Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Inleiding:

Jozef Vereecke en de tocht naar Amerika
Het Dudzele van toen in de periode 1898 - 1914
In de Kerkstraat te Dudzele bevinden zich enkele oude blauwstenen op het voetpad. Het sierlijke smeedwerk die er ooit als leuning hing, is verdwenen. De ingesleten stenen leidden je naar een centrale voordeur tussen twee ramen. Het huis was ooit de woonst van schoenmaker Andries Debel maar iedereen hem André.   De zus van André was Elisa. Zij werd aangesproken met Lisa.  André was een concurrent voor mijn grootvader Jozef De Vuyst die wat verderop woonde in diezelfde Kerkstraat.
André maakte of herstelde echter niet alleen schoenen. Het was een tijd waarin iedereen sprak over familie of kennissen die naar Amerika getrokken waren.    Het woord Amerika lag in ieders mond en iedereen kende wel iemand die daar was.  Amerika, het beloofde land, waar iedereen die werkte rijk kon worden. Veel Vlamingen hebben de oversteek gemaakt, zo ook veel Dudzelenaars. Jozef Vereecke was één van een aanzienlijke groep van een dertigtal Dudzeelse avonturiers.
Vertrekken deed je toen vanuit Antwerpen met een van de grote rederijen zoals “The Red Star Line”.   Andere rederijen zoals Cunard Lines hadden “feeder-diensten”, met kleine passagierschepen, naar hun havens van vertrek in Engeland.
Rederijen hadden over gans Vlaanderen verkooppunten. Bij Andre kon je als verbindingsman terecht om een plaats te bespreken op een stoomschip van de “Red Star Line”.  Hij hielp bij het invullen van de noodzakelijke formaliteiten zoals de vraaglijst bij de plaatsbespreking.  Ongeveer één vierde van de kostprijs van de reis diende aan André op voorhand betaald te worden.  Dit betekende 40 Frank. Na betaling ontving men de reiskaart voor 3de klasse. In de haven van vertrek werd dan de totale kost vereffend wat neerkwam op 170 Frank.  Gehandicapten, kinderen met een gebrek en zieken mochten de overtocht niet maken. Amerika bleef voor hen ontoegankelijk.
In de periode van de vorige eeuwwisseling groeide er politieke en sociale onvrede te Dudzele en dit sinds de werken voor het Zeekanaal in ongeveer 1898. De burgemeester van Brugge richtte zich zelfs in onvrede tot onze Dudzeelse burgemeester. De aannemers van de werken in de haven van Zeebrugge vonden immers in stijgende mate onvoldoende werkkrachten in de buurt. De aannemers betaalden al meer dan de boeren maar nog was het niet voldoende. Steeds meer Franssprekende vreemdelingen werden aangetrokken en kwamen zich vestigen, zo ook de vader van Gustaaf Mus die afkomstig was van Luik. Anderzijds was er ook plaatselijke sociale onvrede omdat de lokale boeren onvoldoende knechten hadden voor het vele werk en dit liet zich vooral voelen in het veldseizoen. Ongetwijfeld was één van de achterliggende oorzaken het vertrekken van vele jonge mannen naar het beloofde land Amerika.
De Dudzeelse familie Dobbelaere maakte in 1906 (Louis) en 1912 (Constant) de grote oversteek met de “Red Star Line”. Jozef had echter niet via André Debel geboekt. Hij zou via “Cunard Lines” reizen en naar Amerika vertrekken vanuit Liverpool. 

 De altijd aanwezige “afwezige”

Een dergelijke reis, toen in 1912, ondernemen als 17 jarige stemt tot nadenken. Was hij onbezonnen, een durver of was hij een avonturier? Bij z’n terugkeer naar België had Jozef nieuwe ervaringen meegebracht, andere gedachten, gewijzigde gewoonten en behoeften. Op die manier bracht hij een soort onrust mee. Jozef kon zich niet meer inpassen. Hij voelde zich niet meer thuis in Dudzele, in België. Feiten, uit z’n militaire dossier, tonen aan dat hij moeite had met het militaire gedisciplineerde leven. Jozef had de wereld gezien, was een nieuw leven begonnen, maar was door een wetswijziging gedwongen geweest vroeger terug te keren naar zijn land. Een land dat aan het begin stond van een Grote Oorlog.   Die oorlog werd zijn dood. 
In de familie verloor men geen soldaat of oorlogsheld maar betreurde men het verlies van een zoon en een broer. De herinnering aan hem leeft voort via het NSB Dudzele maar ook door z’n familie, vandaag hier aanwezig. Een familie waarmee hij op unieke wijze verbonden is vandaag en in herinnering.
Mag ik vragen om de rest van dit fantastische verhaal te lezen in onze NSB brochure “Jozef Vereecke, “Gestolen Leven”. 
Met dank aan
 
Een speciaal woord van dank gaat naar de familie Vereecke te Dudzele. NSB Dudzele herinnert zich dankbaar de leuke gesprekken.
 
