Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

.

 

Gustaaf Mus

   

      (° 1891 Dudzele - + 1916 Gent)

 

 

 

 

Gefusilleerd op de stedelijke schietbaan te Gent

                                   De schietbaan te Gent

 
Van 1915 af tot aan hun terugtocht hebben de Duitsers op de stedelijke schietbaan, gelegen buiten de Gentse stadsrand, mensen ter dood gebracht.

Wie met het executiepeloton deze vlakte betrad, zag allereerst de houten palen, die opstaken uit de groeven.  
 
Hij zag ook een gapende kist, wachtend op hem.   
 
De bekendmaking van de executie met een plakbrief moest dienen als afschrikmiddel.   Executies moesten de bevolking waarschuwen voor het gevaar om als spion gearresteerd te worden.   De dood of deportatie naar Duitsland waren er onlosmakelijk mee verbonden.
 
In Gent stelden de Duitsers tijdens de Grote Oorlog 52 spionnen terecht. 
 
De doden werden niet op de Schietbaan begraven maar op de Gentse Wester begraafplaats.
 
De Grote Oorlog
 
In 1914 ontvluchtten 1.500.000 burgers (of 20% van de bevolking) België voor het oorlogsgeweld. De Duitse invaller plunderde, stichtte brand en vermoordde ongeveer 6.000 burgers. Om en bij de 25.000 huizen en gebouwen werden moedwillig en gepland in de as gelegd. 
 
Dit nooit eerder geziene barbaarse gedrag deed vele Belgen in het bezette gebied overgaan tot actieve of passieve vormen van verzet. Het actieve verzet werd door de Belgische en geallieerde legers vanuit Frankrijk en Groot-Britannië gestuurd en georganiseerd. 
 
Rijkswachter Gustaaf Mus keerde terug naar België in burgerkledij met als opdracht het organiseren van een spionage-netwerk. Gustaaf werd per schip naar Nederland gebracht om daarna over de grens met België binnengesmokkeld te worden. Gustaaf was in Dudzele geboren, kende de grensstreek nabij de Nederlandse grens, de haven van Zeebrugge en bovendien was hij perfect tweetalig. Deze pluspunten zouden echter leiden tot z’n executie.
 
 Spionage tijdens de Grote Oorlog
 
Al in augustus 1914 werden troepenbewegingen en activiteiten van de vijand gadegeslagen en die informatie werd overgemaakt aan de militaire overheid.
 
Tegen het einde van 1914 was het systeem van spionage wijdverbreid onder de Belgische en Noord-Franse bevolking. De meeste spionnen werkten in een soort netwerk. Op het einde van de oorlog zouden er pakweg 7 000 burgers – waarvan er ongeveer 1 900 werden gearresteerd - ten dienste van de inlichtingendiensten gestaan hebben. Hiervan werden er 280 door de Duitse bezetter in de loop van de oorlog terechtgesteld.
 
Het netwerk werd meestal geleid door achtergebleven of teruggestuurde rijkswachters. Vaak waren dit getrouwde mannen met een klein gezin. Leeftijden varieerden tussen de 25 en 50 jaar oud. Het ging vaak om ambtenaren, overheidspersoneel, spoorwegpersoneel, postbeambten, tram- en treinbestuurders, sluiswachters, bedienden, arbeiders of kleine zelfstandigen. Ze woonden veelal langsheen de landsgrens waar ze gemakkelijk brieven en informatie naar het neutrale Nederland konden smokkelen, of langsheen een spoorweg of in een stedelijke gemeenschap.   De verzamelde informatie werd via koeriers overgebracht.
 
Spionageactiviteiten gebeurden niet zomaar, maar werden georganiseerd en uitgevoerd in opdracht van de Belgische of geallieerde overheid.
 
Deze mensen verzamelden informatie van de bewegingen van het vijandelijke leger; troepen, materiaal, vliegvelden, havens, wegen en spoorwegen, enz.

