek gehad van Moerkerke waarmede gij gevlucht zijt.  Hier zegt men overal dat den oorlog niet lang meer zal duren, dat den Duitsman gans verslagen is.  Het is een gans ander leven sedert wij de Belgen hier hebben.  Onze beste wensen van ons allen. Uwen ouders en zuster. Nu is er geen middel, daar al de ijzerwegen en bruggen gesprongen zijn, om U te bezoeken maar moest het te lang duren ik zal trachten te komen per trein of per velo, maar zodat gij genezen zijt verhopen wij U hier te zien. Ik verhoop op een spoedig antwoord van U.” (F.Pypers)
 
Zij zullen elkaar nooit meer terugzien.

14 oktober 1918.  Omstreeks 5.30u bevindt Pieter zich aan de Brouckstraat (blauwe pijl links).  Enkele uren later omstreeks 10.00u ligt de eenheid van Pieter aan de rand van Handzame dorp (blauwe pijl rechts).  Tijdens de daaropvolgende bevrijding van het dorp wordt Pieter gekwetst (coll.PDV).
  
1918 - 2018
 
In 2018 zullen we het einde van een oorlog herdenken en zullen vele militaire aspecten aandacht eisen waarbij “zelfvergoding” gevaarlijk om de hoek zal loeren.  Maar de soldaten, die konden terugkeren, hadden doorgaans geen behoefte aan het bewieroken van zichzelf als militair.   Er was iets anders die het verwoestende frontleven in hen had wakker geschud, namelijk inspraak in het politieke beleid.  
 
In Loppem in november 1918, begroef Koning Albert I het vooroorlogse kiessysteem dat de rijke elites had bevoordeeld en verklaarde hij het tijdperk van één man, één stem aangebroken.  Wie kon de IJzersoldaten immers nog een gelijke stem ontzeggen in het maatschappelijk debat?   Naast het algemeen enkelvoudig stemrecht verkregen de soldaten de erkenning van de vakbonden, het stakingsrecht en Vlaamse taalrechten in het hoger onderwijs.  Onze soldaten hadden de oorlog gewonnen aan het front en een eerste belangrijke slag in de strijd tegen sociale ongelijkheid.   
 
In 2018 herdenken wij het einde van de “Groote Oorlog” opnieuw met een minuut stilte; niemand zal spreken, iedereen zal terug even in zichzelf gekeerd zijn.  Maar het is meer dan dat; het is stil omdat niemand kan uitdrukken, ook vandaag niet, hoe het geweest is; het stille verkrampte zwijgen.
 
Laat het stil zijn omdat wij de 100-jarige verjaardag van deze noodlottige periode geen overwinningsfeest kunnen noch willen maken.  Laat ons berouwvol zwijgen en de kwellingen en het leed herdenken.
 
Het is stil omdat de soldaten van toen de oude schreeuwerige leugens van glorie, eer en heldenlegendes beu waren.  Zij wensen ons vandaag geen waardeloze en leugenachtige praal, protserige monumenten en ander dom, commercieel spektakel toe.    Oorlog is geen verheven sport met roemrijke herdenkingen.   Oorlog is een misdaad tegen de mensheid.
 
Oorlog gaat niet over mooie lijken, lichtgewonden en edel sterven in de handen van een engel, maar gaat over eenvoudige jonge mensen die gruwelijk verminkt worden en als arme drommels met doodsangst in de ogen in het slijk als vodden verrekken.  En anderen die waanzinnig worden in angsten.  Onze jongens waren misbruikte onschuldige wezens.  Maar elk had gedaan wat hij kon om deze misdaad te doen stoppen; om dat te herdenken komen wij samen.
 
Laat 1918 – 2018 een berouwvolle herdenking zijn en een oproep zijn tot nooit meer oorlog, tot vrede, tot meer solidariteit en liefde voor het vaderland.  Wij vieren vandaag geen overwinning want iedere mens was in die puinhoop verliezer.
 
De beide families, Ternier - Thybaut uit Oostduinkerke, en Pypers - Hasson uit Dudzele

Frans, Sidonia en Helena, 1916.  Een verhaal over hoop, geloof en wanhoop,  verlangen en verdriet, over alles verliezen en weer helemaal van voren af aan beginnen (Coll.RZ).
 
Frans sterft op 28 februari 1936 (82 jaar oud), Sidonia sterft op 3 maart 1941 (80 jaar oud).   Zusje Helena Pypers (°01.08.1904 / + 03.03.1982) huwde op 04.05.1927 met Kerckaert Eduard  (° 27.03.1901 / + 20.07.1935).  Zij hadden 1 zoon: Kerckaert René (°23.03.1930 / + 16.03.1956).  Hij stierf na een jammerlijk ongeval te Moerkerke.  Op twee jaar tijd was Helena haar echtgenoot (1935) en haar vader kwijt (1936), in 1956 haar 26 jarige zoon.  
 