Geschiedenis schrijf je niet alleen. Verder dank ik ook:
Mevr.Lucienne De Vuyst
Mevr.Ingrid Nys (Museum Red Star Line, Antwerpen)
Dhr.Raymond De Vuyst
Dhr.Walter en Marleen Dobbelaere
Dhr.Karel Danneels (Heemkring Dudzele)
Website Ellis Island New-York

 

 De reis

Jozef was de zoon van François (Frans) Bernard Vereecke en Maria Theresia Hots. François was een afgeleide van Fransciscus en dit werd in Dudzele al vlug herdoopt in “Cissen”. Als ongehuwde zoon van Cissen en Maria woonde Jozef in de ouderlijke woning langs de Damsesteenweg nummer 51. Beide ouders staan vermeld “in de boeken” als “werklieden”.   Frans “Cissen” en Maria hadden voor de Grote Oorlog een klein postje met drie koeien, maar zonder paard, wat Frans de stempel “kortwagen boertje” meegaf. Er heerste toen armoede in onze contreien en voor sommigen, met avontuurlijk bloed in de aderen, was er de grote lokroep naar Amerika. 
Jozef trok naar Amerika om daar geluk en rijkdom te zoeken. Hij vertrok vanuit Brugge met de trein naar Antwerpen. Daar trok hij te voet naar de d’Herbouvillekaai waar hij met de Harwichline via Grimsby naar Harwich reisde en vanuit Harwich met de trein naar Liverpool trok. Een reis van vier dagen. Dit was toen de gangbare manier om vanuit België tot in Liverpool te geraken. Wat toen ongetwijfeld een ganse onderneming was.
Hij was 17 jaar oud op 23 april 1912 toen hij uit Dudzele vertrok naar het nieuwe “beloofde land”. Jozef voer uit in Liverpool op zaterdag 27 april 1912 met de befaamde LUSITANIA van de CUNARD rederij (onder Britse vlag). Het zinken van de Titanic, veertien dag eerder, in de nacht van 14 op 15 april 1912, had hem blijkbaar niet kunnen afschrikken. Op het scheepsmanifest stond hij genoteerd als “labourer” of werkman. Het schip voer uiteindelijk, na 7 dagen, voorbij het majestueuze Vrijheidsbeeld of de “Statue of Liberty”. Bij aankomst op vrijdag 3 mei 1912, op Ellis Island New-York, diende hij na de nodige medische onderzoeken, het nummer 17 op z’n muts te steken om herkend te worden door een andere Vlaamse uitwijkeling die hem werk kon verschaffen. Samen trokken ze naar het stadje Marshall in de “State of Minnesota” (in vogelvlucht 1.800km verder). Minnesota grenst aan Canada. Vrij snel na z’n aankomst werd z’n portret gemaakt als bewijs voor moeder en vader thuis dat hij de overtocht had overleefd en was aangekomen.
Ondertussen pakten steeds meer oorlogsdreigingen samen boven Europa. Op 14 december 1909 had koning Leopold II de militiewet van één zoon per gezin ingevoerd. Maar in mei 1913 wordt een nieuwe militiewet aangenomen, namelijk dat werkelijk elke zoon z’n dienstplicht diende te vervullen. Als gevolg hiervan is Jozef in de zomer van 1914 naar huis teruggekeerd. Hij diende zich ten laatste te melden voor militaire dienst in september 1914. De oorlog zou echter een maand eerder, op 4 augustus, uitbreken…. 
Op de foto in de herdenkingskapel zien we het portret van een “Amerikaanse” Jozef.

 

Jozef Vereecke
Dudzele, ° 13 oktober 1894
Kaaskerke, + 25 november 1916
 
Tekst: P.De Vuyst

 Gestolen leven

Inleiding
De wens om de Groote Oorlog te herinneren neemt stilaan grote vormen aan. Vele herdenkingen en andere zaken worden koortsachtig voorbereid in de aanloop naar 2014. Alsof wij aanvoelen dat een ingrijpende periode ons verlaat.  Er is een nood om de oude verhalen opnieuw te vertellen, sterker te maken dan ze zijn, in een poging om een stuk verleden van onszelf vast te houden. Alsof wij  nog iets goed te maken hebben ten opzichte van onze eigen Belgische soldaten en terzelfdertijd ook om onze eigenheid te onderstrepen of te identificeren.   De verhalen van onze Dudzeelse soldaten helpen alvast onze unieke gemeenschap binden.
Vandaag voelt het leven alsof wij springen van nieuwe dingen naar nieuwe dingen, op een bijna zinloze materiële manier leven op tijdelijke gadgets. Steeds weer als een soort gekke betekenisloze draaimolen. Herdenkingen, zoals deze van de wapenstilstand, helpen mee vermijden dat ons dorpsleven oplost in traditieloze nieuwigheden. Tradities en verhalen zorgen voor een mystiek soort houvast maar ook voor structuur en behoeden ons voor een belangrijk deel voor tijdelijke oppervlakkigheden. 
De vele verenigingen in ons dorp brachten met hun scheppende krachten steeds opnieuw hoop onder de dorpelingen. Ouderen en verzamelaars brachten troost met hun zoektocht naar het behoud van het rijke Dudzeelse verleden. Samen met alle andere dorpelingen maakten zij de angsten, woede en haat draaglijk in een harde kille oorlog die echter te lang zou duren voor de ontheemde Jozef.
 
Het front
Het sompige land hield de bomenrijen met hun hangende takken en in de westenwind hijgende twijgen vast als een vastgelopen droevige stoet. De diepe groeven in de velden leidden oneindig ver naar niets. De kromgetrokken Vlaamse huisjes knielden angstig in de modder, met hun verweerde rode daken diep eerbiedig gebogen voor moeder natuur. Stukken van het regiment woelden als linten over gebroken stenen en oude karrensporen. De soldaten konden nergens heen in deze sombere verlaten open velden. Het gebrom van de kanonnen maakte de mannen angstig onder deze donkere hemelmantel. De druilerige regen kleefde als lood aan de soldatenpakken en maakte hun tred loom en zwaar. Het front kwam dichterbij. Het geschut zwiepte zweepslagen langs de colonne heen en zoog leven en hoop uit de doofstom speurende ogen. 
Even dacht Jozef terug aan z’n dorp en hoe hij in deze hel was terechtgekomen…
 
