Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

OMER WINTEIN

Omer Wintein

Oostnieuwkerke-Most

Tekst: P.De Vuyst

° 17 december 1894

+ 5  december 1918

Wie was Omer

Omer was de ongehuwde boerenzoon van Leopold-François en Leonie Maenhoudt. Hij werd geboren te Dudzele op 17 december 1894. In de aanloop naar de oorlog verdiende hij de kost als boerenknecht.

Hij was meter groot, kloekgebouwd en had donker kastanjebruin haar.

Samen met zijn ouders, drie broers en een zus woonde hij te Dudzele in de Westkapelsesteenweg. De boederij droeg het nummer 21. Zijn broers en zus waren Cyriel Wintein (geboren 15/09/1889, overleden op 02/12/1978), Firmin Wintein (geboren 23/09/1890, overleden op 3/11/1973), Julianus Wintein (geboren op 27/08/1901, overleden op 24/03/1979) en zus Malvina Wintein (geboren op 24/05/1893, overleden op 11/07/1980).

Noot: de naam Wintein zal na de Eerste Wereldoorlog veranderen in Wentein.

Het ouderlijke huis (juni 2017)

Moeder en Vader

 

Militaire loopbaan


 

 

“28799”, van de klasse 14

De lichting van 1914, de 20 jarigen, werd eind september 1914 opgeroepen. Op zaterdag 26 september stapte de 20-jarige Omer Wintein in Dudzele de trein op met als bestemming de versterkte vesting Antwerpen. De oorlog woelde dan al bijna 8 weken. Dat een lichting in vredestijd de legerdienst aanvatte in september was begrijpelijk: de oogst was op dat moment reeds binnengehaald. De landbouw was de dominante economische activiteit en er waren, naast paarden, veel krachtige handen nodig. Die late oproeping in 1914, in volle strijd, illustreert een minpunt in de organisatie van het Belgisch leger in die eerste oorlogsmaanden. Op zondag 27 september 1914 trad Omer als milicien in dienst van het Belgisch leger.

Zonder opleiding, uniform of wapens werden Omer en zijn leeftijdsgenoten afgezet in Lier. De Duitsers waren toen in volle opmars naar Antwerpen.

Lier lag vanaf 29 september zwaar onder vuur.

Omer en zijn wapenbroeders, nog steeds zonder wapens, noch ervaring, moesten in Lier op de vlucht voor het vuur. Kort daarop ging het dan richting Mortsel en Antwerpen. Tussenin voerden ze militaire oefeningen uit gesterkt door koffie en brood maar zonder uitrusting. ‘s Avonds sliepen ze buiten op de straatstenen.

De stad Antwerpen lag vol soldaten en vluchtelingen. Na terug een nachtje buiten slapen werden de rekruten, ‘stijf als ijzer’ op 2 oktober naar de overkant van de Schelde geleid. Ook de volgende nacht sliepen ze onder de hemel:

“Wij legden ons met den rug tegen elkaar om ons toch maar een weinig te kunnen verwarmen.”

Op 3 oktober werd per trein gereisd naar de Westhoek. Op 8 oktober, werd de lichting in de late avond naar Duinkerke getransporteerd, opnieuw met de trein. In de volgende 2 dagen ging het dan onder andere via een kolenboot eerst naar Cherbourg, waar ze in een kazerne eindelijk iets stevigs te eten kregen. Tenslotte eindigde de reis in het opleidingscentrum (Centre d’Instruction) van Granville in Normandië. De 1300 Belgische rekruten zullen er samen met 2000 Franse rekruten hun broodnodige opleidingen krijgen.

In het opleidingscentrum moesten Omer en zijn kompanen, vanaf halfweg oktober 1914, 7 dagen op 7 oefenen: opstaan (5u30), koffie (6u30), in rang (6u45), vertrek naar oefenplein (7u), terug in kazerne (11u30), soep (12u), theorie (12u30), oefenplein (13u30), terug in kazerne en theorie (16u30), soep (18u).

Een luchtje scheppen in de stad was enkel toegestaan op zondag; om naar de mis te gaan. Velen ergerden zich aan de soldatenkost en het gebrek aan soldatenkledij.

‘’We zien er uit als een bende carnavalzotten.”

In januari 1915 kregen de rekruten een eerste uniform met kapootjas en aangepast schoeisel. Tweedehands maar toch beter dan burgerkledij.

