Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

KAMIEL VANDEWEGHE

 

Kamiel Vandeweghe

Dudzele, °4 juni 1896

Brugge, + 7 november 1918

 

 

Eenzame schaduwstilte

 

Inleiding

Tussen de soldaten aan het front heerste een grote honger naar informatie.  Informatie over dorpsgenoten,  familie uit het bezette gebied en  de situatie in het dorp.  Daarnaast getuigde de nieuwsgierigheid, naar de toestand waarin andere soldaten verkeerden, van een sterk ontwikkelde zin van broederlijkheid.  Lijsten met gewonden, gesneuvelden, bevorderden en adressen van eenheden en krijgsgevangenen werden steeds druk opgezocht, uitgewisseld en bekeken.   Er was ook het hunkeren naar thuis, het eigen nest, de zucht van heimwee naar het vertrouwde dorpsleven, maar ook de rouw om het moordend oorlogsgeweld.

Kamiel zou zelf sneuvelen en uiteindelijk sterven in de normaalschool, toen nog enkel voor meisjes, in de Sint-Jorisstraat te Brugge.  Deze school deed toen dienst als militair hospitaal onder leiding van het Rode Kruis.  Hij overleed aldaar op 7 november tengevolge van een kwetsuur opgelopen op 1 november 1918. 

De levenswandel die voor Kamiel uitgestippeld was, was geen eenvoudige weg.  Kamiel kwam bij z ’n geboorte in Dudzele, in de ouderlijke boerderij van Isabella, met een schreeuw in het leven.   Toen hij finaal op een ziekenhuisbed stierf, aan de gevolgen van een verwonding opgelopen aan het front, schreeuwde hij een laatste keer en kwam op de lijst van de doden. 

Van bij de geboorte had hij als kind, van een ongehuwde moeder, minder kansen tot slagen in het leven gekregen.  Toen z’n moeder Isabella daarenboven veel te jong kwam te sterven, was hij plots een wees.   Tante Marie-Celeste zou zich, als een zorgzame pleegmoeder, over Kamiel ontfermen.

Zo ongepland Kamiel in het leven kwam, zo onverwacht en snel werd hem het leven terug ontnomen.  Het levensverhaal van Kamiel werd abrupt ontwricht door een granaatontploffing.  De chirurgen konden de zeer ernstige kwetsuur aan arm en borst en het daarmee gepaard gaande overmatige weefselverlies niet meer herstellen.  Een volle week heeft Kamiel in de Sint-Jorisstraat gevochten om z’n levensverhaal verder te zetten.  Alsof z’n verhaal nog een plaats verdiende,  alsof z’n laatste schreeuw nog diende gehoord te worden.  Op een fantastische manier is het verhaal van Kamiel niet eenzaam weggekwijnd in vergetelheid maar is ze blijven bestaan.  En dat heeft alles te maken met de familie Robert Costenoble en de Dudzeelse bevrijdingsfeesten, ingericht door NSB, in 2004.

De zoektocht: Christel, Amandine en Robert, Watergang, Dudzele

Het huis bevindt zich helemaal in het begin van de Watergang.  Aan het huis wordt naarstig verbouwd.  Binnen heerste een zachte gastvrije warmte.  Dochter Amandine zat iets verder in een driezit nabij een grote kast.  Zij puzzelde een 3D wereldbol geduldig in elkaar.  Robert, Christel en ikzelf zaten aan een ronde tafel.  De koffie was huiselijk heerlijk.  Buiten lag alles wit en glad. 

Christel werkte aan een decoratief stukje en vlechtte takken en koord creatief door elkaar.  Robert haalde ondertussen enkele oude medailles en een zeer dik en oud boek te voorschijn.  De ruwe handen van deze schrijnwerker handelden verrassend fijn en zorgzaam. 

Robert en Christel brachten elk een verhaal.  Oude verhalen.  Verhalen gekleurd door zoveel samenlopen van omstandigheden dat het woord “toeval” zich beschamend terugtrok.  De begeestering waarmee gesproken werd, verraadde veel meer dan enkel zorgzaamheid voor deze oude materiële zaken.  De aandacht voor oude verhalen deden de tijd even halt houden bij mensen die lang voor ons vertrokken waren. Hier waren niet alleen wij, maar ook oude foto’s, gebidsprentjes en herinneringen aan naasten.

Ondertussen puzzelde Amandine symbolisch, beetje bij beetje, verder aan een betere wereld; hopelijk één zonder oorlogen.  Het was toen 4 december 2010 en een koude zaterdagnamiddag.

