Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

LODEWIJK SCHERPEREEL

1893 - 1914

 

De IJzerslag

Lodewijk Scherpereel

 

De overlijdensdatum van Lodewijk Scherpereel (24 oktober 1914) gaf een aanknoping met de IJzerslag.   Deze woedde tussen 16 en 31 oktober 1914 aan de rivier de IJzer.  Dorpen en gehuchten zoals Pervijze, Booitshoeke en Schoorbakke bevonden zich in de brandhaard van Belgische verdedigers en Duitse aanvallers.  Uiteindelijk zou deze heftige strijd aan de spoorwegdam (Diksmuide – Nieuwpoort), en de komst van rijzend zeewater, de doortocht naar de Franse kanaalhavens voorgoed afsnijden voor de Duitse aanvallers.

 

De IJzerslag was één stuk grauwe oorlogsellende.  Een 14 dagen durende nachtmerrie zonder weerga.  Een mensenmoorderij.

 

Deze tekst poogt een beeld te schetsen van de omstandigheden waarin Lodewijk Scherpereel omkwam tijdens de IJzerslag en dit aan de hand van een veelvoud van verschillende bronnen.

Foto 1.  Belgische infanteristen achter de spoorwegberm Diksmuide – Nieuwpoort. Bemerk dat er nog geen inundatie is tussen de spoorwegberm en de rivier de IJzer.

 

Deel I. Lodewijk Scherpereel

Dudzelenaar Lodewijk Scherpereel

Lodewijk Scherpereel werd geboren te Dudzele op 30 maart 1893 als zevende kind van Hendrik Scherpereel en Mathilde Vansteene. Hij liep lagere school te Dudzele, volgde twee jaar de Latijns-Griekse humaniora te Roeselare en vervolgens de school voor koster-organisten te Torhout waar hij het desbetreffende diploma verkreeg. Dat lag een beetje in de lijn van de familietraditie, want zijn vader Hendrik en twee van diens broers, Alfons en Lodewijk, hadden een generatie eerder te Torhout alle drie het diploma van onderwijzer-koster-organist behaald. Zijn vader Hendrik was trouwens onderwijzer te Dudzele van 1879 tot 1890, gemeentesecretaris van 1895 tot 1917 en koster-organist van 1871 tot 1923. Dit laatste beroep heeft zijn vader dus 52 jaar tot aan zijn dood uitgeoefend. Lodewijk zelf was ook een goed muzikant en speelde uitstekend hobo.

 

De bedoeling van zijn vader Hendrik, die zelf tot 1917 het ambt van gemeentesecretaris heeft uitgeoefend, was waarschijnlijk dat hij bij zijn pensionering als gemeentesecretaris zou proberen zijn zoon Lodewijk als zijn opvolger benoemd te krijgen, maar het uitbreken van de wereldoorlog I heeft dit plan verijdeld.

 

Louis of Lodewijk Scherpereel (° 30 maart 1893) werd, zoals vele anderen uit de omgeving van Brugge, gerecruteerd voor de plaatselijke kazerne.  Als infanterist werd hij aldus ingelijfd in het “Brugse” 4de Linieregiment (4L).  Het 4de Linieregiment zou zich in eerste maanden van de Grote Oorlog met “oorlogsroem” overladen door deelname aan velerlei gevechten zoals deze te Halen (12 augustus 1914).

 

Bij het uitbreken van de oorlog behoorde het 4de Linieregiment tot de 1ste Legerafdeling (“Division d’Armée”).   In de 1ste Legerafdeling vond men onder andere de 4de Gemengde Brigade terug (bestaande uit onder andere de 4de en 24ste Linieregimenten).  Ook het “zuster”-regiment, het 2de Linieregiment (kazerne Gent), behoorde tot de 1ste Legerafdeling.  Elke Legerafdeling beschikte, naast andere eenheden, over één kompagnie wielrijders.

 

Louis Scherpereel maakte deel uit van de 3de Kompagnie van het 2de Bataljon van het 4de Linieregiment (3/II/4L) maar was toegewezen aan een wielrijderspeleton binnen de 4de Gemengde Brigade (koerier, verkenningsopdrachten) als onderdeel van de kompagnie wielrijders binnen de 1ste Legerafdeling.

 

Er is een brief bewaard die hij op 24 augustus 1914 naar zijn ouders in Dudzele stuurde vanuit O.L.V. Waver. Hij schrijft o.a.:

Wij zitten hier tussen ’t fort van Waelhem en dit van O.L.V. Waver. Wij zijn vandaag voorpost geweest en toch niets gezien.”

 

Een tweede brief die bewaard is gebleven dateert van 24  september 1914 en is verstuurd vanuit Grembergen (Oost-Vlaanderen). Toen hadden ze al tweemaal slag geleverd te Dendermonde. Maar hij dramatiseert niet en vertelt op luchtige toon dat ze een twintigtal Duitse ransels hebben buitgemaakt. In een van die ransels stak een “splinternieuwe pijp met amberen steert en een schoone kop”.  De pijp waarop de naam van een Leuvense tabakswinkel vermeld stond  werd uiteraard als oorlogsbuit in beslag genomen. Het toeval wou dat Lodewijk zat te wachten op een pijp die zijn broer Clemens, die priester-aalmoezenier was op het front, hem zou toezenden. In diezelfde brief preciseert hij zijn juist soldatenadres: “peloton cycliste de la 4e Brigade mixte, 1e division”.