 

Omer en zijn makkers wensten zo vlug mogelijk naar het front te vertrekken; ze waren het regime in Granville moe. In februari ontvingen ze een ander uniform en voelden zich steeds meer soldaat.

Omer werd er gevormd en gekneed tot volmaakt onderdeel van de grote oorlogsmachine. Zijn naam werd vervangen door een nummer (114/28799), zijn burgerkleren maakten plaats voor een uniform. De machtsverhoudingen en onderlinge verschillen werden aangeduid met symbolen en rangen. Zo evolueerde hij langzaam van een persoon naar een naamloze soldaat, van een burger tot een getraind oorlogswapen.

Op 16 februari 1915 vertrokken 800 rekruten om 6u vanuit Granville in overmoedige feeststemming, met een muziekkorps voorop, naar het station met als uiteindelijke bestemming het IJzerfront. De kreet ‘Vive La Belgique’ weergalmde en ‘De Vlaamse Leeuw’ weerklonk. Het stadsbestuur en de bevolking wuifden hen uit.

Tussen februari en augustus 1915 vertrokken ongeveer 34.000 rekruten vanuit verschillende opleidingscentra in Normandië naar het front.

Op 19 februari 1915 was Omer finaal aan het front bij zijn eenheid. Hij begon zijn legerdienst bij het 14de Linieregiment. Op 30 april 1916 werd hij gepromoveerd tot "Clairon". Hij was onderdeel van 1/III/14L of meer bepaald, per 1 januari 1917, van de 9de compagnie van het 3de bataljon van het 14de Linieregiment (3de Legerafdeling).

De soldaten klaroenblazers moesten zich niet alleen laten horen bij het hijsen van de vlag. Ook vooraan waren zij aanwezig. Ze vuurden met hun klaroengeschal de andere soldaten aan en gaven aanwijzingen.

Belgische soldaten in volle uitrusting, 1918.

 

Situatie aan het front

Aan het Belgische front heerste na vele jaren oorlog een vervelende onrust met een continue ondertoon van angstige spanning. Elke dag stierven soldaten als gevolg van beschietingen of scherpschutters. Ze zagen de vijand niet. Men stierf vanop afstand. Van heldenmoed en verheven strijdlust was al lang geen sprake meer. Soldaten voelden zich steeds meer pionnen in een gigantisch gokspel; wachtend in een gracht op de dood of verminking.    Steeds meer groeide woede over deze onmacht.

Een soldatenleven

Het leven achter het front was eenvoudiger; eten, slapen, verplaatsingen, vervoerd worden, zoeken naar wat warmte en goed gezelschap. Het was ook opletten voor de fratsen van de kameraden maar evenzeer voor de kleine kantjes van het leven; van diefstal tot roddelen.

De vele blootstellingen aan allerlei soorten weersomstandigheden en vochtige omgevingen had hen gehard, anderen liepen bijna permanent met een hoest.  De meesten leden aan pijnlijke gewrichten.  Zich dagelijks wassen was er niet bij, zowat iedereen stonk. Velen waren behaard en zaten onder het slijk.

Als soldaat diende Omer zich dus zelf uit de slag te trekken en zijn plan te trekken, want een oorlog is niet romantisch.

De jaren van oorlog trokken een diep litteken in het denken en voelen als mens. Om te overleven had Omer zich moeten omvormen van brave godsvruchtige man naar een soldaat die anderen kon doden en hiermee vrede moest vinden. Deze psychische omschakeling liet diepe sporen na. In oorlogstijd was, rond het doden van een ander, alles toegelaten en niets ontoelaatbaar.  Doden was geen moord meer.

Na gevechten en beschietingen werd in vlagen van mentale decompressie opgewonden gesproken over de kapotgemaakte vijanden, de Duitsers.

Onze soldaten vochten voor hun leven, doden was hun beroep geworden. Het hielp daarbij om de Duitsers niet te zien als mensen en hen in gesprekken te “ontmenselijken”. Soldaten konden doden en kapotte lichamen zien zonder nog geraakt te worden. De oorlog had hen geestelijk verminkt.

Elke frontsoldaat hoopte in zijn hart en ziel dat deze geestelijke verbeesting een tijdelijk iets was. Na de oorlog zou het normale leven en denken immers terug zijn plaats opeisen. Velen hadden echter de hoop op een gemakkelijke omschakeling ondertussen opgegeven als gevolg van de angsten en trauma’s.