Jozef en Amerika
Jozef was de zoon van François (Frans) Bernard Vereecke en Maria Theresia Hots. Fransciscus werd in Dudzele al vlug herdoopt in “Cissen”. Als ongehuwde zoon woonde Jozef in de ouderlijke woning langs de Damsesteenweg nummer 51. Beide ouders staan vermeld “in de boeken” als “werklieden”.   Frans “Cissen” en Maria hadden voor de Grote Oorlog een klein postje met drie koeien, maar zonder paard, wat Frans de stempel “kortwagen boertje” meegaf. Er heerste toen armoede in onze contreien en voor sommigen, met avontuurlijk bloed in de aderen, was er de grote lokroep naar Amerika. Ook Jozef trok naar Amerika om daar geluk en rijkdom te zoeken. Hij was 17 jaar oud op 23 april 1912 toen hij per schip wou vertrekken naar het nieuwe “beloofde land”. Jozef voer uit in Liverpool op zaterdag 27 april 1912 met de befaamde LUSITANIA van de CUNARD rederij (onder Britse vlag). Het zinken van de Titanic, veertien dag eerder, in de nacht van 14 op 15 april 1912, had hem blijkbaar niet kunnen afschrikken. Op het scheepsmanifest stond hij genoteerd als “labourer” of werkman. Het schip voer uiteindelijk, na 7 dagen, voorbij het majestueuze Vrijheidsbeeld of de “Statue of Liberty”.  Bij aankomst op vrijdag 3 mei 1912, op Ellis Island New-York, diende hij het nummer 17 op z’n muts te steken om herkend te worden door een andere Vlaamse uitwijkeling die hem werk kon verschaffen.  Samen trokken ze naar het stadje Marshall in de “State of Minnesota” (in vogelvlucht 1.800km verder). Minnesota grenst aan Canada.  Ondertussen pakten steeds meer onweerswolken samen boven Europa. Op 14 december 1909 had koning Leopold II de militiewet van één zoon per gezin ingevoerd. Maar in 1913 wordt een nieuwe militiewet aangenomen, namelijk dat werkelijk elke zoon z’n dienstplicht diende te vervullen. Jozef is als gevolg van het moeten vervullen van z’n dienstplicht in de zomer van 1914 naar huis teruggekeerd . Hij diende zich ten laatste te melden voor militaire dienst in september 1914. De oorlog zou echter een maand eerder, op 4 augustus, uitbreken….
 Op de foto zien we het portret van een “Amerikaanse” Jozef

 

Zus en broers
 
Jozef had vier broers en een zus (volgens de “Akte van Bekendheid” uit november 1920):
  • Leopold Vereecke (werkman te Lapscheure), °1886
  • Henri Vereecke (werkman te Dudzele),
  • Louise Vereecke (huishoudster, echtgenote van François Vrancken werkman te Tilly (Brabant). Louise was oorlogsweduwe in eerste huwelijk van Cyrille Van Rafelghem die reeds sneuvelde in september 1914,
  • Willem Vereecke (werkman te Dudzele), ° 1896,
  • Raymond Vereecke (werkman te Dudzele, °14 juli 1900, inwonend onder wettig beheer van zijn vader).
 
Twee dagen na het sneuvelen van schoonbroer Cyrille trok Jozef naar de oorlog. Broer Leopold was reeds vertrokken met de mobilisatie bij het uitbreken van de oorlog. Leopold diende bij het 5de Linieregiment. Een regiment dat zwaar zou beproefd worden maar Leopold zou het overleven. Broer Jozef zal de oorlog echter niet overleven, hij zou sterven in de modder.
 
