Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

 

 

Louis Timmerman

 
 
°26 januari 1891 Lissewege 
+ 13 juli 1915 Cannes Alpes Maritimes

 

 

Oorlog als optelsom van doodeenvoudige mensen in extreme omstandigheden.
 
 

 

De eerste oorlogswinter.


 

 
Inleiding
Deze tekst is geen triomfantelijke terugblik, maar een beschrijving waarin het lijden van de gewone frontsoldaten centraal staat.
 
Mensen als Louis leefden in een dorp waar de grenzen ervan ervaren werden als de grenzen van de bekende wereld. De mensen van het volgende dorp waren al veel minder te vertrouwen en met de mensen van nog een dorp verder had je weinig meer te maken. 
Het comfort toen was niet bijzonder groot. ’s Winters werd enkel het keukentje verwarmd, hier zat iedereen als kuikens bijeen. De rest van het huis was een iglo. De verwarming die er was, kwam van de Leuvense stoof. Verlangen naar een badkamer was er niet omdat men geen benul had van dergelijk ding. De meesten moesten op 14 jaar de eetzak opmaken maar hij had leren schrijven. 
 
Dudzele was met haar buurgemeenten verbonden met gekasseide en gewelfde wegen met links en rechts slijkpaden.
 
Louis
Louis (°26 januari 1891, Lissewege) huwde met Paulina Dusoir (°20 oktober 1889, Vlissegem) aan de vooravond van de eerste wereldoorlog. Het huwelijk voltrok zich te Dudzele op 20 mei 1914 onder de zegen van priester Courtois.
 
Hij was de zoon van Leopold Bernard Timmerman (1863-1934) en Sylvie Braems (1870-1937). Paulina was een dochter uit het landbouwersgezin van Ludovicus Dusoir (1868-1943) en Isabella Willaert (1862-1948) te Vlissegem. Paulina’s afkomst is echter niet helemaal duidelijk. Overlevering leert ons dat zij werd grootgebracht door haar tante te Lissewege. Toen ze ouder werd, werkte ze als kindermeisje te Dudzele bij dokter Dehaene (Westkapelsesteenweg). Ze is dit ook blijven doen tijdens de Grote Oorlog.
 
Louis verdiende z’n brood als stoker (machinist) bij de Nationale Maatschappij van de Buurtspoorwegen op de stoomtram tussen Brugge en Sluis (via de dorpen Koolkerke, Dudzele en Westkapelle). De stoomtram liep door Dudzele tussen 1888 en 1930.
 
Het jonge gezin woonde in de Damschesteenweg 71 (toen naast het huis van dokter Caenen).
 
Louis was de oudste van vier broers; Medard (1895-1978), Hendrik (1899-1964) en Cyriel (1903-1932). Medard zou veel later z’n oudste zoon dezelfde naam geven in herinnering aan z’n overleden broer. Alle vier de broers hadden bij de spoorwegen gewerkt.
 
Als soldaat maakte Louis deel uit van het 4de Linieregiment, 2de bataljon, 4de kompagnie (of 4/II/4).   Z’n dorpsgenoot Lodewijk Scherpereel behoorde niet alleen tot hetzelfde regiment maar tevens tot hetzelfde bataljon. Lodewijk was ingedeeld in de 3de kompagnie. In tegenstelling tot Lodewijk zou Louis Timmerman de IJzerslag overleven.
 
Louis was soldaat 2de klasse en behoorde tot de lichting 1911. Als militair droeg hij stamnummer 104/56382.

 

 

 

Paulina Dusoir 1914 (foto: verzameling dhr.W.Dobbelaere)

 

Paulina Dusoir 1914 (foto: verzameling dhr.W.Dobbelaere)
 
Paulina
Al vlug na hun huwelijk was huishoudster Paulina zwanger van hun eerste kindje. Zij beviel van het kindje toen Louis reeds naar de oorlog vertrokken was. Dat kindje zou echter niet levensvatbaar zijn. Dood en naamloos kon het niet gedoopt worden. Als ongedoopt kind was een opname in het hemelrijk onmogelijk, evenmin een opname in de gewijde grond onder de kerktoren. Om deze zware beproeving te verzachten werd het doodgeboren kindje bij het lichaam van een oude vrouw geplaatst. Samen werden zij ter aarde besteld bij de kerk. Het kindje dat de kans op leven was ontnomen zou nooit officieel bestaan want een miskraam leidde niet tot een vermelding in het trouwboekje. De moeder had niet kunnen aanvaarden dat haar kind oneervol in de grond zou worden gestopt noch dat het op de ongewijde grond naast een afvallige of een zelfmoordenaar kwam te liggen. Zodoende zag men haar regelmatig aan het graf van een onbekende troost maar geen vrede vinden. De vervagende herinneringen konden de immer knagende pijn niet verzachten. Bovendien zou zij het graf van haar man aan de Middellandse Zee nooit zien.
Dit bevroren verleden zullen wij trachten te ontdooien.
 
