Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

 

JOZEF DE VUYST
 
1895 - 1979

 

 

Het 17de Linieregiment tijdens het bevrijdingsoffensief in Vlaanderen (eerste fase)
 
Jozef De Vuyst en de rauwe waanzin van oorlog
 
Jozef en Louisa woonden in een onopvallend rijhuis in de Kerkstraat (nummer 3) te Dudzele. Een klein onbestemd polderdorp. Beiden waren oud. Hij was altijd schoenmaker geweest, zij huisvrouw. De maagpijnen veroorzaakt door het gas speelden hem nu geen parten meer. Het huis met centrale voordeur kende binnenin een “beste platse”. Deze kamer, waar ogenschijnlijk nooit iemand kwam, was getooid met behang met grote motieven, vele ornamenten, houten foto-houdertjes en plastic bloemen in zwarte vazen. Ter hoogte van de zware eiken tafel hing een kader met oorlogsmedailles met wat in het midden leek op een diploma. Daarnaast, in een ovaal kader, een grote zwart/wit foto van de jongeling Jozef in uniform. In de kamer, aan de andere kant van de gang, stond een volle boekenkast. Was Jozefs vader Frans immers geen boekbinder geweest. Langs deze weg hadden ze allen in dit eenvoudig schoenmakersgezin de liefde voor het boek ontdekt. Maar nee, geen enkel boek over de Grote Oorlog.   Hij was nu oud en sprak zelden over de oorlog (toen z'n kinderen nog klein waren, had hij veel aan hen, rond de Leuvense stoof, over de oorlog verteld). Ergens in het houten gebinte stak nog een bajonet onder de dakpannen. Deze vuurkruiser kon het niet hebben dat men hem betitelde als oud-strijder. De enige ware vereniging voor de strijders uit de "tranchées" was de vuurkruisenbond. De vuurkruisers hadden gevochten. En zij die het meest hadden gevochten en afgezien, waren dan nog diegenen die het laatst zouden thuiskomen (Jozef zou pas op 4 september 1919 ontslagen worden uit het leger). Die breuk tussen oud-strijders en vuurkruisers zou in het dorp z'n stempel zetten. De vuurkruisers hadden in het plaatselijke café zelfs een eigen Sinterklaasfeest voor hun kinderen. Het was z’n wens begraven te worden tezamen met de andere overleden soldaten, naast de kapel der gesneuvelden, waar hij elk jaar sereen de 11 november herdenking had bijgewoond (niet met z'n borst vol medailles maar met de kokarde der vuurkruisers op de rever van z'n zware overjas) samen met de kinderen van de lagere school, enkele notabelen en de plaatselijke harmonie. Nooit of te nimmer had hij geantwoord op de vraag of hij iemand gedood had. Dit geheim heeft hij z'n leven lang gedragen en uiteindelijk in het graf meegenomen.   Z’n vrouw werd, als laatste, aan de andere zijde van het kerkhof, alleen, begraven.
 
Inleiding
Vader Frans De Vuyst was zes jaar jonger dan z’n vrouw Rosalie. Rosalie Pringier was knap, levendig en eerder klein van gestalte. Zij werd gekenmerkt door een glazen oog. Haar relatie met Frans werd niet goed onthaald in de meer begoede hoveniersfamilie Pringier uit de Arsenaalstraat (vader Jean François Pringier en moeder Mathilde Hortense Samson).   Na hun huwelijk woonden Frans en Rosalie vanaf 9 april 1894 in de Balsemboomstraat (B47). Op 4 maart 1897 vinden wij hen terug in de Balstraat (a21).   Per 18 februari 1901 woonden zij in de Peperstraat nummer 45. Per 8 september 1916 in diezelfde Peperstraat maar ditmaal huisnummer 53. Het huisje in de Drie Kroezenstraat nummer 5 werd op 30 december 1918 betrokken. Echter toen boekbinder Frans op rust werd gesteld door de drukkerij (iets wat hij nooit helemaal heeft kunnen begrijpen want hij wou blijven werken) was er niet genoeg geld en werd uiteindelijk een godshuisje betrokken in de H.Consciencelaan nummer 3 op 23 mei 1940. Frans werd ouder en begon te lijden aan dementie. Hij werd opgenomen te Beernem. Na z’n overlijden zou Jozef ervoor zorgen dat z’n vader in Dudzele begraven werd. Frans en Rosalie hadden beiden een rijk sociaal leven achter de rug.
Jozef De Vuyst was het oudste kind uit een gezin met vijf kinderen. Vader François Bernard De Vuyst (°29.07.1872) en moeder Rosalie Mathilde Marie Pringier (°25.11.1866) woonden aldus bij het uitbreken van de oorlog 14-18 in de Peperstraat nummer 45 van de Sint-Annawijk te Brugge. Vandaar zou Jozef Brugge onvluchten. 
 