De speurtocht: Christel, Maria, André en André, Ramskapellestraat, Lissewege

Geschiedenis schrijf je nooit alleen en het zoeken naar informatie ging verder.  Na een avontuurlijke autorit over verharde en minder verharde wegen, dwars doorheen een flink stuk polder in de achterhaven, vonden we letterlijk het licht aan het einde van een stikdonkere tunnel vol plassen en putten.  André en Maria hadden de “stôres” nog niet laten zakken en het licht in de beste platse gidste ons als Drie Koningen naar de kribbe Jezus.   Het was donderdagavond 6 januari 2011.  In de auto zaten André Proot, voorzitter NSB, Christel Henneco en schrijver dezes. 

De welkomst en sfeer bij Maria en André was gemoedelijk en gezellig op oerechte Vlaamse wijze.  Maria Van Belleghem leidde ons als een perfecte co-pilote doorheen familieverbanden.  Via haar vaders kant was zij familie van Isabella, Nathalie, Charlotte en Marie-Celeste Vandeweghe.  Het verhaal kreeg stilaan vorm.

De geboorte

Kamiel was het kind van Isabella Vandeweghe.  Zij was een ongehuwde zwangere boerendochter.  Isabella haar ouders waren Philip Vandeweghe en Isabella Jacxsens en waren woonachting in Dudzele, sectie E.  De toenmalige Dudzeelse vroedvrouw hielp Kamiel in de voormiddag van 4 juni, omstreeks 10 uur, op de wereld.   Vroedvrouw Sidonia Tytens, Hendrik Scherpereel en Edmond Schotte ondertekenden samen de geboorteakte van Kamiel in het bijzijn van burgemeester Monballiu.  Isabella Vandeweghe werd geregistreerd als landwerkster.  Zij was toen, in 1896, 23 jaar oud.

Isabella haar zus, Marie-Celeste, was van 1877 en aldus drie jaar jonger dan haar zus.

Soldaat

Ongehuwde Dudzelenaar Kamiel Vandeweghe maakte deel uit van het 3de regiment Jagers te Voet.  Hij was soldaat 2de klasse en nam als 19-jarige dienst in het leger op 5 juli 1915.  Op 1 oktober 1917 was hij aanwezig bij het 3de Jagers te Voet meer bepaald bij de 12de compagnie (in militair jargon: 4/III/3J).  Hij stond genoteerd als ongehuwd en was 1.69m groot.  Z’n haren waren licht kastanje bruin.  Als beroep was opgegeven landbouwarbeider.  Een beroep dat hij nooit meer zou uitoefenen.

Kamiel z’n correspondentieadres (briefwisseling) was in 1918:

Soldaat Kamiel Vandeweghe

Z89 4/III

Armée Belge en Campagne (ABEC)

 

Oorlog

De eerste wereldoorlog sleepte zich eind 1918 naar z’n catastrofale einde toe.  Elk dorp, elke stad had gesneuvelden, verminkten of andere slachtoffers zoals weduwen en wezen te betreuren.  Als een ziekte grijnsde de strijd verder, terwijl de oorlog psychologisch zo goed als beslecht was.  Het Duitse leger was na 4 jaar strijd leeggebloed; fysisch en psychisch.  Het kon onmogelijk langer standhouden.  De genadeslag zou spoedig volgen maar gevaarlijk als een gekwetst dier zou het Duitse leger van zich afbijten; hard en fel.

Het grote bevrijdingsoffensief, die uiteindelijk zou leiden de overwinning, was gestart op 28 september 1918 en zou in drie fasen verlopen.  Hierbij zou de derde fase een aanvang nemen op 31 oktober.

Kamiel maakte als infanterist deel uit van de 5de Division d’Armée (D.A.) onder luitenant-generaal Rucquoy.  De 5de D.A. bestond op haar beurt uit de 5de en 11de Divisions d’Infanterie (D.I.).  Het 3de Jagers te Voet maakte deel uit van de 11de D.I. of de Jagerdivisie.

De 11de D.I. werd aan de Groepering Zuid toegewezen bij de opstart van het bevrijdingsoffensief.  Dit was dezelfde groepering als waartoe Jozef De Vuyst behoorde (zie NSB brochure 4).

Reporter Abraham Hans zegt ons het volgende over het succesvolle offensief: “De uiterste rechtervleugel van de Duitsers hing als in de ruimte, achter het kanaal van Schipdonk.  Deze vaart loopt eerst evenwijdig met het Leopoldkanaal, maar buigt zich verder af en richt zich dan zuidwaarts naar Deinze, aan de Leie.  En de Duitse frontlinie boog mee.  Dan volgde de linie de Leie tot Kortrijk, en liep verder naar Doornik.  Zo was rond 19-20 oktober het front in Vlaanderen.  Noordelijk stonden aan geallieerde zijde Belgen, en ten zuiden van hen, waren Fransen, Amerikanen en Engelsen.”