Soldaat
Ten gevolge van de oorlog die dreigde uit te barsten tussen België en Duitsland werden de in verlof zijnde soldaten van de klassen 1910, 1911 en 1912 op woensdag 29 juli binnengeroepen. Op 31 juli 1914 werd de algemene mobilisatie afgekondigd en op 4 augustus was België in staat van oorlog.
 
Op 29 juli ontving Louis in de late namiddag z’n mobilisatiebevel uit handen van de veldwachter. Louis werd dringend verzocht het leger te vervoegen. De nacht van 29 op 30 juli 1914 werd zodoende de laatste nacht thuis voor Louis. ’s Morgens om 6 uur begaf Louis zich naar de Kazernevest te Brugge met het oproepingsbevel.   Het afscheid van thuis was droevig en viel zwaar. De kazerne “Poermolen” aan de Kruispoort vond hij die morgen terug in een koortsachtige drukte. Overal stonden soldaten in groepjes te praten. Maar zoals velen voelde Louis zich gedeprimeerd en geërgerd. Geërgerd omdat hij de zijnen had moeten verlaten te Dudzele.
 
De soldaten hoopten nog steeds op een vals alarm. Misschien zou de oorlog zich alsnog niet ontketenen. Of misschien zouden ze opnieuw enkel de grenzen moeten bewaken zoals in 1870.
 
Op 2 augustus bevond Louis zich nog steeds te Brugge. De nacht van maandag 3 op dinsdag 4 augustus werd, om middernacht, de kazerne verlaten. Onderweg naar het station werden zij toegejuicht door toeschouwers. De soldaten werden aan het station op het Zand verzameld om met de trein naar Vertrijk te sporen. Het werd een treinreis in gesloten wagons, zonder te weten waarheen. Het had voor velen, weggeplukt uit het dorpsleven, iets schrikwekkends.
 
Na een lange vermoeiende mars arriveerde het regiment op de velden nabij Tienen omstreeks 11.00u ‘s morgens alwaar zij in een grote schuur op strooi dienden te slapen. Het leger was niet voorbereid op een oorlog en het ontbrak ondermeer aan een georganiseerde aanpak van de proviandering, wat leidde tot voedseltekorten. De honger knaagde al snel bij elke soldaat. Louis zou leren houden van hard droog brood. Bij vele soldaten groeide de overtuiging dat zij hun vrouw en dorp niet meer zouden terugzien. Het idee van de dood en het overwinnen van die natuurlijke vrees woekerde oncontroleerbaar in menig soldaat z’n hoofd. Enkel bidden bracht voor sommigen wat soelaas.
 
Op donderdag 6 augustus werd Louis, te Hakendover, geconfronteerd met duizenden vluchtelingen komende uit de omgeving van Luik. Tevens kon hij de getormenteerde dolende restanten zien van het terugtrekkende 9de Linieregiment en het 1ste Jagers te Voet. Het ene verhaal al vreselijker dan het andere.
 
Bij het aanschouwen van de immer groeiende stoet van lijden begonnen sommige soldaten van het 4de Linieregiment spontaan hun testament te schrijven.
 
Louis deelde af en toe samen met andere soldaten harde momenten van wanhoop over hetgeen komen zou. De oorlog als een zwart beest. Velen gingen meermaals in de week op communie aan de Heilige Tafel. 
 
Op 9 augustus kreeg het 4de Linieregiment opdracht zich naar Sint-Margriete-Houtem te begeven.   Omstreeks 15.00u, 10 augustus, krijgt de eenheid van Louis opdracht om het station van Grimde te bewaken. De 11 augustus vinden we, na aflossing, de eenheid terug te Hakendover.
 
Tijdens de Slag bij Haelen (12 augustus, Zilveren Helmen) ligt het bataljon van Louis in reserve maar hij zou velen uit het regiment nooit meer terugzien. 
 
De 13de augustus is Louis terug te Sint-Margriete-Houtem. ’s Namiddags levert het II/4 de grote wacht. De kompagnie van Louis, de 4de, bezet de steenweg Neerlinter-Oplinter op 1 kilometer ten noordoosten van de kerktoren van Oplinter.
 