Soldaat
In Frankrijk aangekomen liet deze Bruggeling zich, als negentienjarige, inlijven in het Belgisch leger als “volontaire de guerre” (12 november 1914). Op 21 november werd Jozef opgenomen in het opleidingskamp “Camp d’Auvours” nabij de Franse stad Le Mans en dit tot 12 februari 1915. Hij werd er ondergebracht in tenten en kreeg als uitrusting een laken broek, een jas die veel meer leek op een gevangenisvest, een gamel, een strozak en een deken. Na harde trainingsdagen, aan dertig centiemen per dag en zonder overjas om zich te beschermen tegen de winterkoude, kwam het ogenblik dat de uniformen uitgereikt werden. Vandaar vertrok hij naar het Magasin Centrale in Le Havre (les ateliers de cordonnerie). Het leven in die magazijnen tussen stapels schoeisel beviel hem niet meer. Een overplaatsing naar het front werd aangevraagd. Per 3 januari 1916 terug naar het Camp d’Auvours tot den negende april 1916 (op deze dag werd hij toegewezen aan het 7de Linieregiment). Vandaar naar Dieppe naar het C.I.A.M. (Centre d’Instruction d’Anciens Militaires) tot den vijfde mei 1916 en dan op 6 mei op het front gekomen toegewezen aan de elfde compagnie (derde bataljon) van het 7de Linieregiment. Later ging hij dan over naar derde compagnie (eerste bataljon) van het 17de Linieregiment (officieel op 20 december 1916 maar in de praktijk pas vanaf 1 januari 1917). Z’n overplaatsing naar het 17de Linieregiment was een gevolg van een reorganisatie binnen het leger. Uiteindelijk had hij 7 maanden in opleidingskampen doorgebracht, aan het front geen vermeldde kwetsuren opgelopen en vier frontstrepen toegewezen gekregen. Z'n drie kameraden zouden voor altijd een herinnering blijven. Z'n beste vriend sneuvelde in het bevrijdingsoffensief. Geschoten door een Duits soldaat die zich niet wou overgeven in een ingenomen tranchée. Deze Duitser werd geen krijgsgevangene. Anderen zouden dit gebrek aan ervaring ook duur moeten betalen.

 

 

Jozef (links) en z’n beste vriend. Een foto genomen in 1916 toen beiden nog tot het 7de Linie-regiment behoorden. Z’n beste kameraad zou sneuvelen tijdens het bevrijdingsoffensief.

 

Situatie aan de vooravond
Aan Belgische zijde werden over een front van 12 km tussen de inundatie van de Blankaart en Ieper drie aanvalsgroepen in linie gebracht. In de kille nacht van 27 op 28 september nam de meest zuidelijke divisie (het 17de behoorde samen met de 16de en 7de Linieregimenten tot de 8ste Infanterie Divisie of ID) z'n posities in tussen Langemark en Wieltje (gehucht Verlorenhoek aan de weg Ieper - Zonnebeke), 3 regimenten naast elkaar met hun bataljons achter elkaar. De 8ste ID had een frontbreedte van ongeveer 2 kilometer. Elk van de drie regimenten had daarvan zo’n 700 meter te bezetten. Het 17de het meest zuidelijke (naast de 9de Schotse infanterie-divisie).
 
De uitrusting
Buiten hun gewone uitrusting hadden de mannen hun kapootjas aangetrokken, deken en tentzeil over de schouders geknoopt, en alle mogelijke zakken gevuld met reserve-rantsoenen. Daarbij droegen ze twee gasmaskers, 180 kogels en een aantal handgranaten.
 
26 september, donderdag
Wat een herrie! In drie, vier kolommen stapte het voetvolk op over hobbelige kiezelwegen, kasseien en vreselijke slijkbanen, zwarte schimmen in de komende duisternis. Ruiters vlogen er doorheen, auto’s snorden ze voorbij, motocyclisten en fietsers hotsebotsten. Getrappel van paarden, geronk van motors en… gevloek van piotten. Rode vonkjes van pijp en sigaret in de zware donkerte van ’t nakend orkaan. Plots, alles stil. De weg versperd. Onverstaanbare bevelen weerklonk tussen het geroezemoes van de duizenden… en langzaam gaat de tocht nu voort, stap voor stap, in lange rijen en wagens en mensen en dieren, de glorie tegemoet en de dood.
 
27 september, vrijdag
Tegen de ochtend verschuilden ze zich in verlaten hoeven en bunkers. Hoeveelheden sterke drank en wijn werden uitgedeeld om de moed te helpen hooghouden (opgelet: dit deed zich niet bij alle regimenten voor). De daaropvolgende nacht bereikten ze hun posities voor Ieper, in de prikkeldraad, op honderd meter van de voorposten bij 't Wieltje (een vroeger gehucht, waar geen steen van overbleef). Een aalmoezenier had al de generale absolutie gegeven.
 