Soldaten stonden soms, plots en ogenschijnlijk zonder reden, intens en langdurig te lachen. Niet om iets grappigs maar om af te kikken van hevige emoties doorstaan aan het front.

De laatste grote aanval

Na jaren van oorlog was het Belgisch leger op een hoogtepunt gekomen daar de verliezen uit de voorgaande jaren waren aangevuld met optimaal getrainde en uitgeruste soldaten. Het Belgisch leger was klaar om een nieuw hoofdstuk te schrijven; het bevrijdingsoffensief. De datum van de aanval werd gezet op 28 september 1918. De honger naar geliefden, thuis, vrijheid en vrede was groot bij de troepen.

Het bevrijdingsoffensief werd bij vele soldaten een katarsis van woede gevormd uit vele geleden angsten en ontberingen, het verdriet om geofferde dierbaren, de kapotte jeugdjaren verdronken in het moeras aan de IJzer, de verminkingen en ziektes, het leven zonder het gezin, familie en dorp.  Maar het had lang genoeg geduurd. De oorlog moest stoppen en de gehate vijand zou men buitenschoppen; voor altijd. Niets zou hen kunnen tegenhouden om naar huis te gaan, en er te helpen, want ze hadden de verhalen van repressie en hongersnood aan de andere kant van het front allemaal gehoord.

De Belgische frontlijn werd gescheiden van de Duitse stellingen door een kapot- en kaalgeschoten moerassig niemandsland dat er even kleurloos uitzag als een zwartgeblakerd maanlandschap. Bovendien hadden de Duitsers hun stellingen in Vlaanderen in de diepte uitgebouwd met meerdere verdedigingslijnen verankerd in beton. De aanval zou ingezet worden in coördinatie met de Fransen en Engelsen. De voorbereidingen waren gigantisch van aard; van het verruimen van de opvangcapaciteit voor gekwetsten tot het opstellen van camouflagedoeken langs de wegen om transporten te verhullen.

“De koortsachtige sfeer achter het front hield al meer dan drie weken aan. Toen wij ’s nachts in eerste of tweede lijn lagen konden wij het gedruis en gegons goed horen. De hele nacht lang reden en rotsten duizenden auto’s en wagens allemaal kriskras door elkaar. (-). Al een goede week werden voortdurend nieuwe kanonnen – allen van het grote kaliber – aangevoerd. (-). Achter iedere haag, stronk of verdoken hoek werden zo’n kanonnen opgesteld. Overal rezen bergen schietvoorraad de hoogte in.”

Infanterist Omer Wintein werd samen met zijn regiment ingedeeld bij de 9de Infanteriedivisie (9.D.I.). Elke Divisie kreeg een bepaald stuk van het front toegewezen om in de aanval te gaan. Na de oorlog zouden de veteranen van de 9.D.I. hun geschiedenis neerschrijven in een boek. Omer wordt hierin met naam vernoemd.

Toen het nieuws van het offensief werd bekendgemaakt aan de troepen reageerde iedereen onthutst.

“Verpletterd en verslagen trok iedereen terug naar zijn abris. Wat wij daar zojuist vernomen hebben, klonk als een doosvonnis.”

Kapiteins deelden hun compagnieën mee, dat wie dat wenste, zijn laatste wilsbeschikking op papier mocht neerschrijven en deze op het bureau onder een gesloten omslag kon indienen. Al wie iets bezat die hij niet echt nodig had, kon dit bij de fourier achterlaten.

Het plaatsje “Drie Grachten”, Belgisch front. 1917.

 

De vijandelijke stellingen

Het eindoffensief bracht uiteindelijk het verhoopte succes. De kostprijs aan mensenlevens was echter groot.

De Duitsers hadden een sterk uitgebouwd verdedigingssysteem uitgewerkt dat bestond uit zes “Stellungen”. Vanuit de IJzervallei had je eerst de Frankenstellung, daarna de dubbele Preussenstellung, de Bayernstellung en tenslotte de Flandern II Stellung en Flandern I Stellung.

De Flandern II Stellung bestond uit 2 afzonderlijke linies. De eerste liep aan de voet van de heuvelrug van Westrozebeke, vanuit Zarren over Vijfwegen tot in Geluveld. De tweede lag er achter, op de top van de heuvelrug, en liep van ’s Graveneik (Staden) over Stadenberg, Westrozebeke tot aan Kruiseik.