De 17de krijgt het 4de Linieregiment opdracht zich te begeven naar Kumptich.   De 18 augustus heeft 4/II/4 er kantonnementswacht.    In de namiddag omstreeks 16 uur wordt de kantonnementswacht opgeheven en vervoegt de kompagnie het bataljon nabij de weg Leuven-Tienen. Het 4/II/4, naar het zuidoosten gekeerd, neemt stelling in de holle weg ten zuidwesten van de baan Leuven-Tienen omtrent paal 40.200. Het diepste van de holle weg is door de 4de kompagnie bezet. In de verwarring van de gevechten rond Tienen openen soldaten van het 3de Linieregiment het vuur op 4/II/4. Er is 5 tot 10 seconden nodig om een einde aan het vuren te stellen. II/4 gaat zich vervolgens op de steenweg verzamelen.   Het wordt nacht. Omstreeks 1 uur ’s morgens komt het II/4 omtrent paal 31 en gaat in het kasteel van Kumptich overnachten (grondgebied van Lovenjoul) op één kilometer van de kerktoren van Korbeek-Loo. De 19de augustus dient Louis zich met z’n eenheid naar Boortmeerbeek te begeven. Het II/4 kantonneert er ongeveer 1 kilometer ten zuidoosten van de kerktoren. Te 18.00u ontvangt het het plotse bevel om zich naar de voorposten te begeven. De soep was echter nog niet klaar en er waren geen karren om de soep te vervoeren. Uit noodzaak werd de opdracht gegeven de ketels om te gooien. De 4/II/4 gaat vervolgens de zuidooster zoom van Haacht bezetten. De 20ste omstreeks 03.30u komt het mondelinge bevel de post te verlaten. De 4de kompagnie heeft de stellingen reeds verlaten als ze door een fietser, het bevel ontvangt, de hoofdwacht terug te bezetten. Aan de westerzoom van het dorp Haacht, op de baan Haacht-Diegem, wordt ze door een hevig vuren van Duitse eenheden ontvangen, die in stilte zijn vooruitgetrokken. De gans afgezonderde kompagnie is verplicht van zich op Boortmeerbeek, waarvan de onmiddellijke omgeving ook door vijandelijke troepen is bezet, terug te trekken. De aftocht van de heldhaftige eenheid geschiedt onder de begunstiging van de spoorwegdijk, in de richting van Mechelen. Te Muizen aangekomen, betreedt ze opnieuw de steenweg van Leuven, trekt door Mechelen om 09.00u en vervoegt eindelijk het regiment te Wallem. Het is in die plaats dat het 4de Linieregiment kantonneert de nacht van 20 op 21 augustus.
De 22ste augustus is 4/II/4 in reserve in het gehucht Trapstraat, ten noorden van het dorp van Sint-Kathelijne-Waver.
 
In 48 uur werd het traject Tienen-Leuven en daarna Mechelen-Antwerpen afgestapt ondertussen belaagd door Duitse cavalerie. 
 
Ondertussen heeft Louis vreselijke beelden gezien. Hij heeft mensenmassa’s gezien op de vlucht onder leiding van priesters, vluchtend ver van hun dorp, oudjes, vrouwen, kinderen, allen in grote angsten. Louis heeft kameraden zien vallen, sommigen kapotgemaakt door granaatscherven. Uiterlijk is hij als mens onherkenbaar geworden: oververmoeid, kapotte kledij, vermagerd, vuil en het gezicht verbrand en bebaard. Innerlijk is er de strijd om normaal te blijven.
 
Louis draag een zwarte zware kapot met opgehaalde hoeken om de stap niet te belemmeren en een dikke wijde broek die vastzit in ruwe zwarte laarzen. Op het hoofd een vuile shako die met slijk werd besmeurd om minder op te vallen.
 
Het 4de Linieregiment begeeft zich op 30 augustus van Wilrijk naar Oude-God. Het 4de Linie verblijft er te Mortsel. Op 3 september defileert hij er voor Koning Albert. De 5de september vinden we hen terug in wachtstelling aan de kruising van de wegen naar Hamme en Waasmunster, ter hoogte van paal 4.
 
9 september te Lokeren. Vanuit Lokeren zal hij richting Hofstade trekken om drie dagen en drie nachten deel te nemen aan gevechten aldaar. 
Op het slagveld van Hofstade liggen overal lijken in de velden. Alle huizen van het dorp branden. Overal uitrustingsstukken, achtergelaten geweren, kledij,…. 
Het 4de Linieregiment liep rond Hofstade in een Duitse val. Nauwelijks ter plaatse werden zij onthaald op moordend granaatvuur. De Duitse linies waren verstevigd met cementzakken. Een klein beekje scheidde de Belgische infanteristen en de Duitse soldaten in deze beboste omgeving. Door dit beekje opgehouden dienden de soldaten terug te trekken. Wanorde en chaos volgden. Velen verdronken, werden gewond of gedood. 
 
Louis z’n gezondheid gaat achteruit.
 