 

Maar in de loop van oktober 1914 wordt de toestand veel ernstiger. De Duitsers rukken op en het Belgisch leger trekt zich terug om zich achter de IJzer te verschansen. Bij de terugtrekking wordt serieus slag geleverd en er zijn al merkelijke verliezen in mensenlevens. Op 16 oktober 1914 wordt hij met 30 man van zijn compagnie op patrouille gezonden te St. Pieterskapelle bij Gistel. Van de 30 man sneuvelen er niet minder dan 15. Zijn broer Clemens die ondertussen aangesteld was om in het opleidingscentrum te Caen als legeraalmoezenier aan de recruten geestelijke bijstand te verlenen doet op 23 februari 1915 vanuit Caen in een brief aan een familielid in Londen daarover het volgende verhaal:

“Bedeesd van natuur (hij heeft het over zijn broer Lodewijk) was hij door zijn christelijk geloof een der stoutsten van zijn regiment. Laatst 16 october gingen zij op patrouille met 30 te St. Pieterscapelle bij Ghistel: van de 30 kwamen er slechts 15 terug waaronder Louis: hij alleen met zijn velo: 2 kogels door zijn kepi, twee door zijn vest, twee door zijn broek, zijne fourche van zijn velo verbrijzeld: van 3 kanten schoten de Duitschers op hem. Wat het is als ons uur nog niet gekomen is.” 

Het is duidelijk dat cyclisten die zich verplaatsten op de fiets door hun nauwelijks te verbergen aanwezigheid op de frontlijn bijzonder kwetsbaar waren en een gemakkelijke prooi voor vijandelijk vuur.

 

Nauwelijks een week later, nl. op 24 oktober 1914 sneuvelt Lodewijk te Booitshoeke, bij Pervijze, in het heetst van de strijd om de IJzer. Het IJzerfront was zich op die plaats reeds aan het stabiliseren. Waarschijnlijk werden de cyclisten bij de infanterie ingeschakeld, want Lodewijk blijkt in de loopgraven gesneuveld te zijn. 

 

De reeds vermelde brief van Clemens aan een familielid dat naar Londen gevlucht was, bevat naast veel informatie over recruten met verzoek die informatie aan de betrokken families door te geven, interessante gegevens over Lodewijk en het noodlot dat hem ondertussen getroffen heeft. Hieruit blijkt dat de officiële bevestiging van de dood van Lodewijk lang op zich heeft laten wachten. Clemens, die als legeraalmoezenier toch in een bevoorrechte positie verkeerde om geïnformeerd te worden beklaagt er zich over dat hij pas op 5 februari 1915 officieel werd ingelicht.  Op 22 maart 1915 schrijft Clemens aan dit familielid in Londen dat hij kennis had van een laconiek briefje dat zijn zus Theresia Scherpereel gestuurd had naar hun broer Antoon Scherpereel, latere gemeentesecretaris van Dudzele die naar Sluis gevlucht was. Daarin werd gezegd dat vader en moeder nog altijd dachten dat Lodewijk krijgsgevangen was gemaakt. Maar die onzekerheid kan niet lang geduurd hebben want vader Hendrik wilde persé weten of de geruchten over de dood van zijn zoon officieel konden bevestigd worden. Daarover schrijft  Clemens vanuit Caen het volgende:

Een zware slag. Louis gevallen als een held te Pervyse langs den ijzerweg: een kogel door het hoofd en bijna plots dood den 27e october.  En zeggen dat ik moest wachten tot 5 februari eer ik de volle bevestiging had van dit nieuws. Ondertussen liep het gerucht rond in Brugge dat de zoon van koster Scherpereel uit Dudzeele ook gesneuveld was. Lutgarde (ook een zuster van Lodewijk) die te Brugge woont, zond mij een briefje met een man die door de vaart gezwommen had om te zeggen dat vader volstrekt de waarheid wilde weten. Gelukkig dat ik juist daags tevoren bevestiging kreeg van een korporaal, goede vriend van Louis, die nevens hem in de tranchées lag. Seffens heb ik alles geschreven naar huis, maar ge kunt u inbeelden welk verdriet er is voor den braven, heiligen Louis. Hij ligt nu te rusten tusschen Boitshoucke statie en den IJser, reeds 5 maanden. “

 

Deel II.  Het 4de Linie-regiment

Na de val van Antwerpen wordt het 4de Linieregiment ingezet om Gent te verdedigen. Op 9 oktober betrok het regiment stellingen bij Melle maar op 13 oktober arriveerde het regiment met de trein in Brugge om ’s anderendaags naar Gistel door te trekken waar de soldaten ’s nachts de tram naar Oostende en daarna die naar Veurne namen. Het regiment werd daar in reserve gezet. Daarna werd het regiment achter de IJzer opgesteld.   De rivier de IJzer had een breedte van ongeveer 20 meter en had een dijkhoogte van om en bij de twee meter boven het landschap.

 

Op 18 oktober stelde de hele 1ste legerdivisie zich op tussen kilometerpaal 4 en kilometerpaal 10 (dit laatste aan de bocht van Tervate). De brug van Schoorbakke werd bewaakt door soldaten van het 4de Linieregiment. Tegenover hen stonden de Duitse 4de Ersatzdivisie en het 3de Reservekorps.  Op 20 oktober lanceerden de Duitsers hun eerste grootscheepse aanval op de Belgische stellingen.  Op diezelfde dag bracht Koning Albert I het fameuze terugtrekkingsverbod uit: elke Belgische militair die zijn post verliet zou onmiddellijk terechtgesteld worden.  Ook op 22 oktober kreeg het 4L het hard te verduren: er werden zware gevechten geleverd om de brug van Schoorbakke. Een tegenaanval van de Belgen mislukte.  De verdediging van het bruggehoofd aan de brug van Schoorbakke en van de bocht van Tervate werd opgeheven (de brug van Schoorbakke werd in de late avond van 23 oktober opgeblazen) en het front verplaatste zich achteruit, achter de Grote Beverdijk (ongeveer 10 meter breed en had een dijkhoogte van 1 meter). Op dat moment bestaat het 4de  Linieregiment nog slechts in naam: het resultaat van meerdere dagen onafgebroken vechten is verschrikkelijk: men schat dat er nog slechts een 200-tal man gevechtsklaar was binnen het 4de Linieregiment (een regiment beschikte op 4 augustus 1914 over gemiddeld 2.200 à 2.300 manschappen of effectieven)(25).