Jozef z’n oorlog
Opgeroepen als milicien van de lichting 1914 meldde Jozef zich op 15 september 1914 in het depot van de 3de Legerdivisie in Lier. De lichting 1914 had echter totaal geen opleiding genoten en vertrok reeds enkele weken later naar Frankrijk. 
In Noord-Frankrijk kregen Jozef en z’n kompanen hun eerste militaire opleiding. Jozef werd uiteindelijk toegewezen aan de genie en belandde eind 1916 in de zeer gevaarlijke sector van Diksmuide. Maar laat ons dit verhaal starten bij het begin…
Aan de IJzer
In de regio Nieuwpoort, Veurne en Diksmuide hergroepeerde ons leger zich opnieuw. Op 15 oktober 1914 bereikte het Belgisch effectief van ongeveer 82.000 manschappen de 40 kilometer lange IJzerstelling, de laatste frontlijn waar de ongenadige strijd voor het behoud van het dierbaar vaderland zou worden uitgevochten. In de morgen van 18 oktober wou het Duitse legerkorps van generaal von Beseler de IJzer overschrijden.
Het verhaal van de IJzerslag is het verhaal van een leger dat door twee maanden van eerdere strijd totaal vermoeid en uitgeput nog dertien lange en angstvolle dagen zal vechten, tot de uiterste grens van het menselijk weerstandsvermogen werd bereikt. Ons leger, slechts bijgestaan door een Franse brigade marinefuseliers, zal vijf dagen lang de volle zwaarte van de strijd op zich nemen, alvorens de steun van de 42ste Franse divisie te genieten. Het Belgisch leger zal zich van 25 oktober tot 29 oktober verder opofferen om de geplande onderwaterzetting te kunnen doen slagen. Op 20 oktober ontketenden de Duitsers een algemene aanval over de ganse frontlijn.
Het stijgende water
Het Belgisch opperbevel trof op 25 oktober voorbereidingen om zich terug te trekken achter de spoorwegberm Nieuwpoort-Diksmuide en het gebied tussen de spoorlijn en de IJzer te inunderen. Vanop de spoorwegberm, die zich bij eb op ongeveer 3.50 meter boven zeeniveau bevond, had men een overzicht over het zo goed als volledig vlakke terrein. 
Op 30 oktober werd de aanval over de hele lengte van de geallieerde frontlijn door de Duitsers hernieuwd, waarbij zij Ramskapelle en Pervijze veroverden. Deze overwinning zou echter slechts van korte duur zijn. Ondertussen steeg het water ten oosten van de spoorlijn over een breedte van zo’n twee kilometer en werden de Duitsers gedwongen het recent veroverde terrein terug prijs te geven.
Het Belgisch leger hield stand. De slag aan de IJzer was gestreden. Nieuwpoort en Diksmuide bleven in Belgische handen en de “doortocht” langs het noorden was voor de Duitse invallers afgesneden. Niet minder dan 14.000 Belgische doden en gewonden vielen op het slagveld. 
Militair gezien was de bewegingsoorlog in enkele weken tijd veranderd in een stellingenoorlog. Tot op dat moment werd de infanterie aanschouwd als het belangrijkste effectief van het leger maar de loopgraven en de onderwaterzetting brachten hier verandering in. De verschansingen dienden onderhouden te worden, dienden versterkt te worden, bunkers, prikkeldraad en abri’s waren nodig. De klemtoon verschoof naar de genie. Jozef Vereecke, den Amerikaander, zou tot een belangrijke deel van die ondersteunende fronttroepen gaan behoren; namelijk de pioniers-pontonniers.
1914, de tocht van Jozef
Duizenden jonge rekruten (miliciens en vrijwilligers), zoals Jozef, zonder enige vorm van opleiding, dienden in veiligheid gebracht te worden. Op 2 oktober kreeg generaal de Selliers de Moranville opdracht deze jonge mensen uit Antwerpen te evacueren richting West-Vlaanderen. De uittocht startte op 3 oktober 1914.
In grote groepen van 2 à 3.000 verblijven de rekruten in respectievelijk Veurne, Lichtervelde, Diksmuide, Roeselare, Poperinge, Nieuwpoort, Thorout en Kortemark. Op 6 oktober worden de verschillende groepen op hun tocht bewaakt door Engelsen met 2 groepen van 14 automitrailleuzen. Alle 20.000 mannen moeten zo snel mogelijk met treinen naar Duinkerken. Daar zullen ze met behulp van schepen naar Cherbourg, Dieppe of Fécamp worden gebracht. Duinkerken barst uit z’n voegen en de ongewapende Belgische rekruten moeten zo snel mogelijk vertrekken. De eerste groep, afkomstig van Veurne en Lichtervelde, bestaat uit 5.400 manschappen en scheept in, op twee schepen, op 8 oktober met bestemming Cherbourg en Le Havre. Zij bereiken hun bestemming ’s anderendaags na een woelige zeereis. Op 10 oktober vertrekken nog eens 4.000 mannen uit Duinkerken. Op 11 oktober 1914 verlaten de laatste 5.500 manschappen deze havenplaats.
Cherbourg zal uiteindelijk 8.000 rekruten ontvangen. Er wordt spoedig beslist om alle rekruten te verzamelen in het immense kamp van Auvours nabij Le Mans.    Vanuit Auvours worden de soldaten stelselmatig naar de verschillende kampen uitgezonden. Jozef wordt naar het “Centre d’Instruction Numéro 3” gestuurd te Granville.   Hij en alle anderen zijn oververmoeid als ze aankomen in die reusachtige kazerne met de naam “Caserne Bazeilles”.   Iedereen is nog steeds gekleed in burger en allen zien er bijzonder sjofel uit. De meesten staan buiten in de kou, op het appel, zonder schoenen.

 

Granville, Caserne Bazeilles
Granville: Centre d’Instruction N° 3
Granville is een rustig kuststadje. De kazerne bestaat uit vele grote gebouwen en ligt vlakbij de stad. Beneden zien de soldaten de mooie baai en z’n haven. De Atlantische Zee spint er witte koppen op het strand.
In het kamp van Granville kreeg Jozef z’n eerste militaire opleiding.  Het leven in het kamp was hard en afstompend. Ondanks de vele soldaten was er veel eenzaamheid maar vooral gebrekkige voeding. Jozef werd ernstig ziek te Granville in de harde winter van 1914 op 1915. Verweesd, ziek en ondervoed was ook hij “inapte” of ongeschikt voor de “Koningin van het Front”, namelijk de infanterie. 
 
Soldaat Yperman schreef het volgende:
“Ik heb wat lang gewacht een teken van leven te geven, maar gij hebt zonder twijfel van mijn broeder vernomen dat ik het hier goed stel. Ik denk van met 3 tot 4 weken wat te naderen naar Eu, naar de artillerie of, naar Guines, naar ’t peerdevolk. Voor ’t ogenblik leert iedereen de oefeningen gelijk de infanterie, maar geheel onze compagnie is “inapte” voor infanterie. De kapitein zegt dat we zullen artilleurs of peerdemannen zijn, maar we zijn niet van elkander gescheiden, zodus weten we nog niet juist wat we zullen zijn. De oversten zijn streng, maar toch goede mannen. “
De plaatsen Eu, Guines en Ardres liggen rond de havenstad Calais.   Deze dorpen worden door het Belgisch leger gebruikt als locatie voor gespecialiseerde opleidingskampen; Eu voor de artillerie, Guines voor de cavalerie en Ardres voor de mannen van de genie. Jozef werd finaal toegewezen aan de genie en verhuisde in juli 1915 naar het “Centre d’Instruction du Genie” te Ardres, bij Calais. Het kamp te Ardres stond onder leiding van commandant Dujardin.