“Zoals de verslagen van de geneesheren, dienstoversten het getuigen, waren de troepen dezer brigade, lichamelijk totaal uitgeput. Ze hebben sinds twee maanden slechts twee volle rustnachten gehad Vermoeid door onophoudende marsen en gevechten, onregelmatig bevoorraad, waren de mannen op. De gevallen van bezwijming, zenuwkrisissen en ziekten vermenigvuldigden zich snel…." (10)
 
Hij is te Wallem op 13 september. Het is daar dat hij een brief naar huis zal sturen. Op 30 september verlaat het regiment het fort van Wallem onder Duits geschut en steekt de rivier de Nete over. Enkele dagen later valt Antwerpen en begint de grote aftocht naar de IJzer. Voor Louis en vele andere is dit de richting naar huis.  
 
Het 4de Linieregiment zal uiteindelijk op 11 oktober per buurtspoorweg via Lemberg terug te Brugge arriveren. Het 4de Linie neemt kantonnement te Sint-Andries. Al wie het kon, maar vooral aandurfde, trok naar Brugge om informatie over verwanten te sprokkelen. De 14de oktober verliet het 4de Linieregiment haar stad en trok verder terug richting Gistel (via Meetkerke en de baan van Oostende). In haar aftocht werd zij gehinderd door vele Brugse vluchtelingen.
 
Oorlog
De Belgische soldaat was niet voorbereid op oorlog. Jaak Boonen schrijft het volgende:
“Was de Belgische soldaat stoffelijk en geestelijk voorbereid? Helaas neen, hij droomde steeds van een zaligen vrede. En huisgezin en school en Maatschappij, die de eigenschappen van den staatsburger moet aankweeken, hadden den Belgischen jongen afkeerig van het leger gemaakt. Vaders en moeders weenden als hun zoon naar de “verdomde en verdoemde” kazerne moest, hadden geen benul van burgerplicht, noch van vaderlandsliefde.(-).
En de Maatschappij? De meeste burgers waren tegen het militarisme gekant. Dat was onnoodig geld verspillen. De bezitters kochten nog voor korten tijd hun vaderlandsche plichten af; (-)”. (5)
 
Na de IJzerslag
In de weken na de IJzerslag deed het slechte weer zijn intrede. De soldaten leefden als vagebonden blootgesteld aan de guurheid van een afschuwelijk seizoen te midden van het water in zeer schamele loopgraven, vol modder. Kledij, beschutting, schoeisel, voeding waren veruit ontoereikend.

 

 

(Foto Ruyssen – verzameling P.De Vuyst)
 
Ze trokken ongeveer om de twee dagen met have en goed op de rug van het front naar een rustplaats. Op de rustplaats kantonneerde men vaak in schuren, kerken of op zolders van zwaar gehavende hoeven. De vele troepenbewegingen zorgden onderweg voor een dikke modderbrij. Aan het front heerste de geur van verrotting en brand.
 
Volksschrijver Abraham Hans:
“De soldaten zijn geen mensen meer, maar als willoos vee geworden, ziek, verdoofd door het kanon, ontzenuwd, verlamd en verscheurd door smarten.
(-) wankelend als zieken, vermagerd tot op het gebeente,(-). Ze stinken, zijn vuil, smerig en verdwaasd.
De zwaksten, onverschillig voor de dood, vallen onder het bombardement in een gracht in slaap, (-), er zijn er, die op den grond als kinderen van honger en vermoeienis liggen te wenen”. (4)
 
Anderen werden overspannen en ontwikkelden zenuwstoornissen (“tics nerveux”) door het continu gespannen luisteren naar de schriele tonen van aankomende granaten.
 
De rustplaatsen achter het front
De rustplaatsen zaten onder de modder. De soldaten moesten slapen in tochtige vertrekken en waren vaak aan regen blootgesteld door het ontbreken van deuren of schade aan daken. De zolders waren stinkende koude slaapzalen waar men sliep op stro. Stro dat niet werd ververst en krioelde van luizen en vlooien.
 
De schuilplaatsen aan het front
De verdedigingslijn van het Belgisch leger bevond zich achter de spoorwegberm die liep van Nieuwpoort, over Ramskapelle, Pervijze en Kaaskerke tot aan Diksmuide. De berm stak zowat anderhalve meter boven het ondergelopen land uit. In die aarden wal hadden de Belgen om de vijf à zes meter kleine, lage verblijfplaatsen uitgegraven voor telkens maximum vier man (1).
De schuilplaatsen aan het front waren laag en doordrenkt met vocht. Die verblijfplaatsen in de loopgrachten waren opgericht met allerlei kartonnen, houten materialen en zandzakjes. Het was een donker hol dat met jutezakken werd afgesloten. Van vuurpotten en haarden is geen sprake.
Dokter Henry Souttar beschrijft de holen als volgt:
“hutten met een planken dak waarop aarde en graszoden gestapeld lagen. En met een lage deuropening waardoor de bewoners één voor één gebukt binnen konden kruipen. Binnenin lag een dikke laag stro om op te slapen en in het midden stond een emmer met gaten rondom waarin houtskool gloeide. De spoorbiels die nog even in de schuilplaatsen uitstaken, dienden als kapstok en om kaarsen op te zetten. Smalle kijkgaten keken uit over het water in de richting van de vijand”. (2)