Kamiel is uiteindelijk overleden aan verwondingen opgelopen tussen Maldegem en het Leopoldkanaal, wellicht ter hoogte van de Ronselestraat in de buurt van het afwateringskanaal van de Leie (ten noorden van Zomergem).  Dit kanaal is beter bekend onder z’n bijnaam, de “Stinker”.  Een hevige beschieting door de Duitse artillerie, op 1 november 1918, op de Belgische troepen zorgde voor een laatste grote ravage.  Kamiel werd dodelijk getroffen op Allerheiligen.  Dit in het zicht van het einde van de Grote Oorlog.

Hospitalisatie

Het bevrijdingsoffensief zorgde ervoor dat na jaren van loopgrachten en modder aan de IJzer er eindelijk vooruitgang werd geboekt.  De Duitsers werden, niet zonder slag of stoot, achteruitgedreven.  Verliezen waren hoog aan beide zijden.  De Belgische soldaten verlieten een gebied van kapotgeschoten landschappen en dorpen en kwamen voor het eerst terug in een groene en vrijwel ongeschonden omgeving.  Overal werden de soldaten, de bevrijders, overladen met attenties.  Maar de strijd duurde verder.  De zorg voor gekwetste soldaten, onder de vorm van veldhospitalen, diende het strijdtoneel zo goed mogelijk te volgen.  Het grote vermaarde militaire hospitaal “l’Océan” uit De Panne, in handen van het Rode Kruis, zou van zodra mogelijk opnieuw verhuizen, ditmaal naar Brugge.  Na de verovering van Gent zou dan opnieuw verhuisd worden naar de binnenstad van Gent.

Op 19 oktober 1918 werd Brugge bevrijd.  Onmiddellijk werd al het mogelijke gedaan om het hospitaal te verhuizen naar de normaalschool in de Sint-Jorisstraat te Brugge (n° 67).  Er werd plaats gecreëerd voor 1000 gewonden en dit over verschillende zalen.  Het gebouw leende zich hiertoe uitstekend. Gekwetsten werden sindsdien van het front met ziekenwagens (motor aangedreven ambulances) zo snel mogelijk naar Brugge gebracht.  Op 1 november lagen de Belgische troepen reeds voor het kanaal Gent – Terneuzen, ten westen van het afwateringskanaal van de Leie.  Het Schipdonkkanaal oversteken werd door de Duitsers ten zeerste bemoeilijkt gezien dit een goed verdedigbare positie vormde (de zogenaamde “Lys-Stellung”).  Aldus werden vele gekwetsten van de “Slag aan de Ronsele” naar Brugge overgebracht.  Zo ook Kamiel.

Kamiel overleed in de normaalschool op 7 november 1918 om 07.45u ’s morgens.  Z’n kist werd reeds de volgende dag met paard en kar naar de begraafplaats te Steenbrugge overgebracht.  Hij werd aldaar ter aarde besteld om 09.15u ’s morgens.

Frans Smits en “Het Huis der Smart”

Eertijds bewees het prachtig literaire werk “Het Glorielooze Lot” van dr.Albert Van Driessche een belangrijke ondersteuning te zijn tijdens het zoeken naar informatie met betrekking tot Louis Timmerman.  In een gelijkaardige zin bewees het uitstekende boekje “Het Huis der Smart” van groot belang te zijn om de omstandigheden van het overlijden van Kamiel beter te kunnen schetsen en vooral de gevolgen van de “verbeesting” die oorlog met zich meebrengt.  Voor de hierna volgende tekst werd dan ook vooral gebruik gemaakt van het eerste literaire autobiografische werk van de heer Frans Smits.  Hier en daar werd de tekst wat aangepast om beter in dit kader te passen. 

Aan het front

In een oogwenk was de kalme vrede, die een poos boven de loopgraven zijn zachte begoocheling laten dromen had, verjaagd en aan flarden gereten door de sissende kogels.  Een nieuwe bom viel midden tussen twee loopgraven in en deed de grond schudden als bij een aardbeving.  De stilte, die volgde op de geweldige schok, was akelig als de dood.

Iemand riep uit de donkerte:

“Niemand gekwetst?....”

Geen antwoord.

“Soldaat Vandeweghe?...  Soldaat Vandeweghe?... zocht een andere stem.

“Hie…Hier!..., zuchtte Kamiel.

Een officier sprong toe in de richting van de kreunende stem, en deed voorzichtig, om door de vijand niet gezien te worden, zijn electrisch zaklampje schijnen en bemerkte het bloed op soldaat Vandeweghe.

“Ik…ik geloof…”, stamelde Kamiel en wilde zich overeind zetten, maar hij viel terug neer, in bezwijming.