 

Ardres, 1915. Belgische soldaten leren vlechten met takken. Tussen de soldaten zien we “gabions” (schanskorven) en “fascines” (takkenbossen).
Het station te Calais
Een trein bracht Jozef, na z’n opleiding, in september 1915 naar het front. Onderweg naderde de trein het station van Calais. Een jonge mooie vrouw gleed traag voorbij aan het raam waar Jozef zat. De trein kwam tot stilstand. Een kort moment kruisten hun beide blikken elkaar. De doffe verstarde ogen van Jozef zagen eventjes haar gevoelige ogen als spiegels van z’n onrustige ziel. Opnieuw zochten en kruisten beide blikken elkaar. Ditmaal lachten ze heimelijk schalks. Haar fijne gelaatstrekken werden gesierd door ragfijne opgestoken bruine haren. Even kon hij dromen en z’n ziel wat laven maar wat had hij haar te bieden; als soldaat had hij geen toekomst, enkel angsten en zorgen over het overleven op het slagveld aan het front. De trein trok zich twijfelend terug op gang en het beeld werd slechts een blijvende herinnering. 
 
 
 
Bij de genie
Volgens officiële bronnen en algemeen beschouwd was het Belgische front, van juni tot december 1916, slechts het toneel van klein handgemeenschap, soms door de vijand, maar vaak door onze troepen, met het doel krijgsgevangenen te maken (identificatie van de vijandelijke eenheden), om de vijand onder druk te houden, om de resultaten van de vernielingen van het geschut te zien, om het terrein te verkennen in functie van eventuele aanvallen, enz. Maar de soldaat aan het front ervoer deze “vermeende rust” anders. Elke dag vielen er slachtoffers. Soms ook door eigen artillerie die te weinig ver schoot.
De mannen van de genie waren belast met een zeer belangrijke taak, de uitvoering en het herstellen van grote verdedigingswerken. Ze bouwden observatietorens en gebetonneerde schuilplaatsen voor de zware artillerie, legden en herstelden loopbruggen, onderhielden het sluizensysteem, verzorgden de waterafloop en versterkten zelfs de voorposten. Bij de uitvoering van deze werken bleven de geniesoldaten vaak langer dan één maand in de voorste gelederen, waar ze zich met het overvloedig beschikbare materiaal uit het geniepark konden installeren en er hun werk zelfstandig regelden in ploegensystemen. Het was een totaal andere frontdienst dan die van de infanteristen. Het leven was anders maar het werk en de lange afzondering waren niet minder zwaar.
In een brochure van l’Armée Belge verscheen in 1935 volgende tekst:
“Niets wordt gemaakt, gebouwd, vernield, aangevallen of verdedigd zonder de geniesoldaat. Hij is de eerste in de aanval en de laatste in de terugtocht. Overal en altijd is hij in de weer, niet voor zichzelf maar wel voor de anderen. (…). Als zijn hart soms een zekere voorkeur heeft, dan is het voor zijn vriend de infanterist van wie hij, beter dan wie dan ook, de pijn en het lijden kent.   Afkomstig uit de werkende klasse beschikt hij in de oorlog over zijn vroegere kwaliteiten, zijn handigheid, zijn vindingrijkheid, zijn kracht, zijn voorliefde voor goed werk. (…). En als het nodig is, kan hij ook zijn gereedschap opzij leggen, zijn geweer ter hand nemen en ter plaatse sneuvelen voor zijn Land en voor de eer van zijn Wapen.”

 

Belgische pontonniers aan het werk.
3de Legerdivisie of de IJzeren Divisie
Na een jaar dienst bij het vervoerkorps van de 3de Legerafdeling kwam Jozef op 26 augustus 1916 bij de genie terecht.   De 3de Legerdivisie was reeds naar Diksmuide getrokken sinds einde juni 1916. De regimenten van deze divisie lagen iets zuidelijker dan de beruchte en gevreesde Dodengang. Jozef z’n eenheid lag vlak voor de stad Diksmuide en dit tot iets ten zuiden van de spoorweg. Aan de andere kant van IJzer bevonden zich de bloemmolens of de minoterie, die door de Duitsers in een versterkte stelling was herschapen. Van daaruit domineerden ze de Belgische eerste lijn, die slechts 20 meter verderop lag. De loopgraven werden er voortdurend beschoten. Het was levensgevaarlijk zich er bij daglicht te bewegen. ’s Nachts lanceerden de Duitsers vaak plotseling hun door de Belgische soldaten vervloekte vuurpijlen.
De Blankenbergse soldaat Leon Marannes behoorde ook tot de genie, hij maakte deel uit van een andere divisie.  Hij hield een oorlogsdagboek bij en beschreef daarin de ontstellend zware omstandigheden aan het front. Als soldaat ontbrak het hem, en alle anderen, aan ook maar enig inzicht in het grotere oorlogsgebeuren en de dagen sleepten zich voort in een hardnekkig “voortdoen” in gevaarlijke omstandigheden.
10 april
“(-) ’s avonds zijn wij terug begonnen te werken voor geheel de nacht aan die vervloekte prikkeldraad”.
13 april
“Daar wij den ganschen nacht gewerkt hadden, hebben wij de volgende dag gerust om ons werk voort te zetten.   Tegen de avond zijn wij begonnen met de pinnedraad te plasseren en passerelles te vernieuwen aan de IJzer.”
 
De Duitsers zijn echter op hun hoede:
 
2 juni
In de voormiddag hebben wij twee abri’s geplaatst en tegenaan de avond hebben wij een vlot gemaakt op de IJzer. (-). De korporaal kreeg orders voor pinnedraad te plasseren op de ijzerweg. Nu als wij er aan bezig waren, werpt de vijand met lichtpijlen en wij moesten op onze buik liggen om niet gezien te worden vanuit de bloemmolen en dat gedurende geheel de nacht.
 
16 juni
In de dag had de korporaal orders gekregen om de brug te leggen. ’s Avonds om 10 uur begonnen wij te leggen met 10 mannen. Gelijk wij aan het water stonden met de tonnen begon de vijand met zijn mitrailleuzen te werken; het was juist gelijk zij ons zagen werken van de lichtpijlen die zij werpen. En wij moesten rap op onze buik liggen om niet gezien te worden en ook van de ballen die er over kwamen. (-).
 