 

(Foto Ruyssen - verzameling P.De Vuyst)
 
Artilleriekommandant en minderbroeder, Martiaal Lekeux, beschrijft de omstandigheden aan het front in de eerste linie aan de spoorweg als volgt (november 1914):
“Het lijkt een uitgestrekte kampeering van Bohemers. De onderstanden zijn holen, gedolven onder den ballast van het spoor; ieder van die kuilen is een poel: daarin liggen de mannen te dutten op een takkenbos of wat stroo boven het water geworpen. Alle tien stappen, schrijden we over enkele paren beenen die er uitsteken en die zich niet eens intrekken onder de drukking van onze pneu’s. De grond is een modderveld, op sommige plaatsen een somp. De piotten zitten daarin te ploeteren, alsof ze er thuis waren; de eene klieft hout met zijn bajonet, de andere graaft een greppel, eveneens met zijn bajonet, een derde snijdt zijn brood, ook al met een bajonet.(-).
De piotten hebben een bonten rommel van allerlei kleederen om het lijf. Zonder te spreken van de hemden die ze over elkander aanhebben, loopen ze omhangen met vesten, zakken, gordijnen, tapijten: de mode is afgewisseld tot in het oneindige; het eenigste dat men nergens ontmoet, is een soldaat, die gekleed gaat zooals het is voorgeschreven. Boven die pakken van lompen, gluren gezichten met stoppelbaarden, geelachtig, uitgemergeld van vermoeienis, met oogen vol jammer en berusting…(-)” (13)
 
De verplaatsingen
De versleten kleren boden bij de voortdurende aflossingen in weer en wind onvoldoende bescherming.
Volksschrijver Abraham Hans zegt het volgende:
“De uniformen zijn lompen geworden, beslijkt, gescheurd. Veel soldaten dragen klompen, en nu de schoenen van de voeten gevallen zijn en sommigen strompelen zelfs blootvoets of met doeken rond het gewonde vlees”. 
“Een vreselijk seizoen zal beginnen, vol ellende in de slijkerige loopgraven. Geen warme kledij, zelfs geen verschoonlinnen, geen kousen, geen dicht schoeisel”. (4)
 
In de winter bood het leger een zonderlinge aanblik door de verscheidenheid in de uniformen of liever de kleren, die niet tot het uniform behoorden. De soldaten hadden zelf hun kledij moeten vervangen of aanvullen en zo zag men militairen met burgervesten of broeken, kepi’s van Fransen, gewonen petten en velen met klompen met voeten in lompen gewikkeld. 
Net voor de val van Diksmuide hadden Belgische soldaten uit de ruines kleren, doeken, mantels uit winkels meegenomen om hun huiverende lichaam te beschutten in de loopgraven.  De situatie dwong vele soldaten om als lijkrovers de kledij van gedode Duitse soldaten in te pikken.
 
Wassen
Zich wassen of kleren drogen was zo goed als onmogelijk. Dit was nefast voor soldaten die drijfnat van het front terugkeerden. De mannen stonken. Hun gezichten behaard.
Er waren geen voorzieningen om z’n gevoeg te maken. Deze werd uit noodzaak in een blikken doosje of iets dergelijks gedaan waarna deze met een fikse worp zover mogelijk van de loopgraaf werd gegooid.
Van essentiële hygiëne was aan het front nauwelijks sprake. Het stilstaande water in de buurt van de loopgraven was bedorven en stonk.
 
Eten
Het eten dat men op de boerderijen bijeen bedelde werd in grote voederketels klaargemaakt. Het resultaat was slecht en ongezond. Velen kregen last van maag- en darmontstekingen. 
Van variatie was geen sprake. In hoofdzaak bestond de proviand uit aardappelen, rapen en brood.
 
De winter
De soldaten lagen in hun hol uren onbeweeglijk bij elkaar gepakt.   Verkleumd, zonder regen- of winterkledij kropen ze als dieren bijeen om zich te warmen. Van degelijke rust was geen sprake.
 