 

Op 24 oktober nog moest ook de Grote Beverdijk opgeheven worden na een mislukte Franse tegenaanval.  De aftocht naar Booitshoeke moest veilig gesteld worden door o.a. de restanten van het 4de Linieregiment opgesteld tussen Pervijze en Schoorbakke.

 

Wat later trok het Belgisch leger zich helemaal terug achter de spoorwegberm van de lijn Nieuwpoort- Diksmuide. Daar hielden de Belgen stand tot aan de reddende inundatie en kon de “wacht” aan de IJzer beginnen.

 

De gevechten

Er ontrolden zich zeer bloedige verrichtingen aan de rivier de IJzer. 

 

21 oktober 1914

We citeren Raoul Snoeck (infanterist bij het 2de Linieregiment) uit z’n autobiografie(22):

 “We zijn hopeloos ontredderd en hebben drie dagen niets meer gegeten of gedronken.(-).  We slapen nabij gesneuvelde makkers en hebben de moed en de kracht niet om hen te begraven.  Geen aflossing geen bevoorrading mogelijk.  Een muur van vuur scheidt de achterlinies van de gevechtszone.  Het water valt met bakken uit de hemel, een echte zondvloed!  De loopgraven zijn als kanalen en onze handen staan stijf van de kou.”

 

23 oktober 1914

Vrijdag de 23ste was de zesde achtereenvolgende dag dat de Belgische troepen in gevechten en constante beschietingen verwikkeld waren. 

Gedurende de nacht was het kleine bruggehoofd van het gehucht Schoorbakke onhoudbaar geworden als gevolg van het vijandig mitrailleurvuur dat uit drie verschillende richtingen kwam.  Voor dageraad werd het betrokken bataljon van het 4de Linie teruggetrokken waarna de Schoorbakkebrug werd opgeblazen.  Maar de Duitsers bleken op diverse plaatsen voetbruggen over de IJzer te bouwen.  Korte tijd later diende een vijandelijke uitval geblokkeerd te worden vanuit het gehucht Schoorbakke (enkele huizen samengeklit in de nabijheid van de rivierdijk op de linkeroever).

 

Op 23 oktober vervangt een bataljon van het 4de Linieregiment een bataljon van het 2de Linieregiment op gevechtsposten nabij de rivier de IJzer.  Om tot bij het 2de Linieregiment te geraken, dient ook het bataljon van het 4de Linie door een barrage van vuur te trekken.

Raoul Snoeck schrijft:

 “De gewonden krijgen geen verzorging.  We leven als beesten in kuilen vol water. (-).  Eindelijk worden we afgelost door het 4de Linie.  We hoeven ons alleen nog terug te trekken.  Dat doen we onder artilleriebuien.  In aanvulling op het moordend kanonvuur dunt levendig geweervuur links en rechts de rangen uit.  Dicht bij de Beverdijk lopen we de weg op naar Pervijze.  Wat een verschrikkelijke aftocht.  Onder een regen van kogels, shrapnels en obussen moeten we zonder enige beschutting een vlakte doorkruisen van wel twee kilometer.  De grond is letterlijk bezaaid met lijken en gewonden.  Onze verliezen zijn enorm.”

 

Oorlogsverslaggever, aan Belgische zijde, A.Hans (21) beschrijft de toestand onder de overlevenden als volgt voor de morgen van 24 oktober 1914:

“Men moest de slapenden wakker schudden, door stompen in de lendenen opjagen, om ze weer in het vuur te drijven.”

Velen sliepen echter niet maar waren dood.

 

24 oktober 1914

Op 24 oktober 1914 om 07.40u hadden Duitse eenheden, dankzij een ongewoon hevige beschieting met artillerie en aangelegde infanteriebruggetjes, de IJzer verder overgestoken.  De IJzer was nu over een lengte van 8 kilometer in Duitse handen.  De troepen van de aftochtstelling aan km 4.5 namelijk II/III/4L, II/24L, 1/I en 2/II/22, 2,3/III/2 en de secties mitrailleurs van het 2de en 4de verdedigden zich krachtdadig.  De Duitsers die eerder bij Tervate de IJzer hadden kunnen oversteken, drongen tussen de stellingen door van het 4de Linieregiment. 

Daardoor werd de verdediging verzwakt en diende men sneller terug te trekken naar de Grote Beverdijk.  De Grote Beverdijk liep ongeveer parallel aan de IJzer en de spoorwegdijk.

 

De regen van projectielen en het netwerk der kanalen verbreken echter al spoedig de resterende samenhang onder de Belgische eenheden; formaties lopen uiteen of vermengen zich, soldaten wankelen en vallen in de vele grachten, sloten en vlieten. 

 

De kommandant van het 24ste  Linieregiment besluit aan de Grote Beverdijk zo lang mogelijk te blijven.  De schuttersputten, loopgraven en de baan (Schoorbakkebrug – Pervijze) worden tot het uiterste toe beschoten door Duitse stukken (tot en met 210mm granaten).  Al de hoeven in de nabijheid van de stellingen zijn vernield.  Het vuur der Duitse machinegeweren is voornamelijk gericht op de baan, die door de in aftocht zijnde troepen moet worden overschreden.  Kruisvuur beschiet het meer achterwaarts gelegen terrein.  De toestand wordt onuitstaanbaar. 

 

Verscheidene berichten worden samengebracht door Majoor Beernaerts (24L) en dienen naar de bevelhebber van de Brigade gestuurd te worden.  De gezonden wielrijders moeten langs Pervijze een omweg maken, om de halte van Booitshoeke, zetel van de bevelpost, te bereiken.  Ze worden onderweg gedood of gekwetst.