Brancardier Edgard Briot beschrijft het volgende in zijn dagboek in 1916:
“Plotseling lanceren de moffen een van hun vervloekte vuurpijlen en de hele weide wordt verlicht. Zou de vijand het uitdagende geluid van de rollende wagonnetjes hebben gehoord? Iedereen gooit zich op het vochtige gras en onttrekt zich zo aan de opmerkzame blikken van de verkenners. Dan ratelt het machinegeweer en de kogels fluiten ons onophoudelijk langs de oren. Stoïcijns wachten we tot de vijandelijke furie tot bedaren is gekomen en we vervolgen onze weg. Opeens gooit mijn kameraad, (…), die vlak voor mij loopt zijn armen in de lucht en zakt als een zoutzak in elkaar op de grond. Hij roept zwakjes: “Ik ben gewond!” Ik loop naar hem toe en hoor hem fluisteren: “Mama, mijn lieve mama, ik verlaat je… Vaarwel !” Ik knoop de kapotjas van mijn ongelukkigen maat los. De dodelijke kogel is binnengedrongen onder de rechterborstkas en heeft het lichaam bij de linkerschouder weer verlaten, finaal door zijn borstkas heen. Ik verbind de afschuwelijke wond van mijn vriend, maar het is tevergeefs, de dood heeft zijn werk al gedaan. Ik leg mijn oor op zijn hart, maar het klopt niet meer, de polsslag is nihil, alle hoop is verloren. Het koude zweet breekt me uit en zonder dat ik het wil, beginnen de tranen te stromen. (…).”
 
Deze beschrijving, die brancardier Briot ons geeft, kon evengoed het verhaal van Jozef geweest zijn. Jozef is het zoveelste slachtoffer. Hij sterft door een geweerkogel in de rechterborst. Het schot is dodelijk en hij sterft ter plaatse in de modder van het front. 
 
 
 
Het thuisfront
 
Jozef was een eenvoudige Dudzeelse frontsoldaat bij de genie geweest. Jozef was een soldaat van de IJzer; midden het geratel van mitrailleurs, het schieten van geweren en het inslaan van obussen. Hij maakte er “abri’s”, “plasseerde” er prikkeldraad en legde of vernieuwde er de “passerellen” over het water. Maar Jozef was in de eerste plaats een kind uit een gezin.
 
 Nu was hij dood en het was een mooie dood voor een soldaat wiens leven gestolen werd aan het front. Het bloed uit z’n schotwonde had hem enkel smerig gemaakt in deze vuile zinloze oorlog. Als soldaat stierf hij “schoon” want hij was niet afzichtloos verminkt, noch zou hij moeten leven met stompjes. De “verminkten” waren nu z’n arme ouders.
 
De huiskamer te Dudzele was doods en kil. Moeder Maria bukte zich, onder het loodzware verdriet, over een foto van haar kind en kuste het teder. Ze wou hem verzorgen, z’n gezicht wassen, alles wou ze geven maar ze besefte wat ze niet wou begrijpen. Telkens opnieuw werd ze, als een drenkeling in zee, door wanhoop meegesleurd. Zij zou nooit afscheid kunnen noch willen nemen. De weg van haar verdriet zou nooit af zijn. Het zachte huilen was allesomvattend, dominant en onnatuurlijk aanwezig. Alle leven in het huiskamertje was gestopt. Zij wou enkel nog één zijn met haar zoon zoals het ooit was. Haar gepijnigde geest schreeuwde stil om haar zoons aanwezigheid maar Jozef beantwoordde haar vragen niet. Moeder Maria weende onophoudelijk. Haar wezenszijn was één met het verlies en het verdriet.
 
 Dit was het ergste wat iemand te verduren kon krijgen, noch hadden zij afscheid kunnen nemen, noch hadden zij hun kind naar het graf kunnen brengen. Er restte hen enkel nog de peilloze leegte van het wachten en tussenin het hopen op wat kracht, om dat wegkwijnen onder die zware leegte draaglijker te kunnen maken, omdat de andere kinderen er ook nog waren. 
 
Het monster van de oorlog woelde niet enkel op het slagveld maar ook aan het thuisfront.

 

De Calvarieberg te Diksmuide (C.Beyaert, ontwerptekening)
De Kalvarie
Heel dicht in de buurt, waar Jozef het leven liet, bouwde men, wellicht niet toevallig in de omgeving aan de overkant van de minoterie, een gedenkteken enkel voor de soldaten gevallen aan de IJzer; de zogenaamde “1914 – 1918. Calvarieberg van den Yser”
Het monument (1928, IJzerdijk, Diksmuide) is vandaag nog steeds aanwezig maar is eerder slecht onderhouden. Zwerfvuil ontsiert de omgeving. Het monument werd onthuld met volgende omschrijving:
 
Calvaire. Monument aux Soldats tombés aux bords de l’Yser
Calvarie. Gedenkteken voor de Soldaten gevallen aan de Yzer
Calvary. The Memorial of the Soldiers fallen at the River Yser
 
Architect Carl Beyaert uit Izegem ontwierp het monument in opdracht van de kerk. Bovenaan de toegang tot het monument leest men “O CRUX AVE SPES UNICA” (O Kruis, wees gegroet onze enige hoop).    Binnen bevindt zich een toegankelijke kapel en een altaar. Buiten ziet men links en rechts van het monument een trapje waarmee men tot boven kan nabij het kruis van Christus.   Dit gebouw is een uitsluitend religieus monument ten aanzien van de gesneuvelde Belgische soldaten aan de IJzer in de Grote Oorlog.  Het monument richt zich in totaliteit tot alle aan de IJzer gesneuvelde geallieerde soldaten en is hierdoor een katholiek gedenkmonument voor de gevallen Jozef. Iets verder bevindt zich een ander gedenkteken en monument, namelijk het welbekende en machtige Vlaamse IJzertorencomplex. Beide monumenten bevinden zich op het grondgebied Kaaskerke.
 