De aanval
28 september, zaterdag
Plotseling laaide achter de mannen in de loopgraven om 02.30u de horizon als een vuurzee op. Daar scheurde de zwarte lucht open in helle rode vlam door duizenden losbarstingen. Bommelend daverde ’t kanongebulder. De manschappen jubelden in den beginne van geestdrift maar weldra zetten sommigen zich op hun broodzak en keken zonder te zien. Het oorverdovend geluid werd monotoon. Een zenuwachtige koorts greep om zich heen. De handen en knieën beefden. De spanning was onmenselijk. Zelfs praten was niet mogelijk. Sommigen braakten, anderen deden hun gevoeg ongecontroleerd ter plaatse. Het Duitse geschut diende van antwoord. Onheilspellend sprongen de lichtende schimmen van de artillerievoorbereiding over het laaghangende wolkendek. Daar was een heen en weer geloop in de blinkende, nu dagverlichte nacht. De gelederen vormden zich. In het oosten hoorde men het hels lawaai van de granaten. Rollende mokerslagen hoorbaar tot in Zeeuws-Vlaanderen. Het halfzwaar en zwaar geschut met brommend geloei overdonderde het scherp geknetter der lichte veldkanonnen. Immeraan, onophoudend flitsten door de duisternis de bliksemende gloeilichten; immeraan, onophoudend gromden in de nacht de bommen van het trommelvuur georganiseerd op eerste linies, voorposten, nog andere op de tweede linie. Uren lang. De koppen doken dieper in de schouders, instinctief duwden de mannen zich dichter bijeen, want nu en dan, regelmatig, schokte de grond onder de ledematen en werden de manschappen in het grachtje heen en weer gesmakt, terwijl op hun ijzeren helmen en lijven brokken aarde met doffe slagen neerploften (de granaten ontploften tot op 200 meter van hun linie). Deze kannonade was een onmiskenbaar teken van een nakende Belgische aanval. Dan alles donker en stil.
 
En dan het 17e Linie in de sector het Wieltje-Potyze. De soldaten hadden de ganse nacht gekropen op een moerassigen grond, met hoog gras begroeid. De angst had tijdens dat lange ingetoomde nachtelijke wachten aan de zenuwen gevreten maar men had gelukkig slechts beperkt reactie ondervonden van de vijandelijke artillerie. Bij de dageraad, hadden ze het verstijfd van de koude en nat tot op het vel gekregen door de regen die niet opgehouden had te vallen. Nog twee minuten, de tijd vloog nu. Bevel! "Baïonette au canon"….   Alle mannen sprongen recht, geëlektriseerd stijf. Toen het artilleriescherm om 05.30u begon op te schuiven , snerpten over het gehele front de fluitsignalen en het luide bevel "en avant!" van de officieren en sprongen de compagnieën uit hun verdekte stellingen, hun loopgraven, hun schuilputjes. 
Te 05.30u, het uur H, rukte het 17e Linie op de Duitse loopgraven los. Het 2de bataljon van het 17de Linie klimt als eerste uit de loopgracht. De luitenant van de 10de compagnie (3de bataljon), die zoals het reglement voorschrijft, als eerste recht op zijn mannen voorafging, werd na 50 meter dodelijk getroffen.
De soldaten volgden zo dicht mogelijk het fosfor brakende en beschermende spervuur van hun artillerie, staken het zelfs op verscheidene plaatsen voorbij, vloekend dat het voor hen niet snel genoeg vooruitging. Naar doden en gekwetsten kon niet omgezien worden. Het 16de, 7de en 17de passeerden gelijktijdig zonder grote problemen de smalle Steenbeek en “Frankenstellung” (Verlorenhoek). Hier ondervond men weinig weerstand, want zodra de aanvallers opdagen, trekken de Duitse bunkermannen zich terug, op de Preussenstellung op de Frezenberghoogte. Rond 06.10u valt de Frezenberg na een hevig gevecht in handen van het 17de Linie.
De mannen, wier moed door het vernemen der gebeurtenissen op andere plaatsen aangevuurd was, en die zich door het wachten niet laten ontzenuwen hadden, waren met niet te beteugelen voortvarendheid bezield. Zij rukten ten stormloop gelijk duivels, spijts de hevige tegenwerking van de vijand, de grote moeilijkheden van de mars in een omgewoelde dode woestenij van modder en granaatkuilen en door de stortregen, die onophoudend uit de grijs sombere lucht viel, doorweekt. De officieren konden hun manschappen moeilijk intomen zich aan de opgelegde snelheid van 3 minuten per 100 meter te houden (na elke 3 minuten schoof de artillerie-barrage 100 meter op. Daarna hield de beschieting een kwartier op om de infanteristen toe te laten de linie aan te vallen). Ook de Preussenstellungen 1 en 2 (1000 meter voorbij de Frankenstellung) bleken voor de 8ID geen eenvoudige opdracht en kostte heel wat slachtoffers. Vooral bij de bestorming van de tweede lijn, werd heel wat weerstand geboden uit geïsoleerde machinegeweernesten.
Te 08.35u volgde de bestorming van de zware versterkingen van de Bayernstellung. De drassige vallei van de Hanebeek, haast onoverkoombaar wegens de vele rollen prikkeldraad, eiste een zware tol. Speciale eenheden van de genie moeten met behulp van ontploffingsstoffen enkele bressen maken in de versperringen. Door de grote verliezen was men ondertussen genoodzaakt de Belgische 11de Divisie, die in reserve lag, naar voor te sturen. Bunker na bunker diende heroverd te wroden. Nabij de Brieke-overweg stond een versterking van 30 meter lang. Een kompagnie van het 17de kon ongemerkt naderen en omsingelde de vesting. Na de Bayernstellung waren de volgende objectieven Zonnebeke-dorp en de bunkers van de voet van de Broodseindeheuvel.
De Franken-, Preussen- en Bayernstelling hadden samen een diepte van ongeveer 2.5 kilometer. Daarna nog vier kilometer tot de Flandern II Stellung 1. Sinds ongeveer 07.00u was de wind stormachtig beginnen huilen. De regen wakkerde aan en een echte stortvloed viel neer, die het gelaat geselde en de natte kledingstukken verzwaarde. Niet iedereen beschikte echter over regenkledij. Kruitdampen berookten een streek waarvan elke vierkante meter grond was omgewoeld, bunkers waren uiteengereten, lijken, wapens en munitie lagen.
 