 

Omstreeks 09.45u starten de Duitsers een nieuw algemeen offensief langs het IJzerfront.  Kanonnen konden echter niet overgebracht worden omdat de grond te drassig was door de aanhoudende regens.  De Duitse infanterie worstelde zich moeizaam verder en dit onder grote verliezen.

 

Om 10.40u wordt II/4L naar km 9 op steenweg Pervijze-Nieuwpoort gestuurd achter de spoorwegdijk ter hoogte van de halte van Booitshoeke.

 

II/4L wijkt terug naar de halte.  Ze overschrijden de baan ter hoogte van km 4.5 om zich vervolgens naar de hoeve Berkelhof te begeven na de Grote Beverdijk te hebben overgestoken.  Dan de hoeve Kleftenhove terzijde latend overschrijden ze de spoorweg om vervolgens de baan te bereiken.  Om de aftocht wat aan het zicht te onttrekken hadden enkele soldaten een hooimijt in brand gestoken(24).

 

Men had noodgedwongen de doden moeten achterlaten alsook de vele gekwetsten, die zich hadden verscholen in de grachten rond de hooimijten en in de vernielde hoeven. 

 

De spoorweg wordt door de laatste elementen van het 4de Linieregiment bereikt om 12.50u.  De bataljons worden in de nabijheid van de halte van Booitshoeke hervormd, op de baan Nieuwpoort-Diksmuide, waar Kolonel Servais (bevelhebber van de 4de Gemengde Brigade) hen om hun dapperheid gelukwenst.

 

In de namiddag van 24 oktober bezet II/4L de spoorbaan ten noorden van km 9.   Gedurende de namiddag beschoot de vijand de spoorweg. 

 

25 oktober 1914

De zone tussen de IJzer en de spoorwegdijk ligt bezaaid met doden, klagerige gekwetsten, afgerukte lichaamsdelen en bloed.  Raoul Snoeck noteert het volgende.

 “De loopgraven zijn verkruimeld door het schroot.  Heel het terrein tussen de IJzer en de spoorlijn wordt dag en nacht systematisch beschoten. (-).  Maar moed kent grenzen.  Sommigen beginnen te verzwakken.  Verscheidene mannen slaan op de vlucht en doorbreken het kordon rijkswachters achter de linies.  (-). 

Terwijl de regen onophoudelijk op het slagveld neergutst, stapelen verminkte lijken zich op.” 

 

A.Hans:

“Sommige groepen vluchtten, met de rilling van den dood over de leden, met den angst in den blik.  Maar wat baatte het?  Slechts weinigen ontsnapten aan de gendarmen welke de wijkenden opzochten en onverbiddelijk terug joegen, in die hel, desnoods onder bedreiging met den revolver.”(21)

 

Er was paniek uitgebroken onder bepaalde militairen.  Sommige vluchtenden schoten op de gendarmes en vluchtten tot in Veurne alwaar zij opnieuw verzameld werden. 

 

Anderen zouden krankzinnig worden van psychische en fysische uitputting.

 

Deel III. De aanvallers

Reserve-Infanterie-Regiment 35

Der Kampf um den Bahndamm von Pervyse(3)

Samen met ondermeer het 26e RIR behoorde het RIR 35 tot de 12de Reserve Infanterie Brigade (6e Reserve Divisie).  Samen met de 5e Reserve Divisie vormde het het Brandenburgse 3e Reserve Korps.  De 6e Reserve-Divisie had op 30 oktober Pervijze als doel (meer bepaald de kerktoren).  Fransen en Belgen boden een hardnekkige weerstand. 

Hierna een vertaling uit het regimentsboek van het RIR 35:

 

26.10.1914

“Dicht achter de stellingen van de 11de Komp., achter een hooimijt, lagen nog vele gekwetsten van ons II.Bataljon en van het Reserve Infanterie Regiment 208, ook enkele Fransen, waarvan een deel reeds sedert meerdere dagen, zonder hulp aan de regen blootgesteld.”

 

“Zij werden pas eerst bij het krieken van de dag door ons ontdekt; hen wegbrengen overdag over velden onder zware beschieting was een onmogelijk ding.

Wij konden ons daarom enkel daarmee beperken, zich sterk te houden en voor de avond brancardiers met draagberries op te vorderen, die dan ’s avonds eindelijk het wegbrengen gelukte, met de grootste moeite, over de volledig sompige lemige velden.

 

Ook voor het front lagen nog vele gekwetste tegenstanders, die echter voorlopig geen hulp konden geboden worden.  Dag en nacht aanhoorden wij hun kreunen en roepen.”

 

30.10.1914

“Wat niemand van het III.Bataljon vermoedde niettegenstaande de ernst van de toestand, dat deze dag voor het bataljon de meest verliesrijke van de ganse oorlog worden zou  - voor 30.10, vroeg als 05.30u, werd andermaal de stormaanval bevolen.

Ten allen prijze moest op deze dag de spoorwegberm bij Pervijze bereikt worden (…).

En nu begon een tragedie, zoals het regiment er nooit meer één zou meemaken gedurende gans de oorlog (…).

Het bataljon bestond enkel nog uit een afgezwakte kompagnie.”

 

De aanval op de spoorwegdam mislukte voor R.I.R. 35.  De verliezen aan manschappen en onderofficieren bedroegen 484 militairen.  Op 31 oktober vatte dit regiment de terugtocht aan.  Het stijgende water had elke hoop op doorbraak verijdeld.

 

Deel IV. De andere verdedigers.

Het 8ste Linieregiment(2)

Samen met ondermeer de 10de en het 13de Linieregimenten behoorde het 8ste Linieregiment tot de IVde Legerafdeling.  Deze “Division d’Armée” had als taak de spoorweglijn Nieuwpoort-Diksmuide iets zuidelijker te verdedigen eveneens ter hoogte van Pervijze.  In deze taak werd zij bijgestaan door het franse 94ste Régiment d’Infanterie.