Adinkerke
 

Soldaat 2de klasse Jozef Vereecke werd twee dagen na z’n dodelijk schot begraven op de begraafplaats te Adinkerke, op 27 november 1916, in een graf met nummer 1826. Hij werd later ontgraven om heregraven te worden op dezelfde militaire begraafplaats  van Adinkerke onder het nummer 1003.

 

Adinkerke september 1917, een begrafenis van andere Belgische soldaten. Jozef bevond zich toen reeds tussen de vele graven.
 
Sporen van het verleden
Met onze Dudzeelse inwoners en kinderen van de dorpsscholen woonden en wonen wij nog steeds de herdenking van de 11 november bij. De oud-strijders stonden er vroeger ook bij, maar zij zwegen. Dat was zo typisch voor zij die de gruwelen hadden meegemaakt; zij zwegen erover, in gemeenschap met de gesneuvelden, als een soort mystiek bondgenootschap met hen die niet terugkeerden. 
Onder oude frontsoldaten was er een ongeschreven maar reëel onderscheid tussen hen die “14” meegemaakt hadden en de anderen. De IJzerslag stond boven alles, zelfs boven het bevrijdingsoffensief van “18”.   De IJzerslag van “14” was een monumentaal en collectief diep ingrijpend gebeuren geweest. De jaren 1915 tot 1917 werden getypeerd als de periode van de wacht aan de IJzer. Maar er stierven dagelijks jonge soldaten.  
De strijd met zichzelf, de gevechten en spanningen zelfs maar proberen te beschrijven, bleek voor de oudstrijder volstrekt onmogelijk; het was gewoon te erg geweest. Een gebeuren die niet in woorden kon gevat worden en aldus zwegen vele soldaten hun ervaringen dood. Nooit konden zij de werkelijkheid recht doen, dus was het wijzer en respectvoller om te zwijgen. Anderzijds was het ook zo dat de ouder wordende oudstrijder steeds meer in z’n herinneringen geconfronteerd werd met dat stuk verleden. Alsof met het ouder worden de kracht verminderde om herinneringen op te sluiten en gevangen te houden. Hen vragen om herinneringen te sprokkelen en te vertellen leidde steevast bij velen tot enkele slaaparme nachten getormenteerd met plots opduikende pijnlijke oorlogsherinneringen. Alsof oude wonden terug opengesneden werden en kwade geesten hadden kunnen ontsnappen. Alsof ze de verbeesting van henzelf toen, hadden teruggezien.
Dergelijke dramatische gebeurtenissen laten hun sporen in een gemeenschap na tot op vandaag. Hopelijk kan deze tekst een leemte helpen vullen.
Het gezin Frans en Maria Vereecke werd zwaar beproefd door de Grote Oorlog; Jozef sneuvelde, Leopold was soldaat aan het front maar zou het overleven, schoonzoon Cyrille Van Raefelghem sneuvelde eveneens (+ 12 september 1914). De broer van Cyrille, Edmond, stierf in militaire dienst op het einde van de oorlog. August Hongenaert uit Westkapelle, de broer van de echtgenote van Willem Vereecke, Irma Hongenaert, sneuvelde reeds vroeg in de oorlog (+ 29 augustus 1914). In totaal had de familie vier doden te betreuren op vijf soldaten.
De altijd aanwezige “afwezige”
Een dergelijke reis, toen in 1912, ondernemen als 17 jarige stemt tot nadenken. Was hij onbezonnen, een durver of was hij een avonturier? Bij z’n terugkeer naar België had Jozef nieuwe ervaringen meegebracht, andere gedachten, gewijzigde gewoonten en behoeften. Op die manier bracht hij een soort onrust mee. Jozef kon zich niet meer inpassen. Hij voelde zich niet meer thuis in Dudzele, in België. Feiten, uit z’n militaire dossier, tonen aan dat hij moeite had met het militaire gedisciplineerde leven. Jozef had de wereld gezien, was een nieuw leven begonnen, maar was door een wetswijziging gedwongen geweest vroeger terug te keren naar zijn land. Een land dat aan het begin stond van een Grote Oorlog.   Die oorlog werd zijn dood. 
In de familie verloor men geen soldaat of oorlogsheld maar betreurde men het verlies van een zoon en een broer. De herinnering aan hem leeft voort via het NSB Dudzele maar ook door z’n familie, vandaag hier aanwezig. Een familie waarmee hij op unieke wijze verbonden is vandaag en in herinnering.
Willem Vereecke was de vader van Jozef en Valère.   De gesneuvelde Jozef Vereecke is voor Jozef en Valère een rechtstreekse nonkel langs vaders zijde, Jozef was immers de broer van Willem. 
 
Willem zou z’n broer niet vergeten. Jozef, die vandaag samen met Godelieve langs de Damsesteenweg woont, kreeg van z’n vader Willem de naam van de gesneuvelde broer.  Een avontuurlijke Amerikaanse nonkel die men vandaag enkel kent uit schaarse sprokkels familieverhalen. 
 