Ze bestonden uit talrijke bunkers die naast elkaar stonden en een muur vormden. Net achter de top van de heuvelrug bevond zich nog een derde: de Artillerie Schuts Stellung die bevond zich op grondgebied van Staden en Westrozebeke.

De Flandern I Stellung had als doel Roeselare te beschermen. Deze stelling was echter nog niet afgewerkt. Ze kon dus tijdens het eindoffensief de geallieerde opmars enkel vertragen en niet tegenhouden, zo dacht men foutief aan Belgische zijde. De stelling lag ongeveer 5 km achter de heuvelrug van Westrozebeke en strekte zich uit van de Handzamevaart over Hooglede-centrum tot Moorslede. De stelling was echter wel operationeel gemaakt.

Net daarachter werd in laatste instantie nog een artillerielijn gevormd. Naast loopgraven en mitrailleursnesten bevatte deze Artillerie Schutz Stellung veel prikkeldraad en wat bunkers (deze waren nog niet volledig  operationeel door tijdsgebrek).

Het bevrijdingsoffensief van de Legergroep Vlaanderen onder Koning Albert

28 september 1918

De eerste dag van het bevrijdingsoffensief zou voor het Belgisch leger de dodelijkste dag worden van de ganse oorlog; 16.000 verliezen (doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen). Voor een opmars van twaalf à vijftien kilometer.

Om 2u30 startte een grootscheepse artillerieaanval in de frontstreek Houthulst – Langemark – Poelkapelle – Zonnebeke. De Duitse troepen die namen in allerijl posities in bij het front om de nakende infanterieaanval af te slaan.      Met een tussenafstand van gemiddeld elke 30 meter vuurt het Belgische artilleriegeschut haar moordend vuur.

Op dat moment staan de Belgische infanteristen reeds met duizenden verzameld aan de grens van het niemandsland. Naarmate de Belgische artillerie naar een crescendo groeit, voelen vele soldaten zich beklemd met emoties van angst en onpeilbare innerlijke onrust.

“Velen stopten hun oren toe en doken met hun gezicht in het gras. Anderen lagen te huilen. Sommige soldaten riepen naar hun moeder. Anderen richten een laatste vaarwel tot vrouw en kind.”

Niet iedereen is aanwezig; sommigen hebben zich in de voet of in de hand geschoten, anderen zijn gewoon afwezig. Onder het gehuil van granaten plooien sommigen inéén met maagkrampen, anderen geven over. Nog anderen verliezen controle over hun darmen. De meesten zwijgen en zijn hun artilleristen oneindig dankbaar. Het antwoord van de Duitse artillerie laat niet op zich wachten.

“De vijandelijke artillerie en mitrailleurs gingen in het begin even fel te keer. Hun granaten richten onder onze geledingen een gruwelijke slachtpartij aan. Lichamen werden omhoog gestuwd en ploften enkele meters verder op de grond neer.”

Belgische artillerie in actie.

Om 5u00 traden aanvullend loopgraafgeschut en mortieren in actie. De aarde schudde en beefde onder de Belgische soldaten..

“Niemand van ons sprak nog een woord. Dat was onmogelijk geworden.”

In een wereld vol bliksemschichten, donderend geraas, vlammen, vuur, een regen van ijzer en klompen aarde hielden officieren en onderofficieren hun zakuurwerk in de hand. Om 5u30 werd door de Belgen tussen Ieper en Diksmuide de massale infanterieaanval opgestart; de officieren en onderofficieren sprongen recht en de soldaten volgden hun voorbeeld.

“Wie bleef liggen was ofwel gewond, ofwel dood.”

Overal kon men meerdere kilometers terrein winnen. In enkele uren tijd werden de eerste drie “Stellungen” veroverd.

“Alles wat wij in de vijandelijke eerste lijn aantroffen, waren doden. Meerdere van hen waren vreselijk verminkt.”

Ook de tweede lijn lag bezaaid met dode Duitse soldaten. Anderen lagen verminkt te klagen.

“In de tweede lijn waren nog heel wat soldaten die zich zonder slag of stoot overgaven.”

De Belgische artillerie probeerde zo goed en zo kwaad mogelijk het geschutsveld op te schuiven zodat de oprukkende soldaten geen slachtoffer zouden worden van hun eigen bombardement. Het slagveld was bezaaid met drassige stinkende granaatputten.