Het terrein, dat reeds afschuwelijk was (de meeste bomen en struiken vernield), werd nu een echt moeras, waar men lastig en traag in voortplonste, in de verraderlijke granaatholen of obusputten dompelde tot aan de heupen en met moeite, vol slijk er weer uit opstond.   Dit maakte veel Belgen gemakkelijke doelen voor Duitse mitrailleurs. In dit niemandsland, deze apocalyps zonder herkenningspunten, moest het kompas de richting aangeven.
 
De eerste loopgolven, door het tweede bataljon van het 17e Linie (II/17) gevormd, hadden, wat later, voor zich al de steunpunten der “Flandern II –Stellung 1” overrompeld en bemeesterd. 09.00u, ondertussen nog een kilometer verder maar de beschietingen van de Belgische artillerie zijn gestopt evenals de aanvalstroepen. De Duitsers maakten van deze onverwachte rust gebruik om de stellingen op de Vlaamse heuvelkam opnieuw in te richten. De opmars van de infanterie zal vanaf dan veranderen.
Pas om 10.30u werd verder aangevallen maar de tegenstand is onbeduidend. Men vorderde slechts traag en verward door gebrekkige communicatie en coördinatie. De soldaten die reeds sedert middernacht op de been waren, waren vermoeid. De vallei van de Zonnebeek, tussen klooster en spoorweg, was één grote vijver. De spoorwegberm, hoewel op vele plaatsen diep omgewoeld, leek de enige begaanbare toegangsweg naar het centrum van de gemeente. Ze bereikten het centrum van Zonnebeke rond 11.00u.
Te 13.30u bevonden de eerste eenheden van het 17de Linie zich op het kruispunt van Broodseinde. De late middagpauze bracht enige rust. Niemand heeft ooit eerder dergelijke verwoesting gezien.
 
Het 17de Linie drong langs de Moorsledestraat door naar de Drogenbroodhoek. Patrouilles werden voorop gestuurd en komen tot op een half uur van Dadizele.
 
In de late namiddag kreeg Groepering Zuid de opdracht een gezamenlijke aanval uit te voeren. Maar daar de artillerie nog niet ter plaatse was, kon ze geen hulp bieden. Zonder deze steun bleef de aanval halfweg de heuvelkam steken. De stank van het door gas en kruit doordrongen moeras, gemengd met die van rottende onbegraven of uit hun graf omhoog geworpen lijken, was niet te harden, maakte misselijk. Alleen de lichte 75mm kanonnen hadden de opmars door de modder kunnen volgen. Maar droge plekken voor hun opstelling waren zeldzaam en dat was de reden waarom de Belgische 8ste Divisie, die te ver vooruit zat, moest terugkeren. Het bevel om de posities te ontruimen, werd bij de manschappen niet gunstig onthaald. De veroverde grond heeft hen meerdere gesneuvelden en tientallen gekwetsten gekost, en tijdens de terugtocht verloren ze nog een paar mannen.
 
De Duitsers maakten van de gelegenheid gebruik om hun verdediging te reorganiseren. De 52ste Reserve Infanterie Divisie, die zich te Moorslede bevindt, wordt naar de omgeving Drogenbroodhoek-Keiberg gestuurd om de verspreide eenheden te hergroeperen, en de uitgedunde regimenten aan te vullen. Dank zij deze steun kunnen zij rond 16.30u een laatste stormloop van de Belgen terugslaan. De Duitse machinegeweren, die zorgvuldig opgesteld staan, richten grote verliezen aan in de rangen van de 8ste en 11de Divisie.
 