“Aan de borst?... Slecht!...”, peinsde de officier luidop.

En zich omkerend, bevat hij, kort: “Snel, twee brancardiers hier!...”

Evacuatie van het front van een zwaar gekwetste.  1918.

Hospitaal

Toen Kamiel terug tot bezinning kwam, scheen het hem alsof hij uit een zware, zenuwachtige slaap ontwaakte.  Hij voelde een knagende hoofdpijn en een stramheid in de leden.  En plotseling, met een bliksemende snelheid, herinnerde hij zich: rrang!...  een verschrikkelijk losbranding, een gele vlam, die een ogenblik een dikke rookwolk verlichtte, een geweldige slag tegen het hoofd en de borst… (-)

Hij leefde!  Hij leefde!...  Die gedachte sprong nu los in zijn koortsig hoofd en tegelijk vulde zich zijn hart met zo’n heerlijk-blij gevoel van ontsnapt te zijn, gelijk hoe, aan de moordende dood, die hij een ogenblik van aangezicht tot aangezicht gezien had, dat hij zich voelde wegzinken in een weke tederheid, welke hem tranen naar de ogen en snikken in de keel joeg…

“Moeke…, lispelde hij zachtjes…  Zij was de eerste, waaraan hij dacht, zijn eigen toestand een ogenblik vergetend, maar meer en meer voelde hij de pijn op twee of drie plaatsen samentrekken. (-)

Indien hij eens dodelijk getroffen was, dan zou hij al de schoonheid, die het leven hem nog brengen kon en dat hij slechts ten volle begon te genieten, moeten missen.  Het angstzweet brak hem uit langs al de poriën van zijn lichaam, de koorts deed zijn bloed sneller jagen door de kloppende aders, zenuwachtig wilde hij zich draaien en keren maar hij voelde zich machteloos. (-)

Moeder

Kamiel, zenuwachtig, koortsig van het bloedverlies, en de reactie van het lauwe water, rilde over gans zijn lichaam.

“Hebt ge pijn”; vroeg de dokter.

“Nog…nogal”; klappertande Kamiel (-)

Kamiel hoorde gedempte voetstappen zich verwijderen, die vlug uitstierven en plotseling voelde hij zich alleen en verlaten in een grote akelige eenzaamheid, evenals vroeger toen hij, heel klein nog, zijn moeder hoorde weggaan langzaam en stil, op de tenen, na hem te bed gelegd, goedenacht gekust te hebben, en hij alleen bleef in de grote, donkere kamer.  Wat zou zijn moedertje ongelukkig zijn, indien ze hem zo moest weten. (-)

Nooit had hij de dood zo verschrikkelijk van dichtbij gezien en gevoeld, maar nooit had hij ook zo hevig, zo sterk gewild te leven en met de rechterhand door het wollige hemd heen, zijn borst betastend, voelde hij met een ware wellust zijn hart kloppen snel en luid. (-)

Kamiel probeerde zich tevergeefs stil te houden maar de pijn deed hem regelmatig en eentonig kreunen.  Stilaan werd dit kreunen zwakker en reutelend, alsof zijn luchtpijp zich langzaam vulde met water. (-)

Met bevende hand bracht Kamiel een tas aan de hete lippen en dronk een lange teug van de frisse melk.  Hij voelde het vocht dalen, traagjes, in zijn verhitte borst. (-)

 

Brugge, de normaalschool in de Sint-Jorisstraat net voor de Grote Oorlog.

 

Brugge

“Maar, zeg eens, in welk gasthuis ben ik nu eigenlijk?”

“Wel in het militair hospitaal van Brugge in de normaalschool in de Sint-Jorisstraat , het verlengde van het grootste hospitaal van het front in De Panne l’Océan.”

Plotseling rees voor zijn geest op, het grote majestueuze gebouw.  Hij was niet ver van huis, van Dudzele. (-)

En nu hij zich daar wist, tussen de zachte blanke lakens van het kleine, ijzeren bed, was het hem alsof in zijn hoofd steeds het geheime voorgevoel geleefd had, zijn gemarteld vlees zou dit grote huis der smart niet levend verlaten. (-)

Een grote granaatscherf had het vlees aan de linkerzijde van de borst opengereten, aan flarden gescheurd en verbrand en ribben tot splinters verbrijzeld.  Het was bedroevend dat jonge, vaste, rozige vlees te zien, veeleer gemaakt om te strelen en te kussen, en nu zo afgrijselijk verminkt door een grauw stuk ijzer. (-)