Na de oorlog werd in het gezin niet meer over oorlog gesproken, noch werd een graf van een gesneuvelde opgezocht. In ons dorp werd de jaarlijkse 11-novemberviering voor de familie een moment van herdenken. Hun namen en foto’s in de kapel werden een beklijvende herinnering aan hun ultieme offer en het verlies.
 Stamboek
Vereecke Joseph Henri
Soldaat 2de klasse, milicien 1914
Stamnummer: 176/2974 / (1222)
3 Genie, 1ste compagnie pioniers-pontonniers
 
15 september 1914: ingelijfd als militiaan der lichting 1914 en naar opleidingscentrum nr.3
19 november 1914: gehospitaliseerd wegens ziekte
8 januari 1915: terug in opleidingscentrum nr.3 (Granville)
19 juli 1915: naar Centre d’Instruction du Genie of C.I.Gn (Ardres)
2 september 1915: bij Vervoerskorps van de 3de Legerafdeling (C.T.3.D.A.)
26 augustus 1916: aankomst bij de Genie van de 3de Legerafdeling

 

Eretekens
Ridder in de Leopold II orde
Oorlogskruis met palm (K.B. dd.15 september 1917)
1 frontstreep
 
Op het uniform droeg Jozef de zwarte kraagspiegels van de genie met de helm van Minerva als symbool.
 
Soldatenjargon
Jozef was wat de soldaten noemden een “Brikkenbakker”. Dit wegens het gieten van blokken, in gewapend beton, voor schuilplaatsen en schietgaten.
 
Genie en enkele van hun taken
-          Een schansgraver of een “pionier”
-          Een bruglegger of een “pontonnier”
-          Een spoorwerker of bij de “section de chemin de fer”
-          Een loopgraafwerker of een “sapeur”
-          Een schipper of een “batelier”
-          Een explosievenexepert of een “mineur”
 
Tot de taken van de genie behoorden wegen herstellen, opwerpen van prikkeldraadversperringen, vlechten van “gabions” en “fascines”, aanleggen van loopbruggen, maken van bruggen en van pontonbruggen over kanalen.
 
Lijsten
Jozef werd opgenomen in de zesde lijst der gesneuvelden.
Dankwoord
Mevr.Lucienne De Vuyst
Mevr.Ingrid Nys (Museum Red Star Line, Antwerpen)
Familie Vereecke
Dhr.Xavier Van Tilborgh (Evere, Brussel)
Dhr.Stefaan Calus
Dhr.Ruben De Vuyst
Dhr.Martin Van Acker
Dhr.Raymond De Vuyst
Dhr.Walter en Marleen Dobbelaere
Dhr.Karel Danneels (Heemkring Dudzele)
Website Ellis Island New-York
 
NSB Dudzele dankt haar vele lezers om de herinnering aan een dramatische tijd te helpen herdenken en levendig te houden.
 
Foto’s
Foto Jozef Vereecke: via dhr.Martin Van Acker
Alle andere foto’s en afbeeldingen: verzameling P.De Vuyst
 
Lusitania (Liverpool – New York)
De Lusitania zou uiteindelijk in 1915 getorpedeerd worden door de Duitsers en voor de kust van Ierland met man en muis zinken. Deze gebeurtenis kreeg zeer veel aandacht in de toenmalige pers. Dit niet enkel omwille van het grote aantal slachtoffers maar vooral vanwege de “laffe” Duitse daad om een ongewapend passagierschip tot zinken te brengen. 
 
Reisgenoten
Op het manifest staat Jozef Vereecke op lijn 2. Op lijn 1 staat De Backer Baziel uit Ruiselede en op lijn 3 staat Wyckhuys Camiel uit Doomkerke. Meer dan waarschijnlijk reisde dit groepje samen.
 
Ellis Island
Tussen 1892 en 1924 kwamen meer dan 25.000.000 immigranten de Verenigde Staten binnen via Ellis Island.


Bibliografie
Vanacker D., Die vervloekte oorlog. Dagboek 1914-1918. Joris Van Severen. Uitgeverij Pelckmans is samenwerking met het Studiecentrum Joris van Severen, Kapellen/Ieper, 2005.
Chatelle A., l’Effort Belge en France pendant la guerre (1914-1918), Librairie de Paris, Firmin – Didot et Cie, Editeurs, Paris, 1934.
De Bruyne I., We zullen ze krijgen! Brancardiers aan het IJzerfront 1914-1918. Davidsfonds, Leuven, 2007.
Ombiaux des, M., Un Royaume en Exil. La Belgique du dehors, nr.3. Armes Spéciales. Documents du service photographique de l’armée Belge, Le Pays de France, Paris, sd.
De Bruyne T., Soldatentaal 1914-1918. Uitgeverij Emiel Decock, Aartrijke, 1994.
Adriaenssens, I., Maurice Braet. Het leven van een geniesoldaat tijdens WO 1. Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2011.
Christens R. en De Clercq K., Frontleven 14/18. Het dagelijks leven van de Belgische soldaat aan de IJzer. Reeks Retrospectief. Uitgeverij Lannoo, Tielt, 1987.
Woulff, A. (onderofficier der Belgische Genie) , Militair handwoordenboek. Fransch-Nederlandsch en Nederlandsch-Fransch. Commissie tot verzending van Vlaamsche boeken naar het Belgische Leger”, ’s-Gravenhage, juni 1917.
BBSM, décembre 1929, 10ième année, Tome II, n° 6
BBSM, janvier 130, 11ième année, Tome I, N°7
C.I.S.L.A.G., Guide pour l’exécution des Tavaux de Campagne par des Troupes de Toutes Armes. Librairie Militaire Berger-Levrault, Paris, 1917.
Augé C., Larousse Classique Illustré. Nouveau dictionnaire encyclopédique. Librairie Larousse, Paris, 1917.
Boterberge, R., Blankenberge in en om de Eerste Wereldoorlog.  Kring voor Heemkunde dr.Vandamme, Blankenberge, 1986.
Lyr R., Onze Helden. Gestorven voor het Vaderland. Uitgeverij NV Drukkers en uitgevers maatschappij “Ons Land”, Brussel, 1926.
 
 
Zie ook de aansluitende tekst “Jozef Vereecke en de tocht naar Amerika”.