 Het terrein was danig geaccidenteerd, omwoeld, drassig, chaotisch dat noch artillerie (op 6 kilometer) noch ravitaillering volgen konden. De vele dode opgezwollen paarden hadden een normale voortgang langs wegen verhinderd. Het was uitrusten en wachten op morgenvroeg. 
 
 Uit het oosten rezen uit het nachtelijke mysterie en de morgengevechten, strompelend, in de kille, plassende regen van dit herfstweer, een bloedende, lange, erbarmelijke stoet van gekwetsten en verminkten terug. De doden, en stervenden waar geen hulp meer kon baten, werden achtergelaten. Lijken werden uit bunkers gesleept om plaats te maken in het onderkomen.
 
 Een korte nacht zou op het terrein, in slechte omstandigheden, doorgebracht moeten worden. Het 17de maakte zich klaar om de nacht door te brengen op de westelijke helling van de Broodseinde. Een gepokt terrein met kraters acht à tien meter wijd, gevuld met water. Velen zochten bescherming in de natte obusputten met een stuk canvas als beschutting boven het hoofd. Stukken prikkeldraad overal. Sporen van 1917, het massagraf van de derde slag om Ieper. Maar de kalmte duurde niet lang. Er kwam een bevel waarbij de 12de Duitse Divisie terug het niemandsland in moest, om verdwaalde of gevluchte landgenoten op te sporen. De Duitse legerleiding kon de hoge verliezen van de voorbij dag moeilijk aanvaarden. De grond van de Frezenberg tot de Drogenbroodhoek lag bezaaid met gesneuvelden. Na dit intermezzo kondigde de nacht zich koud aan met een druilerige reken en mist.
 
Het regiment plantte, als enige, zijn vaandel op het aangewezen objectief (de Vlaamse heuvelkam), een groot aantal gevangenen en aanzienlijken buit bemachtigend. Het 17de had de grootste afstand (een achttal kilometer) afgelegd.
 
29 september, zondag
’s Anderendaags 29 september, om 03.30u 's nachts, herbegon de opmars in de richting van Moorslede. De legerleiding was overtuigd dat de belangrijkste hinderpalen overwonnen waren, beveelde de opmars naar Lendelede, om de volgende dag de Leie bij Harelbeke te bereiken. Zover zouden ze echter niet komen.
De drie bataljons van het 17e , in diepte gerangschikt, stormden nogmaals op tegen de vijand (Beierse troepen), wiens talrijke zware en lichte mitrailleurs, die op de Keiberg (ten zuidwesten van Moorslede) opgesteld waren, enkele ogenblikken daarna het vuur openden.
Doch de opmars van ‘t 17e was onstrembaar. Aangezweept door de overwinning van gisteren en heden door de zon, die bij wijlen hel en heerlijk schitterde tussen stortbuien door, rukten officieren en soldaten vooruit, niettegenstaande bloedige verliezen. De Duitse tegenstand was veel heftiger dan verwacht, het artillerievuur veel intenser. Te 11.07u kwam iemand melden dat de 3de kompagnie van het 17de Linie (waarvan Jozef De Vuyst deel uitmaakte) de Drogenbroodhoek-heuvel heeft ingenomen. 
Majoor Hamer, die het bataljon der eerste linie aanvoerde, werd gekwetst en ontruimd, doch zulks bracht geen vertraging teweeg. De grond was hier droger en de schrale begroeiing gaf wat beschutting. Aldus werd iets na 11u, na het oversteken van de Heulebeek, de Keiberg (45m) veroverd.   De stortvlagen der mitrailleurs maaiden ook soldaten van het derde bataljon van het 17de Linie neer.
Om 14.40u werd de wijk Waterdam (met het kruispunt aan de weg Moorslede-Dadizele) ingenomen met de hulp van de artillerie, en de Schotten, en de achtervolging ging voort richting het gehucht Sint-Pieter. Daar verging het moeilijk, want links en rechts knetterden nog steeds mitrailleurs en de Duitse artillerie overviel het 17de Linie met een regen van granaten, gas- en fosforbommen. 
Uitgeput bleef men steken op een lijn, ongeveer 1.500 meter ten oosten van Moorslede. De infanterie ziet zich verplicht zich in te graven, of dekking te zoeken in de hoeven of bosjes. 
 
Het gehucht Sint-Pieter werd omstreeks 15.30u, na zeven uur hevig vechten, bereikt maar niet overmeesterd. De westkant van de baan Roeselare-Menen was aldus bereikt.
 