Het lijden

Op de rug uitgestrekt, in het smalle ijzeren gasthuisbeddeken, leefde hij in een vaag gedroom, half in de werkelijkheid, half in een vreemden, dronken slaap.  Zijn ogen brandden en staken alsof hij nachten lang geweend had en een knagende pijn lag als een te strak gespannen stalen band om zijn borst gesmeed. (-)

Kamiel hoorde overal de dood, die met het leven worstelde in ongelijke strijd.  Hij hoorde zichzelf onophoudend klagen en zuchten en dezelfde, altijd zelfde klank tussen zijn lippen uitstoten. (-)

“Comment va le soixante-huite?”; vroeg de dokter, terwijl hij met opgestoken handen, die niets mochten aanraken, de zaal binnentrad. (-)

Toen de verpleegster de dekens opensloeg en het met geelgroene kringen doordrongen verband begon af te winden, walmde er zwaar een verpestende geur van verrotting door de kamer.  Kamiel kermde aanhoudend op een klagende toon, die reeds aan een doodsgekreun denken deed.  Maar ondanks al het wrijven en plassen en reinigen, hield die walgelijke geur aan, sterker dan van een in ontbinding liggend lijk.

 

Toen de dokter eindelijk klaar was en voor Kamiel’s bed zijn handen stond te schrobben en te ontsmetten, lispelde hij:

“C’est la gangrène en plein…  Quelle peste!”

En na een poosje stilte, voegde hij er bij, kalm en koud:

“C’est fini.” (-)

Het einde

De koorts nam steeds toe.  Een traag, smekend gekreun ontsnapte aan zijn magere, samengedrukte borst, nu en dan onderbroken door enige rappe zuchten, hijgen om wat verse lucht.  Maar de dood, alhoewel geholpen door de besmetting, kon het slechts met moeite halen tegen het stoere boerenlijf, dat zich verzette en verdedigde tot het uiterste.

En de doodstrijd duurde dagen.

Nu en dien hield het regelmatig kermen op en dan begon de stervende te ijlen, verweerde zich tegen een ingebeelde vijand, riep, huilde, vloekte en tierde, zwaaiend met zijn uitgemergelde armen, verzamelde al wat hem nog aan krachten overbleef om zich overeind te zetten in zijn bed, met een geel, bezweet gelaat. (-)

Dan, ineens, alsof er een veer in zijn binnenste sprong, strekte zich zijn lijf als een kalm en dood lichaam, en begon weer zijn kermend:

“Eu…eu…eu…eu… (-)

Zijn lange, beenderige, uitgedroogde vingers krabden en grepen over het witte laken als zochten ze naar een laatste steun, naar een laatste redplank, om er zijn zinkend leven aan vast te klampen en boven te houden. (-)

Een weinig later kwam de verpleegster bij Kamiel terug en zei fluisterend, alsof ze vreesde dat de afgestorvene het nog zou gehoord hebben:

“Hij is dood, de sukkelaar.”

En dat was de enige lijkrede uitgesproken over een held.

 

7 en 8 november 1918

Op 7 november werd heel vroeg, door middel van radiocommunicatie, een eerste regeling met Duitse gevolmachtigden getroffen om tot een wapenstilstand te komen.   Op diezelfde 7 november kwam Kamiel ’s morgens te sterven. 

De trein met de Duitse gevolmachtigden kwam vervolgens op 8 november aan te Rethondes (Frankrijk) en de eerste ontmoeting tussen beide tegenpartijen begon om 09.00u.  Op dezelfde dag 8 november om 09.00u begon een beperkte dienst voor Kamiel, gevolgd door de ter aarde bestelling om 09.15u.

Op de bijeenkomst te Rethondes werd aan de Duitsers, op dat moment, éénzijdig medegedeeld dat een wapenstilstand zich zou voltrekken om 11.00u van 11 november 1918.

De dood van Kamiel en de gelijklopende data en tijden illustreren pijnlijk de wreedheid van oorlog.  Tegelijkertijd geeft dit het sterven van Kamiel een bittere nasmaak.

Het Belgisch leger heeft in 1918 een grote bijdrage geleverd aan de beslissende eindstrijd.  Naast terreinwinst, was een enorme buit het resultaat: 30.000 Duitse gevangenen, 500 stuks geschut en 12.000 mitrailleurs.  De kost van de overwinning was echter zeer groot: meer dan 30.000 Belgische soldaten gedood of gekwetst. 

In 2011 krijgen de cijfers 11-11-11 extra aandacht in de media.  Deze cijfers staan symbool voor het einde van de Grote Oorlog en dit op de elfde dag, van de elfde maand, om elf uur.  Het verhaal van Kamiel geeft aan deze cijfers een wrange toets en toont aan dat de realiteit aan het front er nog steeds één was van bittere ernst en overleven, en dit tot op de allerlaatste momenten. 