Helena huwde opnieuw op 02.06.1936 met Karel Zwaenepoel (°15.08.1904 / + 10.04.1968).  Zij hadden samen 3 kinderen: • Marie-Louise ° 21.01.1940 • Roger ° 09.08.1943  • Jules ° 03.04.1946 
Opgesteld door P.De Vuyst – V1 – NSB Dudzele – PDV90 – p.19
 
Dankwoord Mevr.Ingrid De Smet (Uitkerke) Dhr.Roger Zwaenepoel (Uitkerke) Dhr.Joan Depotter (Oostduinkerke) Dhr.Dieter De Vuyst (Uitkerke) Dhr.Eric Kellens (Torhout) 
 
 
Afbeeldingen Coll RZ : collectie Roger Zwaenepoel Coll PDV: collectie Paul De Vuyst Coll JDP: collectie Joan Depotter
 
Bibliografie • Verhavert, Cypriaan (I.Eenzame), “Zij die gingen…en zij die blijven”, Bijstandstraat 7, Brussel, Uitgave ’T Spaeverke, 1924. • Van Com, Christian, “Chiffons de Papier”, Les Editions Neggor, Louvain – Belgique, 1938. • De Schaepdrijver, Sophie, “Bolwerk Brugge.  Bezette stad in 14-18”, Uitgeverij Hannibal, 2014.  • Zaine, Guillaume de, ”Onze Helden aan den Yzer! De lange strijd in Veurne-Ambacht. Vaderlandsche tafereelen uit den wereldoorlog, als hulde aan het dapper Belgisch leger in Vlaanderen Brugge”, z.j. (Sint-Andries, Brugge). • Pauwels, Jacques R., “De Groote Klassenoorlog 1914-1918”, Uitgeverij EPO, Berchem, 2014. • Buelens, G., “Europa Europa !”, Uitgeverij Ambo – Manteau, Antwerpen, 2de druk, 2009. • Baccarne R, Steen J., “Van het Vrijbos tot Roeselare, Eindoffensief 1918”, uitgave met steun van de Provincie West-Vlaanderen, 2002. • Jentsch, R., “Otto Dix.  Der Krieg.  1924”, Pandora Publishers, 2013. • Willems, R., “Vu et Vécu”, Fraternelle du 20me De Ligne, Rue du Tennis 11, Gand, Imprimerie Charles Peeters, Léau, 1931. • Kellens, E., “Bevrijding van het Krekedal 1918-2018”, tekst- en fotoboek bij de wandeling van 7 oktober 2018, eigen beheer, 2018.
 
Internet bronnenhttps://www.geocaching.com/geocache/GC4JAZC_slag-aan-de-yserwoumen?guid=4dbc1388-663b-4ffc-be2e-0484ba96e3b8 (geraadpleegd op 24.04.2018) • http://www.westhoekverbeeldt.be/afbeelding/39f53656-bbc6-11e3-88ba-d3fd261eea80  (geraadpleegd op 24.04.2018) • http://www.ablhistoryforum.be/viewtopic.php?t=1277  (geraadpleegd op 24.04.2018) • https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/91184  (geraadpleegd op 10 mei 2018) • https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/91182  (geraadpleegd op 3 juli 2018) • https://www.uitinvlaanderen.be/agenda/e/de-bevrijding-1918-2018/423f6b4f-2899-481eb342-9711a8f136f3 (geraadpleegd op 3 juli 2018

Kortemark, deelgemeente Handzame. Handzameplein nr. 1/ Handzamestraat. Bronzen gedenkplaat voor het 20ste Linieregiment van de Eerste Wereldoorlog in de gevel van het voormalige gemeentehuis.  Opschrift: "AANGEBODEN DOOR DE VERBROEDERING MET HET 20STE LINIEREGIMENT DAT OP 14 OKTOBER 1918 HIER ZEGEVIEREND SLAG LEVERDE EN DE VERMELDING - HANDZAME - OP ZIJN VAANDEL BEKWAM" (drukletters in vlakreliëf).  Bovenaan, het kenteken van het 20ste linieregiment in vlakreliëf. Deze gedenkplaat herinnert aan het feit dat het 20ste Linieregiment op 14 oktober 1918 Handzame definitief kan heroveren en als gevolg daarvan de vermelding 'Handzame' op haar vaandel krijgt. De plaat wordt aangeboden door de verbroedering van het regiment.  Op 20 oktober 1914 bezetten de Duitsers Handzame en dat voor een periode van vier jaar. In oktober-november 1917 bouwen zij nog een bijkomende verdedigingsgordel, de nieuwe "Flandern-IStellung", vanaf Handzame naar Ledegem. Pas op 14 oktober 1918 wordt de tweede fase van het eindoffensief ingezet waarbij de "Flandern-I-Stellung", Handzame-dorp en Kortemark bevrijd worden.

Opgesteld door P.De Vuyst – V1 – NSB Dudzele – PDV90