 

Omdat de zalen vol lagen, was men genoodzaakt de gangen te gebruiken (Vinkem).

 

Vanuit het lager gelegen gebied van de IJzer en het kanaal Ieper-IJzer was men bergop richting de heuvelrug van Westrozebeke getrokken. Het was de bedoeling in deze eerste aanvalsdag de heuvelrug in te nemen (Flandern II Stellung). Men slaagde hier echter bijna nergens in. Door de slechte staat van het terrein werd de opmars bemoeilijkt. Zowel infanterie als artillerie bleven grotendeels steken op de flanken van de heuvelrug.

Niettegenstaande werden Zonnebeke, Passendale, Langemark, Poelkapelle en Houthulst bevrijd.De soldaten moesten overnachten in het niemandsland; op de rand van kraters en putten die onderaan gevuld zijn met gistende en smachtende drek met daarop een laag slijkvocht die af en toe aan het zicht onttrokken wordt door drijvende walmende gassen. De meeste soldaten zijn doornat, hongerig en oververmoeid. Velen worden in deze putten “gepakt” van het gas.

“Alles wat wij aanhadden, was immers volledig natgeraakt, en het water en modder spoten uit onze schoenen naar boven.”


29 september 1918

Tijdens de 2e aanvalsdag probeerde de Belgische infanterie van 6 uur ’s morgens verder op te rukken, vooral de hoogtes die ze een dag eerder hadden willen innemen, moesten vandaag veroverd worden. Het 17e linieregiment, samen met de Schotten, veroverde vrij vlug het gebied tussen Dadizele en Moorslede. En na een hevig Brits artilleriebombardement op Moorslede kon dit dorp worden bevrijd door het Belgische 16e linieregiment. Op de flank van de Zeugeberg (vlak voor Westrozebeke) bleef het bloedvergieten van de dag voordien gewoon doorgaan. Zowel aan Belgische als aan Duitse kant sneuvelden heel wat soldaten. Op het einde van de dag hadden de Belgen maar een paar honderd meter terreinwinst kunnen maken. Ook op 29 september bleef Westrozebeke in Duitse handen.

 Hetzelfde verhaal ten noorden van Westrozebeke, de   Tiendenberg zorgde voor een bloedbad en kon tegen de avond niet worden ingenomen door de geallieerden.

Om 17u bereikten Belgische soldaten Stadenberg. Er werd zwaar gevochten op de flanken en heel wat soldaten lieten er het leven. De verliezen waren groot. De mannen waren afgemat, uitgehongerd, getraumatiseerd en doorweekt.

“Verschillende vijandelijke mitrailleurs zonden hun moordend lood.”

Vooral ter hoogte van Stadenkasteel was de weerstand hevig. Dankzij de Fransen kon uiteindelijk de berg worden ingenomen en even later werd ook het dorp Staden bevrijd zonder al te zware gevechten.

De nacht van 29 op 30 september was pikdonker en het regende ondertussen onophoudelijk verder.

30 september 1918

Vanuit Moorslede werd geprobeerd om Beitem te veroveren, maar dit lukte niet. Het zou nog even duren vooraleer Beitem bevrijd werd. Er werd eveneens verwoed geprobeerd om Roeselare binnen te dringen, maar daar slaagde men niet in door de onverwacht sterke verdediging aan de Flandern I Stellung.

Kort na middernacht hadden de Duitse troepen in en rond Westrozebeke bevel gekregen zich terug te trekken in de Flandern I Stellung. Hierdoor konden de Belgen op 30 september zonder slag of stoot het verwoeste dorp innemen.

Ook Oostnieuwkerke werd zonder veel moeite ingenomen, maar ook hier botsten de Belgen even verder op de onverwacht sterke Flandern I Stellung ter hoogte van de Most en het Gemeenhof. Er vielen heel wat slachtoffers en er werd geen meter terrein meer prijsgenomen. Belgische troepen kwamen aan bij Sleihage, tijdens deze gevechten vielen heel wat Duitse soldaten. Sleihage werd uiteindelijk bevrijd en even later volgde richting Roeselare de Vergelderhoek. Hooglede kon nog niet worden bevrijd door hevig Duits verzet. De laatste, de Flandern I Stellung, hield voorlopig stand.