 

Marie-Teste, eenzame schaduwstilte en familieverbanden

Enkele weken, na het overlijden van Kamiel, vroeg een andere zus, Charlotte Vandeweghe, een zielsmis aan voor Kamiel in de plaatselijke Dudzeelse kerk.

Op 11 november 1918 om 11 uur luidden de Dudzeelse klokken, op feestelijke wijze, voor één vol uur.  In veel Dudzeelse gezinnen en families ontbrak het echter begrijpelijk aan een feeststemming.

Marie-Teste, 20 februari 1951

 

Marie-Celeste Vandeweghe of Marie-Teste zou weinig of nooit over “haar” aangenomen kind, of het kind van haar zus,  spreken.  Marie-Celeste was meer dan waarschijnlijk aanwezig geweest bij Kamiel net na z’n overlijden.  Zij ontving daar wellicht bij de kisting in de normaalschool te Brugge (Sint-Jorisstraat) de weinige persoonlijke bezittingen van Kamiel maar waaronder het unieke kenplaatje.  Het plaatje droeg het nummer 57928.  Dit naam- of kenplaatje had Kamiel als soldaat steeds gedragen rond de pols of op de borstzak (zie foto).

De “matricuul” (of het kenplaatje) en de later postuum ontvangen medailles werden door Marie-Teste als een relikwie zorgvuldig bewaard.  Haar eigen huwelijk, met Frans Blommaert, zou zelf niet gezegend worden met kinderen. 

Fransiscus “Cissen” Blommaert

Onder familie sprak Marie-Celeste heel soms over Kamiel.  Er werd elke drie maanden een overheidstoelage ontvangen als gevolg van het sneuvelen van Kamiel.  Over het bezoeken van een graf werd nooit gesproken.  Het leven moest voortgaan.

In pijn en verdriet had ze in haar ziel een nieuw leven gecreëerd voor de overleden Kamiel.  Ontastbaar diep van binnen.  Vaak zou Kamiel haar bezoeken in herinneringen en, dit heel soms, totaal plots en ongevraagd.  Dan schrok Marie-Teste maar evenvaak glimlachte ze heimelijk en dankbaar voor dit schaduwstil verschijnen in de eenzame momenten in haar lange leven onder de levenden.

Weduwe Marie-Celeste vierde haar verjaardag voor een laatste keer op 9 april 1975 (zij werd geboren op 9 april 1877 en kwam te sterven op 10 april 1975).  Ze was deze dag 98 jaar oud geworden en in een rustoord (een “gesticht”) zouden ze haar niet krijgen.  Het verjaardagsfeestje vond plaats in de Ramskapellestraat nummer 2 bij Maria en André Boey waar ze toen reeds een drietal maanden verbleef.  Naarmate het einde van een leuke avond naderde, werd Marie-Celeste steeds onrustiger en verplaatste zich meerdere keren van zetel of stoel.  Maar niet de canapé, dat was voor “oude wûven”.   Niemand kon het zien aankomen maar Marie-Teste was zich toen reeds onbewust aan het “nesten” voor wat komen zou.  Diezelfde nacht zou ze rustig heengaan in haar slaap. 

Marie-Celeste was een achternicht voor Maria Van Belleghem.  Maria Van Belleghem werd geboren te Dudzele in de Waterhofstedestraat in 1926.  Haar vader was Edgard Van Belleghem (gehuwd met Madeleine Knockaert).  Vader Edgard zijn ouders waren Camiel (°1858) en Juliana Jacxsens.   Juliana Jacxsens was de zus van Isabella (de moeder van Kamiel).  Met andere woorden Marie-Celeste Vandeweghe was een volle nicht van Edgard Van Belleghem.  Maria Van Belleghem en Kamiel Vandeweghe deelden aldus evenzeer dezelfde overgrootvader met de naam Jacxsens, in beide gevallen langs moeders kant.

Marie-Celeste was gehuwd geweest met Cissen Blommaert.  Isidoor Blommaert was een broer van Cissen.  Christa Blommaert is op haar beurt de dochter van Cyriel, zoon van Isidoor.    Kamiel Vandeweghe was, als aangenomen kind van Marie-Celeste en Cissen Blommaert, een neef van Cyriel en is logischerwijze een achterneef voor Christa.  En zo is het huidige Dudzeelse gezin Dhondt-Blommaert samen met hun kinderen verbonden met een stukje verleden.

 

De eenzame schaduwstilte van een kast

Marie-Teste woonde in de Watergang, huisnummer 15.  Haar buurvrouw, in huisnummer 13, was Emma Cadron of Matje Koekhoet.  Matje was gehuwd met Jules Costenoble.  Emma en Jules waren de grootouders van Robert.