 Het 1ste Bataljon van het 17de Linie (met Jozef De Vuyst) loste het vermoeide III bataljon af en hernam de vooruitgang naar Rollegem-Kapelle ten koste van pijnlijke opofferingen, want langs alle kanten bleven de mitrailleurs knetteren. Niettegenstaande de tussenkomst van de artillerie weerstond de vijand, beschut door zijn dekkingen in gewapend beton, met uiterste energie en wanhoop.
 
30 september, maandag
 De 30ste september, om 07.00u, herbegon de aanval, doch hij werd door de hevige Duitse weerstand vanuit de Flandern I Stellung met geweldig vuur der mitrailleurs en granaatwerpers afgeslagen. Het regende nu onophoudelijk en de wind raasde stormachtig. Om 10.00u, na een nieuwe voorbereiding door de artillerie, rukten de hardnekkige soldaten van het 17e terug aan, ook in ondersteuning van de flankerende Britten, doch tevergeefs. Een derde poging om 12.15u viel niet beter mee. De eerste warme soep wordt uitgedeeld terwijl het opnieuw begint te regenen. Het 17de Linie telde op 30 september alleen meer dan 100 doden en gewonden.
 
1 oktober, dinsdag
 De 1ste oktober, na een ernstige voorbereiding door de artillerie, trachtte het II/17 op zijn beurt Sint-Pieter in te nemen, een zware brok, en geraakte er toe na vier uren reuzenstrijd.
 Om 15.00u was het II/17 op 200m oostwaarts van de weg Menen-Roeselare, doch zijn linkerzijde was blootgesteld, daar het naaste regiment nog langs de westkant van de baan was. De gevorderde elementen van het bataljon stootten op het prikkeldraad van de “Flandern I –Stellung”, op 600 meter oostwaarts van de weg Menen-Roeselare (en vier kilometer verwijdert van de Flandern II Stellung). Daar waar de manschappen voordien op verspreide weerstandsnesten waren gestoten, stonden ze nu voor een continu diep uitgespreide verdedigingslinie. De enige oplossing om deze te doorbreken was door het naderbij schuiven van de artillerie en het aanbrengen van frisse troepen. De aanwezige manschappen konden nog slechts plaatselijke aanvallen uitvoeren om hun eigen posities te verstevigen of om de tegenstander uit zijn eigen voorposten van de Flandern I Stellung weg te houden.
 
’s Avonds was het opnieuw beginnen regenen maar het 17de Linie was in verbinding met de Britten aan kilometerpaal 8 van de weg Roeselare – Menen.
 
Het 17de bevond zich in een gevaarlijke situatie (een pijlstelling langsheen het Belgische front).
 
2 oktober, woensdag
Kost wat kost wilden de Duitsers de Belgen terugdrijven. Het vijandelijke geschut bulderde onophoudelijk, de mitrailleurs ratelden. Een hevige Duitse aanval mislukte. De verliezen stegen en het gehucht Sint-Pieter verbrokkelde beetje bij beetje. Het 17de had, meer dan 10 kilometer verder, de eer het speerpunt van het offensief te vormen. 
De honger knaagde. Reserverantsoenen (beschuiten) werden aangesproken.
In de 8e ID bedroegen de verliezen tot op deze dag 87 officieren (op 201) en 1.842 soldaten (op 6.021).
 
3 oktober, donderdag
Het weer beterde. In de namiddag werd zelfs de zon gezien. Bij valavond poogde een Duits tegenoffensief het 17de opnieuw te ontzetten te Sint-Pieter. Dit mislukte mede door verwoed weerwerk van kanonnen en mitrailleurs.
 
Het oponthoud aan de baan Roeselare-Menen werd uiteindelijk een oponthoud van twee weken. Het slechte weer bleef aanhouden, en behalve enkele lokale uitvallen van de Duitsers was er weinig te melden. Op 14 oktober werd de tweede fase van het bevrijdingsoffensief ingeluid maar dit keer zonder het zwaar beproefde 17de Linie-regiment.
 
Rust
9 oktober – 16 oktober
Het 17de werd ’s avonds afgelost door het 12de Linieregiment (eerst het III/17 bataljon (20.30u), dan het I/17 (21.30u) en als laatste het II/17 (tegen 04.00u van de 10de), respectievelijk eerste, tweede en derde in linie op dat moment. De aflossing geschiedde onder artilleriebeschieting waaronder gasgranaten. Het regiment begaf zich op weg naar De Panne voor rust, verzorging en aanvulling van z’n uitgedunde rangen.
 
Van Diksmuide naar Gent
Tijdens het verdere verloop van de bevrijding werd het 17de Linie-regiment ingezet op de volgende route: Oostkerke bij Diksmuide, Eesen, Vladslo, Bovekerke, Koekelare, Aartrijke, Zedelgem. Dan via Beernem, kanaal Brugge-Gent, kanaal van de Leie (Schipdonk), Drongen, Mariakerke. Overal werden zij bejubeld en binnengehaald als bevrijders. Jozef heeft echter niet het geluk gehad z’n stad Brugge te mogen binnenstappen als bevrijder.
 