 

“Op 31 oktober, om 04.30u, loste het regiment het 13de Linieregiment af.  Vele doden van de 10de en 13de Linieregimenten bevonden zich nog op de plaats waar ze hun leven lieten door hun vastberadenheid om de laatste Duitse aanvalsgolf ter plaatse vast te pinnen.  (…..)

Na een laatste plaatselijke aanval, volledig teruggeslagen overigens, hield de strijd op.

 

Maar vanaf dat moment werden onze mannen betrokken in een weinig alledaagse activiteit. 

 

Het betrof niet alleen het evacueren en het begraven van onze doden, maar men moest het terrein ten oosten van het treinspoor “opkuisen” want de vijand, die zich vastklampte aan z’n ondergelopen loopgrachten, wilde het failliet van z’n laatste poging niet erkennen.

 

Men vroeg vrijwilligers! – Iedereen bood zich aan en wilde in schermutseling gaan in dit mysterieuze niemandsland.

 

Maar misschien was er een achterliggende reden voor dit gemeenschappelijk élan; namelijk het recupereren van Duits ondergoed en schoenen daar onze soldaten niets anders hadden dan vodden om het lijf en de vijand ging door als zijnde subliem uitgerust.”

    Foto 2.  31 oktober 1914.  Tussen de kerk van Pervijze en de straat wordt een massagraf aangelegd voor 115  Duitse militaire slachtoffers van de eerste gevechten nabij Pervijze.  Een eenvoudig houten kruis zal nadien de aanwezigheid van het massagraf markeren: “115 Allemands R.I.P.” (Recto verso van de originele foto: Foto Ruyssen, Veurne).

 

Deel V. De gevolgen

Soldaat Van Loon

Soldaat Alois Van Loon behoorde in de maand oktober van 1914 tot de 3de Kompagnie van het 1ste Bataljon van het “8ste Regiment de Ligne”. 

 

In z’n aangrijpende (en gedetailleerde) oorlogsdagboek(1) lezen we op datum van 31 oktober 1914 dat Belgische soldaten de lijken van Duitsers begraven aan de kerk van Pervijze:

 

“In de vroegte trokken wij wederom naar de spoorwegdam.  De vijand die zijn nederlagen wilde wreken, beschoot ons hevig en nauwelijks waren wij een half uur daar toen wij reeds drie gewonden hadden.  Het werd klaarlicht en hetgeen wij daar te aanschouwen kregen is niet te beschrijven.  Welke slachting!  Welk ongezien mensenmoorderij!  De lijken van de Duitsers lagen opgestapeld achter de spoorwegdam en staken afgrijselijk om zien boven het water uit.  Sommigen lagen boven op de dam, anderen hingen met hoofd over de loopgracht gebogen en waren met bajonetsteken afgemaakt.  Maar ook velen van de onzen lagen achter de loopgracht dood.  Een grafkuil bevatte het duurbaar overschot van vierenveertig makkers die te ruste gelegd waren zoals zij vielen, en een simpel houten kruisje wees de laatste rustplaats aan van die arme gesneuvelde jongens.  “Rust, rust zacht wapenbroeders hieraan de spoorwegdam, licht zij U de grond die met uw bloed is besproeid, een beter graf konden wij U niet geven”.

“Vaarwel, vaarwel, nooit zult gij door ons worden vergeten”.

Ook de lijken van de vijand die in ons bereik lagen moesten begraven worden.  Deze die ondergespoeld lagen, bleven liggen en lange tijd later toen het water een weinig gezakt was, hebben groepen soldaten gedurende verscheidene dagen lijken begraven en toen bleven er nog altijd liggen.  Met een wagen die wij zelf voorttrokken voerden wij ook Duitse lijken weg.  In het dorp Pervijse dat op korte afstand van de spoorweg Diksmuide-Nieuwpoort ligt, hebben wij op de kant der gracht nevens de vernielde kerk, honderdvijftien (115) Duitsers begraven.”

 

Doden begraven

Terwijl, op 31 oktober, de militairen van het I/8ste Linieregiment Duitsers begraven, zorgen militairen van het III/8ste Linieregiment voor eigen Belgische militairen.  Louis Gorremans(8) schrijft voor 31 oktober:

 

 “Achter ons werden vele doden, vooral Belgen, opgelijnd.

In de mate waarin een strijder viel, legden wij die in een greppel en bedekten wij hem het gezicht met z’n muts of een zakdoek.”

 

Net voor en tijdens de ter-aarde-bestelling werden de gezichten van de doden bedekt.  Daarna werd slijk/aarde op de lichamen geworpen teneinde de grafkuil te dichten.

 

Op 30 oktober beschrijft Pierre-Jean Peters van het 3de bataljon 10de Linie-regiment (III/10) hoe hij enkele uren voor de aflossing 10 kameraden begraaft(9).

 “18 uur: “De mannen moeten echt uitgeput geweest zijn om te kunnen slapen in deze koude, zo was m’n gedachte bij het zien van enkele mannen verspreid tegen de berm van de spoorweg en slapend met gesloten vuisten.

Arme jongens!  Op een rauwe manier leerde een brancardier me de oorzaak van hun diepe slaap inzien: “Het zijn gesneuvelden van de aanval van deze morgen, mijn adjudant, het zijn er 10.”

Heftig onder de indruk, salueer ik en herneem m’n plaats nabij m’n mannen, m’n gemoed zwaar.

21.30u: het is koud.  Na elke schietbeurt van enkele schoten, stampvoet ik een moment om me een beetje op te warmen.  Wij hebben de lijken van onze kameraden begraven.  Een kort bericht dat we om 3 uur in de morgen afgelost zullen worden.