Toen Marie-Teste kwam te overlijden, kwamen een dik boek, een doosje met enkele dingen die op medailles leken en een naamplaatje, in handen van haar vriendin Emma en Jules.  Uit respect voor Marie-Teste werd voor deze vreemde kleinoden goed zorg gedragen.  Maar de tijd eiste z’n recht en toen ook Emma en Jules stierven, erfde kleinzoon Robert een mooie grote en diepe houten kleerkast met prachtige deuren.  Een kast die niet alleen een prominente plaats opeiste in de voornaamste plaats, maar ook een poort wou zijn naar herinneringen aan een verdwenen geliefde generatie.  De grote kast droeg immers een raadsel: een soort symbolische sleutel naar een stuk verleden en dit aan de hand van een verwijzing, namelijk naar een naam, een nummer en een metalen polsketting.  Verder was er nog dat dik boek, enkele medailles en op wat leek op een grote groene munt met lint, stond een verwijzing naar oktober 1914.

Het was pas jaren later toen Robert dezelfde naam terugvond in de herdenkingskapel, tijdens de NSB bevrijdingsfeesten van 2004, dat het mysterie een gezicht kreeg.  Bij de naam Kamiel Vandeweghe staarde een foto van een jongeman met fijne gelaatstrekken Robert aan.  Toen werd het voor Robert duidelijk dat Marie-Teste familie was geweest van deze Kamiel. 

Een dikke laag stof werd van het oude dikke boek geblazen en een titel werd zichtbaar; “Onze Helden”.  Het boek werd opengegooid op zoek naar antwoorden, maar daar was het toen nog te vroeg voor.  Het doosje relikwieën bleef Robert, letterlijk en figuurlijk, in z’n greep houden en na wat intens speurwerk werd het graf van Kamiel teruggevonden en bezocht in Brugge.  De vraagtekens werden uiteindelijk samen met NSB Dudzele opgelost.

Dit stuk Dudzeelse geschiedenis heeft zich onlosmakelijk deel gemaakt van het leven van Robert, Christel en Amandine.  Op hun beurt maken zij deel uit van een stuk verleden, nu, maar ook later.  De data 1 en 11 november zullen voor hen altijd een diepere betekenis dragen.

Met deze tekst werd gepoogd een gezicht te geven aan een verhaal dat, jarenlang in de eenzame schaduwstilte van een kast, schreeuwde om verteld te worden.

Als schrijver van deze tekst heeft het mij getroffen hoezeer het naamplaatje in dit verhaal een centrale rol heeft gespeeld.  Het is dan ook meer dan treffend dat we op de foto van Kamiel bijna opzettelijk duidelijk het naamplaatje uit de borstzak zien hangen, alsof Kamiel hiermee lang geleden reeds de sleutel tot het raadsel wou aanreiken om uiteindelijk tot dit verhaal te kunnen komen (zie foto op het eerste blad).

En Dudzele…daar is onze herdenkingskapel ondertussen een sacrale plaats geworden.


 

 

De militaire begraafplaats Steenbrugge (Brugge)

De Belgische militaire begraafplaats van Steenbrugge is een onderdeel van de stedelijke begraafplaats van Brugge te Assebroek (Steenbrugge).

Onmiddellijk na de intocht van de Belgen in Brugge op 19 oktober 1918, werd de bestaande begraafplaats in oktober en november 1918 nog verder aangevuld, aangezien er in Brugge nog andere Belgische medische installaties operatief waren (o.m. vanwege de epidemie van Spaanse griep).  Na de wapenstilstand vonden er herbegravingen en overbrengingen plaats.  In 1919 werd een afzonderlijke plaats aangelegd op de begraafplaats Steenbrugge voor de oorlogsdoden.  In 1924 dan was er een hergroepering en werden de officiële Belgische militaire grafstenen geplaatst.  De officiële Belgische grafsteen werd in 1920 ontworpen door de Brusselse architect Simons, in opdracht van het Ministerie van Landsverdediging.  Het duurde tot 1924 eer de grafsteen officieel werd voorgesteld.  Verder liggen er ook nog enkele burgers die gedood werden bij bombardementen op de stad en enkele verzetslieden. Oorspronkelijk was hier ook nog een Frans perk en lagen er ook Britten.  Vandaag liggen hier 611 militaire doden individueel begraven. Daarvan zijn er 523 van WOI: 507 geïdentificeerde Belgen, 1 geïdentificeerde Brit (uit 1919) en 15 ongeïdentificeerde Belgen.  Voor wat betreft de Belgen uit WOI zijn er 442 uit 1918 en 50 van later. Daarna zijn er het meeste doden van 1914. Slechts 2 zijn er uit 1915, 2 uit 1916 en geen uit 1917.  De doden liggen echter niet gegroepeerd volgens jaartal, wat op herbegravingen en/of hergroeperingen wijst.  De gesneuvelden bezweken aan hun verwondingen, een ziekte of een ongeval. Qua wapen- of dienstkorps is vooral de infanterie sterk vertegenwoordigd, daarna de artillerie, het vervoerkorps, de cavalerie en de genie.  