Vele mannen waren fysiek niet opgewassen tegen dit leven. In februari 1915 vernam pastoor Van Walleghem dat bijna één vijfde van de Belgische soldaten ziek was:
“De gezondheidstoestand wordt van langs om slechter. Wat het leger aangaat dat kunnen wij moeilijk zeggen, immers de soldaten zijn onbekend en wanneer zij ziek zijn, worden ze aanstonds naar de hospitalen gevoerd dikwijls eer dat hunnen ziekte van de burgers gekend is. Doch het schijnt toch dat er vele zijn. Vele krijgen den typhus, ook vele verkoudheden en pleuris, en zeer vele hebben vervrozene voeten, veel meer dan in ’t fransch leger, misschien wel het vijfde deel der mannen”. (3)
 
De meest voorkomende klachten waren griep, longontsteking, angina, reuma, voetwonden, bevroren voeten, huidaandoeningen en maag- en darmklachten. Een tyfus epidemie loerde om de hoek. Heel de toestand werkte sterk in op het moreel van de soldaat. Er was sterke nood aan droge kleren, dekens, laarzen, wanten maar ook aan voldoende warm eten en rust.
 
Men raamt dat ongeveer 15.000 militairen als een gevolg van de slag aan de IJzer niet langer inzetbaar waren. Eén derde van dit aantal was gesneuveld, één derde was gekwetst en het andere derde was getroffen door ziekte. 
 
Rond kerst en nieuwjaar woog de scheiding met familie bovendien erg zwaar. Er was al maanden geen contact meer geweest.
 
Op 30 januari 1915, enkele dagen na z’n verjaardag, werd Louis koortsig en hoestend weggebracht van het front te Ramskapelle.   Hij werd overgebracht naar “l’ambulance Elisabeth” in de Rue de Moulin te Calais waar hij verbleef tot in april.
 
Enkele maanden later en vele kilometers verder zou hij op 24 jarige leeftijd op 13 juli 1915, te bed, in een lang vaalwit nachthemd, overlijden te Cannes.
 
Ziek zijn als soldaat
Om ziek te zijn had men reeds in het burgerleven weinig of geen tijd. In een leger in oorlog was er nog minder tijd. Koning Albert had in oktober 1914 van z’n troepen geëist om stand te houden aan de IJzer. De officieren en onderofficieren stonden mede hierdoor onder grote druk. Brancardier Leo Ghesquière uit het 5de Linieregiment heeft ons het volgende beschreven met betrekking tot een kolonel: “Met de zieken is hij hoogst brutaal, hij verwijt ze allen voor lafaards…”(18). Pas wie echt niet meer kon, kon van de meeste medesoldaten aan het front op begrip rekenen.
Dokter Max Deauville beschrijft in z’n autobiografische boek hoe hij ziekenbezoek aflegt in de loopgracht bij het vallen van avond (november 1914). Hij probeert zich een weg te banen door het slijkerig en glibberig parcours van hol naar hol:
“In het grijze licht, in het midden van deze viezigheid, is het onderzoek van de zieken eerder oppervlakkig. Voor elke abri houden de ongelukkigen, rillenden, grauwen, uitgeputten door ontstoken ingewanden zich rechtop, die wachten op hun portie laudanum om de dag te doorkomen” (19) .
(Laudanum is een samenstelling van alcohol en opium en verzacht enkel de ongemakken zonder geneeskrachtig te zijn).
 
Belgische militair hospitaal te Cannes (06-Alpes Maritimes)
Aan de Middellandse Zee, in de buurt van palmbomen, mimosas, cactussen, aloës en vijgebomen hadden de hertog de Vendome en z’n vrouw Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de hertogin Henriette de Belgique de Vendôme in februari 1915 een toevluchtsoord voor de herstellende zwakste Belgische soldaten gesticht. De hertogin was de zus van Koning Albert.   De hertog en de hertogin hadden hiertoe een comité opgericht en de medewerking verkregen van de “Association des Dames Françaises”. Tot april 1920 zouden hiertoe drie villa’s gebruikt worden: Saint-Jean (60 bedden), Saint-Charles (30 bedden) en Sainte-Anastasie (20 bedden, officieren). Deze drie villa’s hadden voorheen gediend als “Etablissement Sanitaire Colonial Belge”. 
Het adres van Louis was:


 
Hôpital Militaire
Pour Convalescents Belges
Fondation de S.A.R.
Mme la Duchesse de Vendôme
Villa St-Jean, Cannes, (A.M.) France
 
Maar er zijn wellicht nooit brieven geschreven.
 
Tot aan het einde van 1916 behield het Franse Rode Kruis de leiding (“hôpitaux auxilliaires, type C), nadien stond het hospitaal onder uitsluitend Belgische leiding (dokter Lagache) en werd “Hôpital Militaire Belge Albert Premier de Cannes”. Bijna alle 1.500 zieken zouden via “l’ambulance Elisabeth” uit Calais gestuurd worden.
 
