Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

NSB DUDZELE 90 JAAR LATER 1920-2010,HERDENKINGSKAPEL

.

NSB Dudzele 1920-2010

1914-1918 en de na-oorlogse periode

 

Buiten-gewoon

anders van binnen

 

NSB_Dudzele_90_jaar_later.doc oorlogskapel dudzele (1254 kB)

 

Dudzele is omsloten door kanalen.  Het dorp ligt als een eiland tussen velden, weiden en akkers.  Dudzele is geen randgemeente aan een stad.  Deze onafhankelijke omgeving heeft er mede voor gezorgd dat de Dudzeelse bevolking, over de jaren, een sterke authenticiteit heeft ontwikkeld.   Deze authenticiteit heeft geleid tot een unieke invulling in de geschiedenis van het dorp, net na de Grote Oorlog.

Toen de vrede was gesloten op 11 november 1918 kwam een eind aan een emotionele intensiteit die de oorlog had gekenmerkt en daalde er een stemming van melancholie over België neer.  De maatschappelijke dromen van weleer bleken utopie, wreed verjaagd door inflatie, werkloosheid (bijna alle fabrieken waren in bezet België door de Duitsers ontmanteld), ziekte en ontbering.  De griepepidemie eiste meer slachtoffers dan de oorlog zelf.  De algemeen opkomende gedachte dat de oorlog misschien zinloos was geweest, was zo verschrikkelijk dat de mensen deze voorlopig verdrongen.  Men treurde met grote voorrang om de dierbare overledenen.  ‘Opdat wij niet vergeten’.  Die woorden werden telkens herhaald maar men was vergeten wat men precies wilde; herdenking van de doden of vreugde om de teruggekeerden.  Er werden verenigingen van oudstrijders opgericht, maar niet iedere soldaat wou daar lid van worden.  België had gewonnen, maar wat had ze gewonnen?  Het Verdrag van Versailles leverde voor België een toekenning op die voor veel oudstrijders absoluut niet in overeenstemming was met het geleden leed, de opofferingen en de geleverde inspanningen.  Zelfs de winst van de overwinning werd België niet gegund. 

Burgers en soldaten wilden terug naar een normale toestand maar niemand wist hoe.  “Welke betekenis en nut heeft de oorlog eigenlijk gehad?” bleef stil heersen in de huisgezinnen.   

In het begin van de jaren twintig verschenen talloze officiële geschiedschrijvingen van de oorlog.  Er werden massaal gedenktekens opgericht.   Doden herdenken, ja.  Dieper nadenken of beschouwen, nee nog niet.  De oorlog had haar plaats in de sociale en maatschappelijke context van een gemeenschap nog niet gevonden.

Het oude morele gezag en de traditionele waarden waren niet langer zo geloofwaardig.  De onmiddellijke na-oorlogse maatschappij bood onzekerheden.  Men voelde zich emotioneel ontevreden en rusteloos in persoonlijk verdriet.  Er heerste economische onzekerheid.  Velen voelden zich niet langer thuis.  Een weg terug naar het vooroorlogse gouden tijdperk met ”traditionele zekerheden“ was onmogelijk (was de soldaat immers zelf niet op verre plaatsen geweest waar z’n ouders nooit waren geweest, had hij immers geen goddeloze zeden gezien en gehoord die voordien zeker en vast tot verdoemenis hadden geleid).

Soldaten en burgers konden deze ontzaglijke gebeurtenis, die de wereld op haar grondvesten deed sidderen, niet plaatsen of duiden, louteren of afronden.  Het zou jaren vergen om deze wereldbrand in passende bewoordingen te vatten. 

De Belgische soldaat had de oorlog gevoerd met een veelal verbijsterend plichtsbesef en grote offerbereidheid.  Echter na de oorlog overheersten ontgoocheling, bitterheid en ironie.  Met een koppigheid eigen aan de Vlaamse kassei bleef de oudstrijder volharden in een melancholisch verlangen naar een onaardse, authentieke onbedorvenheid, naar een zuiverheid van de jeugd van voor de oorlog.   Hij wrocht idealistisch voor een wereld waarin het verleden zou herrijzen.