 Naar de avond toe van 30 september werden heel wat Belgische soldaten in de centrale groepering afgelost door Franse troepen. De 9de Infanterie Divisie (9.D.I.) waartoe Omer behoorde echter niet.

Ondertussen werden in Roeselare alle burgers verplicht de stad te verlaten en de belangrijkste kruispunten werden door de Duitsers ondermijnd.

 

 

2 oktober 2018, Oostnieuwkerke

Op 2 oktober kwam het bevel om de Flandern I Stellung aan te vallen. Het eerste regiment Jagers te Voet opende de aanval om 4 uur ’s morgens en hun plaats in de eerste lijn werd ingenomen door het 14de Linieregiment.

De Duitsers reageerden furieus. Kanonnen en mitrailleurs scheurden de nacht en de vroege morgen stuk. Belgische vliegtuigen wierpen niet alleen lichtkogels aan parachutes om het strijdtoneel te helpen verlichten maar ook voedsel en munitie.  De vijandelijke artillerie bezaaide de omgeving met haar granaten in een monsterlijke cadans. De soldaten van het 14de hielden zich schuil in de vele granaatputten. Velen waren doorweekt want de putten stonden gevuld met water. Kogels sisten en floten.  Iedereen was totaal uitgeput. Honger en kou sneden diep.Op 2 oktober 1918, in de vroege morgen van de vijfde dag van het eindoffensief, krijgt Omer voor Oostnieuwkerke, in de buurt van de wijk de Most, een obusscherf in het hoofd. Hij wordt met een wonde aan de linker kant van het voorhoofd en een gescheurd hersenvlies geëvacueerd. De zwaargewonde Omer wordt in een tentzeil gelegd en naar achteren gesleept en gedragen.

Gekwetsten worden opgeladen in vrachtwagens.

Evacuatie van het front

Tijdens een minder gevaarlijk moment werd Omer door brancardiers opgehaald op het verzamelpunt en in een vrachtwagen gehesen.  De wagen vertrok pas toen deze volgeladen was met doden of gekwetsten. De wegen waren extreem moeilijk berijdbaar.

De vrachtwagen van Omer werd opgeslokt in wat een eindeloze stoet leek van Rodekruiswagens, soldaten en paarden. De rit was een geseling voor de zwaargekwetste Omer. Het duurde uren vooraleer de wagen aan een volgende verzorgingspost komt.

Er gelden strenge triage regels; de lichtgewonden moeten wachten, diegene die zwaarder gewond zijn, maar nog gered kunnen worden, komen eerst.

In het militaire hospitaal Beveren-aan-de-IJzer lag alles overvol, overal hoorde men geroep om hulp en water

Door het grote aantal gekwetste Belgische soldaten dienden Duitse krijgsgevangenen ingeschakeld te worden bij het dragen van berries.

Aan het front

Na enkele dagen hard vechten konden de Belgen ter hoogte van de Most en het Gemeenhof alsnog de Flandern I Stellung doorbreken, waardoor de weg naar Roeselare open lag.

Uiteindelijk zouden meer dan 6.000 Duitse soldaten krijgsgevangen gemaakt worden. Het Belgisch leger had erkenning verworven onder de geallieerde legers.

Sterven in een hospitaal

Omer overleed te Beveren-aan-de-IJzer, in het veldhospitaal, in een metalen hospitaalbed, op 5 december 1918 omstreeks 22 uur. De oorlog is dan al 25 dagen afgelopen. Op 9 december werd hij in dezelfde gemeente begraven in graf 532. Op 27 augustus 1924 werd hij overgeplaatst naar de militaire begraafplaats in De Panne, graf K-89.

Ongeveer vijf volle jaren heeft hij als een stille held een eenvoudig jong leven ten dienste gesteld van zijn land, gegijzeld in een oorlog. Voor hem hadden namen als Steenstrate, Ramskapelle, Diksmuide en zovele andere plaatsen, de gruwzame betekenis die alleen diegene kennen en begrijpen die aan die bloedige gevechten hadden deelgenomen. Vele vrienden en makkers had hij verloren, met wie hij gewoon was het leed van een ongewenst maar verbeten bestaan te delen.

 

Na de gevechten. Een overschot aan uniformen, helmen, ….

Het thuisfront

Op 24 juni 2017 werd een bezoek gebracht aan mevr. Maria Verkruysse in het Keysershof te Sijsele.           De moeder van haar echtgenoot, wijlen dhr.Charles Desmedt, was Malvina Wintein. Malvina was de zus van Omer.