Kamiel kan men terugvinden onder het grafnummer 188.

Kleine Kerkhofstraat 62

 Er liggen in totaal 611 graven, waarvan 520 Belgen, 1 Brit en enkele onbekenden.

Opp.: 50 are
•Deze begraafplaats werd volgend het kadaster heraangelegd in het jaar 1925
•Dit Militair Kerkhof maakt deel uit van het burgerkerkhof.
•Hier werden de lichamen begraven van de militairen die overleden in de hospitalen
◦ aan de opgelopen verwondingen bij het verder zetten van het Bevrijdingsoffensief (vanaf oktober )
◦aan de Spaanse Griep

Dankwoord

Dhr.André Proot (voorzitter NSB Dudzele)

Dhr.Martin Van Acker

Dhr.en mevr. Robert en Christel Costenoble-Henneco

Mjffr.Amandine Costenoble

Dhr.en mevr. André en Maria Boey-Van Belleghem

Dhr.en mevr. Robert en Maria Huys-Coppens

Dhr.De Vuyst Raymond

Mevr.Ingrid De Smet

Dhr.en mevr.Noël De Smet - Demeulemeester

Dhr.Xavier Van Tilborgh (Evere, Brussel)

 

Met heel speciale dank aan Robert, Christel, Amandine en André Proot.

 

Bibliografie

Verbeke A. (redactie), Gazetje van Thielt.  Voor God en Vaderland, een passerelle naar 1918.  Drukkerij-uitgeverij Lannoo, Tielt, 1978.

Hans, A., De Groote Oorlog.  L.Opdebeeck, Antwerpen, 1920.

Smits F., Het Huis der Smart.  De Wilde Roos, Brussel, vermoedelijk 1920.

Jouret, G., Histoire de la Grande Guerre 1914-1918.  Imprimerie Commerciale et Industrielle, La Louvière, 1929.

Demuynck, M., De levenscyclus van de Dudzelenaar tijdens het interbellum (1920-1940).  Gebruiken in verband met geboorte, doop, liefde, huwelijk, dood en begrafenis.  Katholieke Universiteit Leuven, verhandeling, 2 delen, 1991.

Demeyere C., En toen was alles voorbij…of niet.  Tijdschrift Shrapnel, 4de kwartaal, 2010.

Verbeke R., Belgische postcodes in 1915-1918.  Tijdschrift Schrapnel, 4de kwartaal, 2010.

Melis, L., Contribution à l’histoire du Service de Santé de l’Armée.  Imp.Typo. de l’institut Cartographique Militaire, Bruxelles, 1932.

De Munck, L., De Grote Moeder in de Grote Oorlog.  In Flanders’ Fields Museum, Ieper, 2000.

Godfroid, J., Histoire vraie d’un condruzien.  De Fraiture à Laverdure.  Auguste Godefroid 1895-1938.  Private uitgave bij auteur, 2008.

De Vuyst P., Het 17de Linieregiment tijdens het bevrijdingsoffensief in Vlaanderen (eerste fase) en de nasleep van de oorlog.  Jozef De Vuyst en de rauwe waanzin van oorlog. Gelegenheidsbrochure 4 – versie 3, NSB, Dudzele, mei 2010.

Opdracht

Deze tekst wordt opgedragen in dierbare gedachtenis aan de heer Chris Costenoble en de heer Dirk Claerhout.  Zij zijn veel te vroeg van ons heengegaan.  Beiden konden of mochten hun eigen ware bestaan niet vinden in onze maatschappij.  Met beiden heb ik in ons klasje in de lagere school een groot stuk van mijn kindertijd gedeeld.

Afbeeldingen

Foto Kamiel Vandeweghe: via Martin Van Acker

Postkaart normaalschool Brugge: verzameling P.De Vuyst

Postkaart evacuatie van het front, 1918: verzameling P.De Vuyst

Afbeelding boek “Het Huis der Smart” van Frans Smits: verzameling P.De Vuyst

Foto naamplaatje: via Christel Henneco

Gebidsprentje Maria Vandeweghe: via Maria Van Belleghem

Gebidsprentje Kamiel Vandeweghe: via Maria Van Belleghem

Foto Maria-Celeste Vandeweghe en Frans Blommaert: via Maria Van Belleghem