Maar de Belgische soldaat die na de oorlog terug gezinshoofd werd en de achterblijvers van de gesneuvelde (weduwen, ouders, kinderen enz.) leefden in een emotionele en sociale context met contradicties.  Achter de Leuvense stoof enerzijds het harden van verdriet in een eenzaam stil verbijten.  Anderzijds het publiek herdenken, eren en vieren van die doden.  Deze tegenstrijdigheid tussen wat publiek niet getolereerd werd, namelijk aan de ene kant het verbod tot treuren om de glorieuze dode en de rauwe werkelijkheid van een dierlijk overleven in de strijd, en aan de andere kant de feestelijke herdenkingen waar enkel plaats voor glorificatie was, gaf de ex-soldaat en de achterblijvers geen toestemming om de ware aard van het leven met haar pijnlijke kanten te uiten.  Aan de andere kant politiekers die de “theorie” rond oorlogvoeren voor realiteit wilden laten doorgaan.

De maatschappij werd na 1918 door brede pacifistische stromingen doortrokken maar de doden mochten niet verraden worden, door het -sterven als gevolg van de oorlog- te bekritiseren.  De gesneuvelden moesten helden blijven.  Elk negativisme werd een verraad en een belediging van de dode helden.

Dudzele heeft geen enkele van haar doden ontgraven en overgebracht.  De gesneuvelden zijn op de verre militaire begraafplaatsen of andere plaatsen gebleven.  Het geld zou besteed worden aan een herdenkingskapel.  Een kapel die niet enkel een collectief symbool zou worden.  Glorificatie van oorlog en politieke symbolen zouden ontbreken.  De namen van de gesneuvelden werden in de arduinen platen gekapt, foto’s werden toegevoegd.  Het beeld van Christus werd centraal opgesteld.  De geschiedenis van NSB Dudzele is, evident, sindsdien onlosmakelijk verbonden met haar kapel.

Op veel steden en gemeenten, zo ook te Dudzele, vond het oprichten van monumenten voor de gesneuvelden spontaan plaats kort na de oorlog, op initiatief van oudstrijders zelf of van hun families in samenwerking met de plaatselijke gezagsdragers en politici, dit wil zeggen vanuit de samenleving.  De kapel te Dudzele is, uit deze samenwerking, ontwikkeld tot een uniek resultaat.  Uniek niet enkel in haar vormgeving.  Dudzele heeft immers niet gekozen voor een beeld, een plaat of een afbeelding.  De herdenkingskapel beantwoordde niet alleen aan een vorm van sociale rouw op brede schaal, aan een besef van onmetelijk verlies maar gaf diegenen met verdriet een geborgen plaats om te treuren, te grieven, binnenin.  Eventueel kon men de deur dichtmaken.   Dit maakt de kapel ook in deze zin uniek.  Te Dudzele werd het publiek treuren niet aanschouwd als verraad aan de doden.  De rouwenden konden elk moment van de dag de kapel binnengaan.  Anderen mochten zien dat de rouwenden zich in de kapel begaven.  Er was niet enkel het herdenken van de doden er was ook plaats voor de beproefden, het verdriet.  De kapel als plaats om het verlies te helpen loslaten.  De kapel is er dus niet enkel als symbool voor feestelijke herdenkingen.  Ook dit is historisch gezien uniek te noemen.

De gesneuvelden ontnamen ook te Dudzele de teruggekeerde soldaten voor een groot stuk hun triomf.  De doden waren de helden, niet de overlevenden.  Voor het echte verhaal van de oorlog, van die soldaat in de loopgrachten, van de soldaat die z’n vriend in een doorkogelde bebloede overjas onder een molshoop begroef, van de krijgsgevangene, de geïnterneerde, was er voorlopig nog geen plaats.  Het overbruggen van het vacuüm dat hierdoor ontstond tussen de geharde soldaten (vaak ook met schuldgevoelens omdat zij nog leefden) en wat publiek maatschappelijk aanvaard werd, had een wederzijds rijpingsproces nodig.  Het rouwproces was immers nog niet voorbij.  Hierdoor was er nog geen plaats voor de teruggekeerde soldaten oudstrijders.

Maar Dudzele zou hieraan proberen tegemoet te komen door deze teruggekeerde soldaten, als kameraden onderling en als kameraden van de gesneuvelden, naast de kapel te begraven.  Op deze manier kreeg hun verhaal, en triomf op het sneuvelen, evenzeer erkenning en werden zij ook voor een stuk helden.  Ook dit betreft een unieke benadering.