Thuiskomst
De oorlog zou voor Jozef pas eindigen op 4 september 1919. Toen Jozef uiteindelijk te Brugge aankwam en zich naar het ouderlijke huis begaf in de Peperstraat 45, zag hij tot z’n grote verbazing dat z’n ouders niet opendeden maar vreemden. Jozef deed dan maar navraag naar waar z’n ouders gebleven waren. Tot z’n verwondering waren z’n ouders verhuisd en dit niet één keer maar twee keer. Vader en moeder waren op 8 september 1916 verhuisd in dezelfde straat naar het huisnummer 53, en per 30 december 1918 naar de Drie Kroezenstraat nummer 5. Er was al die oorlogsjaren geen contact geweest tussen Jozef en z’n ouders.
 

Jozef huwde met Louisa Schotte onder de zegen van pastoor Pille, in de Sint-Pieterskerk te Dudzele, op 10 juli 1920. Tussen 10 juli en 26 juli 1920 woonden zij in bij een oom van moeders kant te Brugge. Op 27 juli 1920 betrokken zij dan een eigen woonst in de Arsenaalstraat nummer 15 en dit tot 30 september 1923. Per 1 oktober 1923 verhuisden zij naar de Damsesteenweg te Dudzele. Een zestal weken na de geboorte van Raymond (°19.03.1925) werd dan, voor een laatste keer, verhuisd en dit naar de Kerkstraat nummer 3.

Jozef De Vuyst

° 20 februari 1895, Brugge

+ 14 januari 1979, Brugge

Opgesteld door Paul De Vuyst

 
 
Nasleep van de oorlog

 

Oudstrijdersbond Dudzele

 

 

In het interbellum was de verstandhouding tussen de veteranen of de “Anciens Combattants” groot en goed. Men zou kunnen zeggen dat men verder leefde als kameraden-soldaten. De Dudzeelse oudstrijdersvereniging, opgericht in 1919, werd geleid door dhr.Valentin Vanaudenaerde. Valentin was zelf drager van 8 frontstrepen, het maximum aantal. Voor de kinderen van de oudstrijders van het dorp werd er jaarlijks ondermeer een groot Sinterklaasfeest gehouden in de Drie Zwanen. Met een kerstboom tot aan het plafond. Volledig versierd en de pakjes kwamen via de familie Vanaudenaerde. NSB Dudzele was meer dan een vereniging van oudstrijders die hun overleden makkers herdenkte. Zij hielp mee een sociaal netwerk te bieden voor haar leden in nood.
 
Valentin en Marie Dehaene (oudste dochter van dokter Dehaene) zouden samen een grote rol spelen in het oprichten van de kapel ter herdenking van de Dudzeelse gesneuvelden. Er stond ook een offerblok. Het verzamelde geld uit de offerblok van de kapel werd gebruikt om misvieringen te houden.
 
In de jaren dertig werd de roep om erkenning van de frontsoldaten steeds luider. In mei 1932 ondertekende Koning Albert een wet waarin de Vuurkruiser werd erkend (met bijhorende roodkleurige vuurkaart voor de houder). Vuurkruisers waren nu officieel soldaten die minstens een jaar lang deel hadden uitgemaakt van een eenheid die op het front had gestaan en contact had gehad met de vijand. Sindsdien bestonden er twee soorten veteranen.
 
Na de tweede wereldoorlog ontstond een nieuwe groep oudstrijders. Dit waren soldaten die de 18-daagse veldtocht hadden gemaakt in mei 1940. De oudstrijdersvereniging Dudzele, nog steeds onder leiding van Valentin Vanaudenaerde, maakte voor hen geen uitzondering en sloot hen solidair in de armen.  Het verschil tussen 18 dagen en jaren oorlog viel echter voor sommige veteranen moeilijk te verteren.
 
Ondertussen was de roep, op nationaal en provinciaal vlak, van de Vuurkruisenbond om meer erkenning in stijgende lijn. In 1955 publiceerde “De Nationale Vuurkruisenbond” het bekende “GROENBOEK” met als ondertitel: “Voor het streven naar en het verwezenlijken van meer rechtvaardigheid in de wereld der Oudstrijders 1914-1918”. De rechtvaardigheid werd gezocht in “beloningen”, “vergoedingen” en “prioriteiten”. Zo was het steeds meer gelijkstellen bij het uitgeven van vereremerkingen en vergoedingen een doorn in het oog van de vuurkruisers. De mannen van de “achteruitlinies” verdienden dit niet volgens hen. De Vuurkruisenbond werd op nationaal niveau geleid door niemand minder dan piloot Ridder Willy Coppens.

 

Het “Groenboek”, verstuurd op 28 juli 1955 (zie poststempel bovenaan rechts).
 