Het was een leuk en aangenaam weerzien met Maria (97j.). Maria wist waarom ik kwam.  Wij zouden praten over de broer van haar schoonmoeder Malvina. Alleen had Maria gevreesd dat ik te laat zou komen. Haar openingszin sprak boekdelen; “ik dacht dat je pas zou komen als ik dood was”. De koffie dampte en het gesprek trok zich spontaan op gang.

Het verhaal van Omer Wintein was haar niet onbekend en was zelfs bijna haar hele leven lang in stilte aanwezig geweest. Deze stilte was echter soms uiterlijke schijn. Ergens diep in haar bleef de wens knagen om meer te weten. Als de roep te luid werd, uitte dit voogdijschap over Omer zich in het gedreven verder zoeken naar antwoorden; brieven schrijven (naar overheidsinstanties of andere) en opzoekingen verrichten. Mensen konden of mochten niet sterven of sneuvelen en een dag later al gewist zijn uit de collectieve herinnering, noch door anderen monddood gemaakt worden.

Zolang de herinnering er is, blijft men verder leven. Het was dan ook met beladenheid dat Maria mij meedeelde hoe zij de laatste herinneringen

(foto’s, brief) had gered uit een zak, die aan de kant stond, om voor altijd te verdwijnen na een ijverige opkuisbeurt van Malvina.

De dood van Omer had geesten en monden van een diepbeproefde familie in stilte gesluierd.

Uiteindelijk kon Maria de finale begraafplaats aantonen. Toen duidelijk was waar hij begraven lag herleefde de aandacht voor dit verloren familielid en werd het graf bezocht.

Dudzele werd op 19 oktober 1918 bevrijd en al vrij snel wist de familie Wintein dat Omer nog leefde maar gekwetst was. Hij lag in het hospitaal van Beveren-aan-de-IJzer. Met z’n drieën, waaronder Malvina, sprongen ze op de fiets en zijn helemaal tot aan het militaire ziekenhuis gereden, dwars door de verwoeste gewesten. Pa Pol (Leopold) en ma Leonie bleven thuis. Er was terug hoop; de kwetsuur aan het hoofd bleek Omer niet te verhinderen een kaartje naar huis te sturen.

Maria Verkruysse, 2017

Nawoord

Na de oorlog moest uit het aantal getelde lijken blijken hoe succesvol de strijd was geweest. Alsof de doden nummers waren in plaats van mensen. De machinerie van oorlog doet elke soldaat twee keer sneuvelen; een eerste keer als militair, een tweede keer als mens. Die vader, broer of echtgenoot is immers een mens en geen deeltje statistiek. Het bevrijdingsoffensief was een brutale confrontatie met staal en materiaal.

Mensen konden hier enkel beschadigd of vernietigd worden. Om de vele doden te legitimeren maakten officiële instanties hen tot helden. Deze sublimatie in een heldenmythe is een leugen; mythes maken het lijden niet draaglijker voor moeders, zusters, broers, kinderen en echtgenotes.

21 november 1918, Omer schrijft een kaartje aan het gezin.

Beminde ouders, Broeders en Zuster

Ik laat hun weten dat ik geheel goed den brief ontvangen heb en ziende allen hunne gezondheid.

Met mij begint het ook al goed te (gaan)

Ik ben niet te zwaar gekwetst. Met een dag of twee zal ik een brief schrijven.

Wintein Omer, Clairon, Z.45, Salle 12, Beveren

Na enkele weken keerde het lot echter en werd de situatie voor Omer steeds benarder tot hij uiteindelijk bezweek aan zijn verwondingen. Tussen de vingers had hij het zwarte kruisje van de goede dood geprangd.

Leonie had uit haar derde huwelijk met Leopold Wintein, vijf kinderen. Uit haar twee vorige huwelijken had zij nog eens vijf andere kinderen (waarvan de oudste twee door de grootouders zouden grootgebracht worden).         Na de dood van haar twee vorige echtgenoten, verloor zijn nu een kind aan de oorlog. Door hardvochtigheid, en deels verbitterd, werd het gezin weerhouden om de kapel als een plaats van herdenking en bezinning te beleven.

Het zwarte kruisje van de goede dood hangt tot op vandaag boven Maria’s bed.