Het katholieke geloof was diep doordrongen in het alledaagse vooroorlogse leven in Vlaanderen en zo ook te Dudzele.  Patriottisme maakte er als het ware integraal deel van uit.  Bekijk de teksten op gebedsprentjes voor gesneuvelden “Onze dappere mannen, optrekkende voor God en Vaderland”.  Zo zijn er veel voorbeelden.  Na de oorlog zou dat geloof, tengevolge van de harde rauwe oorlogsrealiteit en ontgoochelingen een flinke deuk krijgen en bij velen leiden tot een vorm van verwezing van het geloof en aldus een verlies van traditioneel houvast betekenen.   Te Dudzele heeft de herdenkingskapel met haar verering van het Heilig Hart van Christus, in aanwezigheid van de Christusfiguur, hierin een belangrijke brug willen maken teneinde deze verwezing te ondervangen.  Ook vanuit dit oogpunt kan men dit een speciale benadering noemen.

De Dudzeelse vuurkruisers en oudstrijders vertelden tot diep in de jaren twintig hun verhaal achter de warme stoof aan hun jonge kinderen.  Voor vele soldaten was dit eenvoudig gegeven hun loutering en hun hoop op een betere toekomst.

De periode na de oorlog was een harde tijd.  Een tijd waar vaak geen geld was voor pen, inkt en papier.  Er was de dwingende zorg om brood op tafel te krijgen.

Het einde van de Eerste Wereldoorlog betekende het einde van een lange epische, aristocratische traditie waarin militarisme verbonden was met eer.  Velen die zich al geroepen voelden iets te zeggen, zagen zich gedwongen twee tegenstrijdige eisen met elkaar te verzoenen: enerzijds de eis om waarheidsgetrouw te getuigen en anderzijds trouw te blijven aan dwingende conventies van eer en glorie.  Het was een tijd van rouwen en heropbouwen. 

Het boek “Van het westelijk front geen nieuws” van Remarque verscheen in januari 1929.  De doorbraak van dit boek had als gevolg dat het stilzwijgen over de oorlog na 10 jaar beetje bij beetje aan een einde zou komen.  Het boek van Remarque had duidelijk gemaakt dat oorlog soldaten kneedt en boetseert, dat soldaten, als een soort kring van zonderlinge ingewijden, begrip nodig hadden voor het feit dat ze zich niet meer zomaar konden integreren in de naoorlogse maatschappij.  De “klamme” periode tussen 1918 en 1929, waar weinig plaats was voor “echte” persoonlijke ervaringen van overlevende soldaten, is de alles opeisende periode geweest van het herdenken van de doden.  Misschien kon men dan, pas na 10 jaar, toegeven dat de oorlog een monsterlijke afschuwelijke zaak was en dat er geen hoger doel mee gediend was.

Het dorp Dudzele had, tijdens de Grote Oorlog, jaren te lijden gehad onder de bezetting, honger en de vele opeisingen maar de kapel zou aan de buitenwereld tonen dat de oorlog het dorp niet kapot had gemaakt.  De kapel werd een soort symbool van de kracht en heropstanding van de Dudzeelse gemeenschap.  Terzelfdertijd gaf de kapel de boodschap dat de gesneuvelden niet voor niets gestorven waren en dat hun dorp een leefbare thuis gebleven was, mede verbonden in haar jaarlijkse herdenkingen.

Te Dudzele ontstond, uit de vele herdenkingen, een soort van burgerlijk patriottisme uit respect voor de offers van de doden.  De kapel heeft de Dudzeelse mensen, dorpelingen, 90 jaar lang bij elkaar gebracht en zo aan de oorlog en het leed alsnog een bescheiden louterende betekenis gegeven.

NSB Dudzele herdenkt, sinds 1920, nog steeds haar gesneuvelden uit beide wereldoorlogen.  Dit herdenken is een eerbaar herdenken van alle gesneuvelden maar ook om plaats te geven aan allen die deel uitmaakten en leden ten gevolge van oorlogen.  De kapel is en blijft daarnaast een plaats om te rouwen, te treuren voor een gesneuvelde overgrootvader, grootvader, vader, broer, oom, vriend, enz.

NSB Dudzele wenst plaats te geven aan het echte verhaal van de gesneuvelde, de teruggekeerde en andere slachtoffers en dit samen met de Dudzeelse gemeenschap.  Deze verhalen zullen, samen met het jaarlijks samenkomen van onze gemeenschap, een basis blijken om tot oorsprong, authenticiteit en identiteit te herbronnen of aan te sporen, generatie na generatie.

Uw aanwezigheid vandaag getuigt van solidariteit onderling, met elkaar, maar ook met het verleden en het heden.  Jullie zijn vandaag de helden van het dorp.  Met dank voor Uw aanwezigheid en aandacht.