De boekjes met groene kaft werden in het Nederlands en in het Frans het land rondgestuurd onder andere naar de leden die zich in de jaren dertig massaal hadden ingeschreven in het Guldenboek der Vuurkruisers.   Een vijandige toon was gezet. Een kleine interne oorlog begon van hoog tot laag; vanuit de nationale politiek tot aan de lokale oudstrijdersvereniging. Deze wrijvingen, die vaak tot op spijtig persoonlijk niveau tussen oudstrijders werd gestreden, werd ingegeven door een aantal elementen. De oorlog was reeds lang achter de rug, haar invloed taande, en er waren steeds minder vuurkruisers. De vuurkruisers waren reeds in de minderheid. Bovendien was er een tweede oorlog geweest. Een oorlog die een schaduw had geworpen op de kleinschaliger eerste.   De soldaten uit de tweede oorlog hadden “maar” 18 dagen gestreden, terwijl de vuurkruisers lange jaren aan het front hadden gestaan. De vuurkruisers eisten meer rechtvaardigheid in verhouding tot hun inspanningen. 
 
De propagandamolen zweepte op ondermeer met het verspreiden van postkaarten waarop de vuurkruiser stond afgebeeld met het kruis van Christus op de rug, tijdens een calvarietocht door het niemandsland van het front. De vuurkruisers hadden gevochten de anderen niet.

Opgesteld Paul De Vuyst

 

Daar waren wij alleen. De mannen van de vuurlijn. Kaart uitgegeven door de Vuurkruisenbond, Brussel.
 
De vuurkruisers stapten plots niet langer samen op in de stoet  met de andere oudstrijders door Dudzele. Hetzelfde scenario in vele andere gemeenten. Zij stapten apart achter hun eigen vlag in de 11 november-stoet.    Het hoeft niet gezegd dat dit hier en daar leidde tot ruzie en verdeeldheid in dorpen en steden, zo ook in Dudzele. 
 
Diep van binnen werd de wrevel en de ruzie voor een stuk ingegeven door een ander aangevoeld onrecht, namelijk dat van armoede en trots. De soldaten in de vuurlinie waren doorgaans ongeschoolden, arbeiders en vooral landarbeiders. Mensen van eenvoudige en arme komaf. De mannen van de achteruitlinie, de zogenaamde “embusqués” zaten zogezegd veilig ver weg van het front en betroffen volgens de vuurkruisers vaak militairen met een bepaalde scholing (met vaak kennis van het Frans) of specifieke ambacht. Zij zaten vaak in opleidingscentra, hospitalen, administratieve diensten van het leger, bevoorradingsdiensten, transporteenheden, oorlogsindustrie, enz. Op politiek vlak was het een strijd om meer rechtvaardigheid, op sociaal vlak werd het soms aangevoeld als een strijd tussen bevolkingsklassen.
 
Jozef De Vuyst kende beide werelden. Hij zat de eerste helft van de oorlog in de achteruitlinie en de andere helft in de hel van het front. Is het mede daarom dat hij (te) heftig de kar van de vuurkruisers trok? Hoedanook creëerde de ganse toestand soms een kwalijke nasleep tussen bepaalde veteranen en families in het dorp.
 
Maar dit was niet de enige “oorlog” tussen oudstrijdersverenigingen in ons land. Er was ook de strijd tussen de Nationale Strijdersbond (NSB) en de Vlaamse Oud-Strijdersbond (VOS). 
 
Bronnen
Van het Vrijbos tot Roeselare (Robert Baccarne, Jan Steen, 2002)
Lief en leed uit dagen van lijden (dr.K.Elebaers, 1925)
De Grote Oorlog (Abraham Hans, 1920)
Aux deux mille morts des 7e, 17e, 27e regiments de ligne (s.d., s.l.)
Van de Yzer tot Brussel (M.Weemaes, kolonel, s.d.)
Historique de la 9e Division d’infanterie (1924)
Historique due 12e Régiment de Ligne, Tome II, 1914-1918 (col. A. Massart, 1977)
Deuxième tiroir aux souvenirs (F.Temmerman, 1966)
Vers la victoire (J.Verhaegen, 1920)
Naamstenen 1914-1918 (1988)
1918 Doorbraak en bevrijding (R.Lampaert, 1998)
Vu et Vécu (R.Willems, 1931)
Het bevrijdingsoffensief 1918 gezien door koninging Elisabeth (A.Deseyne, 1998, Prov.West-Vlaanderen)
Silhouettes du front Belge (L.Tasnier, 1919)
Croquis et Silhouettes de guerre (E.Lallemant, 1923)
West-Vlaanderen, tijdschrift, 1964
Zonnebeke 1914-1918, Aleks en André Deseyne, 1976
 
Dankwoord
Renilde De Vuyst (°1921 / + 2010)
Raymond De Vuyst