Louis arriveerde aldus op 26 april 1915 in het zuiden van Frankrijk in het aanvullend hospitaal nummer 7 Saint-Jean alwaar hij overleed aan de gevolgen van tuberculose.
 
Op 14 juli 1915 werd hij begraven op de begraafplaats van Cannes te Grand-Jas, in het Belgisch militair perk, in het graf met nummer 5. 
 
Negen overleden Belgische soldaten werden begraven te Cannes op de begraafplaats Grand-Jas. Louis werd als eerste van de negen begraven.
In tegenstelling tot andere Belgische militaire begraafplaatsen werd de grijze arduinen grafzuil door de Fransen in navolging van hun eigen kruisjes geschilderd.
 
Rode Kruis
Louis stierf op 13 juli 1915 te Cannes. Op het thuisfront kon men door middel van kleine boekjes van het Rode Kruis de namen van gesneuvelden als een officiële afkondiging terugvinden. De Limburgse schrijver Jaak Boonen zegt het volgende:
“Lijsten volgden op lijsten (-). Daar staan die namen, alfabetisch gerangschikt…(-). En dan van sommigen, van velen ontbreken nog vele bijzonderheden. (-). Durft gij die lijsten lezen? Vreest ge niet hartelijk geliefde namen te ontmoeten!”. (5)
 
Louis werd uiteindelijk vermeld in de zevende lijst, publicatie 1917 (8):

 

De geboortedatum werd fout genoteerd.
 
Tuberculose
TBC, de tering of de "witte pest" zijn andere benamingen voor tuberculose. De ziekte was zeer gevreesd en vaak dodelijk. Tuberculose is een infectieziekte.   Er bestaan twee soorten tuberculose: een niet-besmettelijke vorm en een besmettelijke vorm, genaamd open longtuberculose.
Louis had de 'vliegende tering' of 'pleuritis' (“pleuris” in de volksmond) genoemd.

Louis leed aan longtuberculose. Het aanhoudende hoesten putten hem volledig uit. Hij leed aan gewichtsverlies en nachtzweten. Zin om te eten was er niet meer. Het beeld van de naderende dood kwam dichterbij door stekende pijnen in de borstkas en het ophoesten van bloed.
 
Het leek alsof die stekende pijnen verergerden bij iedere zucht naar adem en bij het ellendig lange en veelvuldige kuchen. Louis probeerde tevergeefs de stekende pijnen te compenseren door sneller en oppervlakkiger te ademen. Niezen en rochelen maakten het allemaal nog erger. Hij was zich ervan bewust dat hij aan het wegkwijnen was in een vreemd anderstalig land maar vooral ver weg van z’n geliefden.
 
Zijn ziekte werd omschreven als een snel verlopende tuberculose volgende op een tuberculeuze pleuris.
 
Besluit
Hoe ongezond het westelijk front in z’n totaliteit als was, de IJzer spande de kroon. Het voedseltekort was nijpend. Door het gore water, waarin rottende en opgezwollen dieren- en mensenlijken ronddreven, staken ziekten de kop op. Latrines waren afwezig zodat duizenden soldaten hun behoeften in of rond de loopgracht moesten doen.
 
De lugubere winter van 1915 zou met het komen van de lente naar de achtergrond verdwijnen en de gemoederen onder de soldaten helpen tot rust brengen. Naarmate 1915 vorderde, verbeterden de levensomstandigheden. Het leger begon zich te organiseren. Vanaf februari 1915 arriveerden duizenden nieuwe rekruten maar Louis zou dit niet meer meemaken.
 
Men schat het totaal aantal verliezen in het Belgische leger voor het eerste oorlogsjaar (5 maanden) op een kleine 75.000 manschappen en dit op een totaal van amper 190.000 troepen. 
Van het totale aantal Belgische doden aan de IJzer kwam bijna één derde om door ziekte, waar dit bij de overige legers normaal één zesde was…
 
Dudzele
Voor Paulina werden de terugkerende herinneringen langzamerhand een troost. Haar man werd een versteend gezicht in een houten lijstje op de boord van een kast in de voorkamer. Het beeldje van de Heilige Maria, een brandend kaarsje en een bronzen kruisje uit Frankrijk werden haar hommage aan haar man. Een herinnering aan voortdurend koud zijn, vuiligheid, uitputting, heimwee, eenzaamheid en ziekte van een geliefde.
 
Paulina huwde opnieuw met dhr.Lodewijk Dobbelaere op 8 oktober 1919. Dhr.Lodewijk Dobbelaere werd geboren te Dudzele op 14 september 1875 en stierf aldaar op 10 oktober 1949 op 74 jarige leeftijd. Samen hadden zij twee kinderen.
 