24 uur: zonder incidenten.”

 

Het front werd wat rustiger.  De tweede helft van 30 oktober en de dag van 31 oktober werden, waar mogelijk, dagen van doden begraven en eenvoudige kruisjes plaatsen.  1 november, Allerzielen, werd voor de mannen van het 8ste Linieregiment een rustdag.

 

Oudstrijder Jos Vols verhaalt de situatie als volgt(11):

“Talrijke vijandelijke soldaten verdronken of werden neergekogeld vanaf de spoorweglijn, die als een dam de overstroming afperkte.  Weldra staken nog enkel de toppen van de knotwilgen en enkele kapotgeschoten hoeven boven de watermassa uit, terwijl gezwollen lijken van mensen en dieren, helmen, ledige dozen erop dreven”.

 

De toestand was schrijnend; insecten (vliegen, muggen) en ongedierte (ratten), koude, vochtigheid, verkleumde ledematen, de verlammende honger, oververmoeidheid, de walm van ontbindende lijken, de stank van uitwerpselen, leed, ziekte (o.a. tyfus), het zien van talloze verminkte en dode gezwollen en vergroende (door het water) lichamen, het roepen van de gekwetsten, het brullen van gewonde dieren en de gierend inslaande obussen en nog zo veel meer ellende, brachten vele militairen aan de grens van psychische uitputting.  Of zoals oudstrijders later zouden herhalen: wie er niet bij was, kan het nooit begrijpen.

 

 

Grenadier Jean-Gustaphe Schoup (4/III/1) beschrijft in z’n autobiografische deserteursboek “In Vlaanderen heb ik gedood(7)” hoe angsten en oorlogsgruwel “waarden” en “zekerheden” die een mens rechthouden, de soldaat z’n eerbied voor “het levende” wegvreten totdat hij uiteindelijk vreest te moeten eindigen als een koele moordmachine.  Deze overgang  (“storm van afschuwelijke emoties”) evolueert bij J.G. Schoup met constante innerlijke conflicten en onbegrip voor de situatie waarin hij zich ongewild verplicht geplaatst voelt.

We lezen:

“Niemand spreekt over de verdwenen kameraden.  ’t Is alsof we niet durven.”

 

Het dorp en het kerkhof van Pervijze  

Het dorp.

Mrs.Helen Hayes Gleason(14), beschreef in het laatste luik van het boek “Golden Lads” haar ervaringen met het dorp Pervijze.  Zij leert ons daarbij hoe het dorp de wintermaanden ‘14/’15 geschonden had doorstaan -met nog vele rechtopstaande muren- maar hoe het na die winter enkel nog bestond als een stenen woestenij.  Dit maakte op haar een diepe indruk:

“Pervijze leek voor bezoekers als gevuld met dood, gewoonweg omdat het dagelijks een dosis shell-fire te verwerken kreeg,…”

 

“Niemand was veilig in dat vernielde dorp Pervijze.  Langs de straten, zwerfhonden op strooptocht, duiven cirkelden rond, hongerige katten huilden.  Achter de loopgrachten, hadden de mannen hun doden begraven and ze hadden grote terpen nagelaten waar ze geprobeerd hadden de paarden te begraven.”

 

De uitgehongerde ronddolende honden en katten completeerden het plaatje van de hel in en rond Pervijze.

 

Het kerkhof.

De Belgische militairen hadden de doden ondiep begraven (maximaal 75cm diep(12)), wellicht ingegeven door vermoeidheid, de oorlogssituatie en de aard van het terrein.  Immers wie twee spadesteken diep groef, kwam onomstotelijk water tegen(11).

 

De bekende Barones de T’Serclaes(6) beschrijft het kerkhof van Pervijze enkele maanden later (voorjaar 1915) op een korte maar hallucinante wijze:

“… en het kerkhof puilde uit met lijken van verschillende nationaliteiten, blootgesteld aan de zware regens”.

 

De doden staken her en der uit de grond.  Het beeld moet onmenselijk geweest zijn.  Dit beklemmende beeld wordt herhaald door Cyriel Verschaeve(13) tijdens een bezoek aan de kerk van Pervijze in november 1915:

“Ik schouw onder de bogen heen naar ’t veld.  Daar is weer dat onzalig slagbeeld.  Mijn blik valt op het kerkhof rondom de kerk.  De obussen hebben er ook wreed huisgehouden.  Kruisen zijn neergesmakt, zerken gespleten en vergruisd.  In de grond gapen putten.  Ik nader tot één met een zeker vermoeden.  Waarlijk!  De obussen zijn tot aan de doden doorgedrongen, hebben ze blootgewoeld en uitgeworpen.  “Requiescant in pace” is een ijdel woord geweest.  Dit zicht heeft me met een huivering op het lijf uit kerk en dorp weggejaagd.”

 

 

 

 

Le Drame des Flandres(10) 

Henri Malo (de archivaris van Duinkerke) beschrijft het droeve desolate Pervijze eveneens ergens in het voorjaar van 1915 op een korte maar krachtige wijze:

 “Pervijze de verwoeste, Pervijze is beklagenswaardiger dan ooit.   De Duitsers doen verder met het verpletteren van het bouwvallige puin onder een lawine van ijzer.”

 

Hoogleraar in geschiedenis te Leuven, dhr.Leo Van Der Essen zou het volgende schrijven in het hoofdstuk over de IJzerslag in z’n gedetailleerde studie over het militaire verloop van de oorlog in België in 1914:

“Zeker is dat duizenden lijken opgezogen werden door de diepe slijklaag voor de Belgische posities.  Over dat uitgestrekte halfvloeibare kerkhof , heerste weldra die akelig-weeë lijkgeur, zo buitengewoon-walgelijk (-).”(26)

 

Na de oorlog

Op het notariaat te Evere is geen dossier van Scherpereel Lodewijk meer aanwezig.  Op de Dienst Oorlogsgraven werd een fiche teruggevonden met informatie dewelke ons een schrijnend beeld geeft van een zoektocht van de ouders.