Vereremerkingen

Omer werd postuum gehuldigd met verschillende vereremerkingen.

O.J.A.: Ordre du Jour de l'Armée of legerdagorder

Décoration militaire du 2ième Classe (art.4) O.J.A. du 1re février 1919

Croix de Guerre O.J.A. du 1re février 1919

“Modèle de Courage, de dévouement et de la discipline au front depuis 44 mois s’est distingué pour son mépris du danger, dans service d’agent de liaison au cours des opérations 28 septembre au 2 octobre 1918, a été blessé grièvement a la tête par éclat d’obus le 2 dito devant Oostnieuwkerke.”

Chevalier de l’Ordre de Léopold II avec palme par A.R. du 10 décembre 1919 (n° 6382)

Médaille de la Victoire, le 30 septembre 1919

Médaille Commémorative de la Guerre 1914 – 1918, le 31 octobre 1919.

6 frontstrepen voor 48 maanden frontdienst (het maximum was acht. De strepen werden gedragen op de linker bovenarm van het uniform).

 

 

 

Operatiezaal in het Belgische militair hospitaal van Beveren-aan-de-IJzer. In deze ruimte werd Omer behandeld.

Foto onder:

Beveren-aan-de-IJzer. Luchtfoto hospitaal (1000 m hoogte). Omer werd verzorgd in zaal 12 (zie pijl). Wellicht is hij ook daar gestorven.

 

Roemrijk gestorven Bemerk de foute gegevens: overlijdensdatum en plaats van kwetsuur

Dankwoord

Mevr.Maria Verkruysse en Raf Desmedt (militair dossier) Dhr.Bart Desmedt

Dhr.Martin Van Acker

Dhr.Stefan Calus (namen familie Wintein) Dhr.Leo Bonte

Dhr.Jean-Marc Petit Dhr.Dieter De Vuyst Dhr.Ruben De Vuyst Bibliografie

  • s.l., Historique de la 9e Division d’Infanterie publié par les Vétérans de la 9e D.I., Imprimerie J.- E. Goossens, Bruxelles, 1924.
  • Seynhaeve, J., Dagboek van ons vluchtelings- & soldatenleven, Provincie West-Vlaanderen, 2015. Quotes in de tekst zijn uit dit boek.
  • Reempst Van, Fr., Het Europeesch bloedbad in België, gesteund op officiële stukken, Electro-Drukkerij Gebroeders Smeets, Mechelen- aan-de-Maas, 1921.
  • s.l., Historique succinct du 14e Régiment de Ligne (1914-1918), Editions de la Belgique Militaire, Bruxelles, 1924.
  • s.l. (V.F.), Pages d’Histoire de l’Armée Belge au cours de la Guerre 1914-1918, Imprimerie Typo de l’Institut Cartographique Militaire, Bruxelles, 1935, Tôme 6.
  • Verstraete, H., Wennen aan Oorlog?, artikel verschenen in Shrapnel 2017, nr.2 (redactie Vandenbroucke Fr.).
  • Eresenator/Voorzitter gemeenteraad Brugge André Van Nieuwkerke, Ludo Meulebrouck, Dr. William De Groote.            Een vroege ochtend aan het IJzerfront. Oorlog en trauma. Geneeskunde en wereldoorlog I. Montanus tijdingen 2014. Zie hoofdstuk militaire loopbaan.
  • Canetti, E., Het boek tegen de dood, privé-domein, uitgeverij de Arbeiderspers Amsterdam – Antwerpen, 2016.

Webografie

Afbeeldingen

  • Foto graf Wintein Omer, De Panne, voorjaar 2017: collectie M.Van Acker
  • Gedachtenisprentje: collectie P.De Vuyst
  • Foto’s “en face / en profile” Wintein Omer: zie http://www.oorlogserfgoedalveringem.be/nl/wintein-
  • Luchtfoto Militair hospitaal Beveren-aan-de-IJzer, foto zaal met gekwetsten Beveren, foto operatiekwartier Beveren, foto tekst briefkaart, foto soldaat Omer, foto kruisje: collectie M.Verkruysse
  • Alle andere foto’s: collectie P.De Vuyst

  

“Volk van Dudzeele blijf steeds Uw helden indachtig en houdt immer in eere den naam dier dapperen”

    

Zaal met gekwetsten, Beveren-aan-de-IJzer, 1918