Paulina zou sterven op 7 januari 1963 te Knokke en dit op 73 jarige leeftijd. Zij had in de Grote Oorlog een man en een kind verloren. Uiteindelijk werd zij samen met haar tweede man begraven te Dudzele.
 
Het gezin Timmerman heeft het verlies van een geliefde zoon en een broer nooit kunnen verwerken. Het verdriet werd met de jaren een lidteken dat zich uitte in stil verbijten.

 

Gebidsprentje (verzameling mevr.M.Timmerman)
 
Na de oorlog werd bij de gezongen rouwdienst ter herdenking en lavenis van de ziel van Louis een gebidsprentje uitgedeeld aan familie en kennissen. Het gebidsprentje maakte geen vermelding van de weduwe. 
Gezien de omstandigheden werden geen rouwbrieven gedrukt.
 
Louis is als een held een lot zonder glorie gestorven. Hij was 11 maanden en 13 dagen soldaat geweest. 
Hij is vele dorpen ver gestorven.
 
Opschrift begraafplaats Grand-Jas:
 
“Aan ons de herinnering
Aan hen de onsterfelijkheid”
 
Uiteindelijk vormen de gesneuvelden, niet zomaar een voorbij en verloren gegaan deel van een vorige generatie, maar zijn zij een blijvende schakel in het familiaal en collectief geheugen van gisteren naar morgen.
 
Dankwoord
 
Een woord van dank aan (in vrije volgorde):
Mevr.M.Timmerman
Dhr.Patrick Timmerman
Dhr.Walter Dobbelaere
Dhr.Karel Danneels
Dhr.Martin Vanacker
Dhr.Danny Wilssens
Dhr.Rob Troubleyn
Dhr.Xavier Van Tilborg
Dhr.Jerôme Slembrouck
 
Bibliografie
 
  1. Vanleene P., Op naar de Grote Oorlog. Mairi, Elsie en de anderen in Flanders Fields. Uitgeverij de Klaproos, Koksijde, 2001.
  2. Souttar H., A Surgeon in Belgium. Edward Arnold, London, 1915.
  3. Van Walleghem A., De oorlog te Dickenbusch en omstreken 1914-1918. Deel 1. Uitgegeven door J.Geldhof, pr., Genootschap voor geschiedenis, Brugge, 1964.
  4. Hans A., De Grote Oorlog. Uitgeverij Opdebeeck, Antwerpen, 1919.
  5. Boonen J., De Belgische Soldaat. Uitgeverij P.N. Van Kampen & Zn, Amsterdam, 1916.
  6. Christens R., De Clercq K., Frontleven 14/18. Het dagelijks leven van de Belgische soldaat aan de IJzer. Uitgeverij Lannoo, Tielt, 1987.
  7. Lyr R., Onze Helden. Gestorven voor het Vaderland. Uitgeverij NV Drukkers en uitgevers maatschappij “Ons Land”, Brussel, 1926.
  8. Septième Liste des Soldats Belges morts pour la patrie. Comité Médical de la Croix Rouge de Belgique, 1917.
  9. Melis L., Contribution à l’histoire du Service de Santé de l’Armée au cours de la guerre 1914-1918. Institut Cartographique Militaire, Bruxelles, 1932.
  10. Historisch Verloop van het 4de Linie-regiment, geen auteur, geen datum.
  11. Deleu F, Loncke M., Met het hoofd naar de brug van Schoorbakke. Hadewijch, Antwerpen-Baarn, 1989.
  12. Heemkundige Kring “De Roede van Tielt”, Een streek in oorlog. Westvlaams Verbond van Kringen voor Heemkunde, Tielt, 1980.
  13. Lekeux M., Mijn Roode Kloosters. Uitgeverij Jules De Meester & Zonen, Wetteren, derde uitgave, 1928.
  14. Bondroit, Th., Nobilitas. Souvenirs du Vicomte Jean de Maulde Soldat au 4e Régiment de ligne. Etablissements Casterman, S.A., 1918.
  15. Van Bergen, L., Zacht en eervol. Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1999.
  16. Chatelle A., L’effort Belge en France pendant la guerre 1914-1918. Firmin-Didot et Cie, Editeurs, 1934.
  17. Van Overstraeten, Tasnier, La Belgique et la guerre. Les operations Militaires. Tôme 3, Henri Bertels Bruxelles, 1931.
  18. Debaeke S., De dood met de kogel. Uitgeverij De Klaproos, 2008.
  19. Deauville M., Jusqu’à l’Yser. Collections Visages. Pierre de Méyère, Editeur, 1964.
 
Brochures NSB Dudzele
 
  1. Lodewijk Scherpereel (2007)
  2. Gustaaf Mus (2008)
  3. Jozef De Vuyst (2008)
  4. Louis Timmerman (2009)