 

SCHERPEREEL

Lodewijck, Henri, Alphonse, Marie, Emile, Baudouin

Geboren te Dudzele op 30 maart 1893

Naam vader : Henri

Naam moeder : Mathilde Vansteene

Beroep : drukker

Soldaat (militieklas 1913)

4 Linie, 2 bataljon, 3 compagnie

Stamnummer 57872

Gesneuveld in de nacht van 24 op 25 oktober 1914 te Schoorbakke.

Begraven op 25 oktober 1914 ‘sur la route de Nieuport à Dixmude’.

 

Op 30/5/1920 vraagt vader Henri waar hij begraven is.

Antwoord op 22/6 : opzoekingen zonder resultaat, er wordt een enquête opgestart.

 

13/7/1920 : een brief van de gemeente Dudzele, waarin wordt bevestigd dat de familie in de gemeente woont en dat de gemeentesecretaris, Karel Van Lersberghe, hen het overlijden van de militair heeft medegedeeld.

 

28/7/1920 : Mr. Van Lersberghe informeert de SSM dat de betrokken militair zou zijn overleden rond 26 oktober 1914. Hij geeft bijkomende inlichtingen en voegt er een schets bij (noch de bijkomende inlichtingen, noch de schets zijn op de fiche weerhouden, jammer).

 

18/8/1920 : de zoektocht naar sergeant- majoor Soenen (4 Linie, 8ste compagnie) wordt aangevat. Deze zou een getuige van de dood van Scherpereel zijn.

Deze antwoordt op 25/11/1920 en geeft bijkomende inlichtingen (weer niet weerhouden wat deze zijn) en laat weten dat hij nog meer bijkomende inlichtingen kan verschaffen.

 

17/12/1920 : adjudant Blanckaert (24 linie) wordt aangeschreven met verzoek of hij informatie kan verstrekken.

Hij antwoordt op 20/12/1920 met inlichtingen en een schets

Het hoofdbureau van de SSM geeft al deze inlichtingen door aan de commandant van Sector I van de SSM.

 

Vader Henri wordt aangeschreven op 16/9/1921 met het verzoek om uiterlijke kenmerken op te geven van zijn zoon. Hij geeft deze op 16/11/1921.

 

Op 5/5/1922 laat de commandant van het 24 linie weten dat Scherpereel zou zijn gesneuveld op 25/10/1914 tussen Nieuwpoort en Diksmuide.

 

Het overlijden van Scherpereel wordt uitgesproken bij vonnis van de Rechtbank van 1ste Aanleg van Brugge op 24/10/1922 (let op de datum) en ingeschreven in de registers van de gemeente Dudzele.

 

Op 6/12/1922 wordt het dossier bij de SSM afgesloten.

 

Lodewijk is volgens deze informatie niet begraven geweest in het latere overstromingsgebied maar aan Belgische zijde.  Er zou dan ooit een bekende begraafplaats in de frontzone geweest zijn waarbij de gevolgen van oorlog z’n graf verzwolgen hebben.  Lodewijk Scherpereel heeft geen gekend graf nagelaten.

 

Gemeentesecretaris Van Lerberghe

Dhr.Raf Scherpereel meldt ons het volgende aangaande de inbreng van dhr.Van Lerberghe:

mijn grootvader Hendrik is gemeentesecretaris benoemd op de raadszitting van 19 juli 1895 en zijn ontslag werd aanvaard op de raadszitting van 7 september 1916. Op dezelfde raadszitting van 7 september 1916 werd mijn vader Antoon gemeentesecretaris benoemd . Hij is dat onafgebroken gebleven tot zijn pensionering in 1960.  Karel Van Lerberghe is dus met zekerheid nooit gemeentesecretaris van Dudzele geweest.

 

Maar Karel Van Lerberghe was lang geen onbekende van de familie. Hij werd geboren te Woumen (Diksmuide) in 1899 en stierf te Gent in 1953. Voor hij naar Gent verhuisde was hij gemeentesecretaris van Woumen. Het moet in die laatste hoedanigheid geweest zijn dat hij, waarschijnlijk in overleg met mijn grootvader of vader, navraag bij de overheid heeft gedaan.  Het is dus terecht dat hij ondertekende als gemeentesecretaris maar niet van Dudzele, wel van Woumen.  Het is mogelijk dat hij als gemeentesecretaris van een gemeente op de frontlijn geacht werd meer ervaring in dit soort speurwerk te hebben.

 

Besluit

Historisch bestaat er een beeld van vreugde en mensenmassa’s die samentroepten op de voornaamste plaatsen in de grotere steden bij het uitbreken van de Grote Oorlog.  We kunnen voorzichtig stellen dat dit beeld niet altijd strookte met de werkelijkheid.  De nakende dreiging en daarna het nieuws van de oorlog (4 augustus 1914) hing vaak als een donderwolk over de gemeenschap.  Menig jongeman was ongelukkig gestemd toen hij het marsorder persoonlijk uit handen van de plaatselijke veldwachter ontving.

 

Lodewijk Scherpereel was van de lichting 1913 (men diende z’n militaire dienst toen immers te vervullen in het jaar waarin men twintig werd) en was in dienst toen de mobilisatie uitbrak.

 

Hij sneuvelde op 24 oktober 1914 in de hoek Schoorbakkebrug – Schoorbakke - Pervijze – Halte van Booitshoeke op het grondgebied Pervijze.

 

In juli 1915 verscheen z’n naam in het boekje “Première Liste des Soldats Belges Morts pour la Patrie” van het Rode Kruis.  Hierin wordt vermeld dat hij sneuvelde ergens tussen 6 oktober en 3 november 1914.  Er is geen informatie bekend aangaande een begraafplaats noch andere.

 

Z’n naam verschijnt opnieuw in het najaar van 1915 in één van de zes lijsten met gesneuvelden van de krant “Het Volk” die telkens verschenen onder de vorm van een klein boekje (meer bepaald de “Vierde Lijst” met “Namen van gesneuvelde Belgen, met omstandige omschrijving en volgens alphabetische orde gerangschikt”). 

 

De geschiedenis heeft haar sluier geworpen en laat ons weinig of niet meer toe nog dieper in detail te gaan omtrent de omstandigheden van zijn dood. 

 

Wie deze mooie streek te voet of met de wagen bezoekt, zal zich realiseren dat hij een massagraf doorkruist.

 

Gebidsprentje

Aandenken

Deze tekst wordt door de schrijver opgedragen aan dhr.Fernand Decklerk (°1931 / + 2007).
Dankwoord

Geschiedenis herschrijven kan men niet alleen.  M’n bijzondere dank gaat uit naar volgende personen (in vrije volgorde):

Mevr.Lucienne De Vuyst

Mevr.Bernice De Vuyst

Dhr.Martin Van Acker

Dhr.Raf Scherpereel

Dhr.Herman Scherpereel

Dhr.Raymond De Vuyst

Dhr.Danny Wilssens (In Flanders Fields Museum, Ieper)

Dhr.Xavier Van Tilborgh (Evere)

Dhr.Rob Troubleyn (Dienst Oorlogsgraven, Belgisch leger)

Dhr.Degrande Wim

 

Bibliografie

  1. VAN LOON, A., Kalmthout aan de IJzer.  Uitgave van de Oudheidkundige Kring van Kalmthout, 1998.
  2. Voilà les 8e, 28e de Ligne et 8e de Forteresse pendant la guerre 1914-1918. l’ Imprimeur Ferd.Wellens-Pay, Brussel, 1937.
  3. Geschichte des Reserve-Infanterie-Regiments Nr.35. Herausgegeben von der Kamaradschaftlichen Vereinigung, Berlin, 1935.
  4. Deckers’ Dagboek 1914-1919.  Notities van een oorlogsvrijwilliger.  Uit het Frans vertaald door A.Gysel.  Uitgave van Snoeck-Ducaju & Zoon, Gent, 1999.
  5. VAN LEENE, P., Op naar de Grote Oorlog. De Klaproos, Koksijde, 2001.
  6. ’T SERCLAES, Flanders and other Field.  Memoirs of the Baroness de T’Serclaes, MM. Uitgeverij George G.Harrap & Co. Ltd, London, 1964.
  7. SCHOUP, J.-G.,  In Vlaanderen heb ik gedood. W.L.&J.Brusse N.V., Rotterdam, 1932.
  8. GORREMANS, L., Mosaïque de guerre 1914-1918.  Uitgeverij J.-E.Buschmann Antwerpen, zonder datum.
  9. PETERS, P.-J., Rien à signaler. Editions de “La Dryade”, Virton, 1967.
  10. MALO, H., Le Drame des Flandres.  Un an de guerre 1er août 1914 – 1er Août 1915.  Librairie académique Perrin et Cie, Paris. 1916.
  11. DURNEZ, G., Een bloem in het geweer.  Heideland Orbis, Vlaamse Pockets, Hasselt, 1969 (tweede druk).
  12. BUFFEL, C., Oudstrijders getuigen over wereldoorlog 1914-1918. Uitgave in eigen beheer, Zedelgem, 1986.
  13. VERSCHAEVE, C., Oorlogsindrukken. Geannoteerd door D.Vanacker en R.Vanlandschoot, Gent, 1996.
  14. GLEASON, A., Golden Lads.  McClelland, Goodchild & Stewart, Limited, Toronto, 1916.
  15. NYSSENS, A., La Bataille de l’Yser.  La Renaissance du Livre, 1959.
  16. SENESAEL, M., De IJzerslag 1914.  Druk nv Vonksteen Langemark, 1964 (2de druk).
  17. Historisch verloop van het 4de Linie-regiment, zonder auteur, zonder datum (originele gestencilde versie).
  18. CROIX ROUGE, Première Liste des Belges Morts pour la Patrie, 1915.
  19. HET VOLK, Gestorven voor ‘t Vaderland, vierde lijst.  Gent, drukkerij “Het Volk”, 1915.
  20. http://www.collegeveurne.be/inhoud/lzone/lesbestanden/geschiedenis/projectgesned/becue.html
  21. HANS, A., De Groote Oorlog.  L.Opdebeek, Antwerpen, 1919.
  22. In de modderbrij van de IJzervallei.  Oorlogsdagboek 14-18 van onderluitenant Raoul Snoeck.  Uit het Frans vertaald door A.Gysel.  Uitgave van Snoeck-Ducaju & Zoon, Gent, 1998.
  23. DELANNOO, E., De eerste Duitsers over de IJzer.  Het 26ste RIR.  Shrapnel, artikel, vierde kwartaal 2002, WFA België.
  24. Volksboek.  Van den Grooten Oorlog. Elfnovembergroep, uitgave Malegijs, Kemmel, 1978.
  25. Bulletin Belge des Sciences Militaires. Etat-Major Général de l’Armée, artikel, Tome II, n° 5, novembre 1928.
  26. VAN DER ESSEN, L., Inval en oorlog in België.  Van Luik tot den Yser. Vierde deel, De Vlaamsche Drukkerij, Leuven.

 

Foto’s: collectie P.De Vuyst

Tekst: P.De Vuyst

Vertalingen naar het Nederlands: P.De Vuyst

De toenmalige woonplaats van de familie Scherpereel te Dudzele anno 2007.