Spionnen werden gearresteerd door de Duitse (geheime) politie die hen naar de gevangenis brachten waar zij soms dagenlang werden ondervraagd. Na een lange periode van wachten volgde het proces. Hele of delen van netwerken werden samen voor Duitse rechters gebracht. Belgische advocaten werden maar zelden op een proces toegelaten. Na een terdoodveroordeling mocht de advocaat wel bemiddelen bij de gratieverzoeken en zocht hij contact op met de familie. Onmiddellijk na de weigering van het gratieverzoek werd het vonnis voltrokken.

 

Virginie Loveling, Gent, 11 augustus 1916


Virginie Loveling vertelt in haar dagboek het volgende over vrijdag 11 augustus 1916:
 
“Heden om zes uur (-). Buren wenken elkaar op hun drempels en vertellen fluisterend met ontdane aangezichten, dat zo even in de Schijfschieting zes veroordeelden doodgeschoten zijn.
 
Een der terechtgestelden is De Clercq, onderpastoor van St. Pieters Aygem, een wijk van Gent; zelfs mijne wijk. Hij woonde met een zuster en hun tachtigjarige moeder.   Het was haar veroorloofd hem vaarwel te zeggen, onder 't voorwendsel, dat hij 's anderdaags naar Duitsland zou gestuurd worden. De zuster was ingewijd in het geheim van wat hem te wachten stond, de moeder niet.
 
Een geestelijke bracht met hem den nacht door in zijne cel. Om drie uur las de veroordeelde mis, gedurende welke hij driemaal in zwijm viel.
Daarna reikte hij de communie aan zijn rampgenoten. De zes kisten waren onder den plankenvloer van hun zitplaatsen in den vervoerwagen geschoven en werden gereed gesteld op de plaats der Schijfschieting, waar ze voorbij moesten gaan.
 
Onder 't getal was een gendarm, Mus genaamd. Hij weigerde den blinddoek en stiet met den elleboog een soldaat, die hem ombinden wilde, ruw op zijde.
 
Voor het lokaal der Schijfschieting stonden hopen reeds ingelichte nieuwsgierigen en medelijdend-verontwaardigden om de kisten te zien buitenkomen.”
 
 
Heinrich Wandt, 11 augustus 1916
 
Duitser Wandt schrijft het volgende in z’n boek “Etappenleven te Gent”:
 
“Eenen spion te ontdekken en aan te houden was echter ook de vurigste wensch van iederen eenvoudigen soldaat, veldgendarm en militairen politie-agent. Want voor deze “heldendaad” waren het IJzeren Kruis, bevordering en klinkende belooningen in uitzicht gesteld, zonder dat men hiervoor zijn leven aan het gevaarlijke front op het spel hoefde te zetten. (-).
 
De verdachten stonden aldaar vreeselijke martelingen uit. Dagenlang kregen zij geen voedsel, en men bewerkte hen bij middel van gummistokken om bekentenissen af te persen. De dikke muren van de gevangenis aan de Coupure hebben dikwijls weerklonken van wilde schreeuwen der gefolterden. (-).
 
Dikwijls gebeurde het, dat heele troepen spionnen ineens doodgeschoten werden. De jonge en edele onderpastoor De Clercq, die in de kerk van St.-Pieters-Aalst het woord Gods verkondigde en eenige spionnen onderdak verschaft had in zijne sakristij, werd op 11 Oogst van hetzelfde jaar met vijf andere personen voor de kop geschoten.”
 
Wie waren de zes terechtgestelden op 11 augustus 1916?
 
De zes terechtgestelden waren:
August Alfred Algoet, geboren te Tiegem op 4 juli 1891, onderofficier en rijkswachter in St.-Kwintens-Lennik;
Jozef Braet, geboren te Gent op 21 juni 1882, advokaat te Bevere bij Oudenaarde;
Octaaf Declercq, geboren te Gentbrugge op 4 juni 1873, onderpastoor te Gent;
Aloïse Van Gheluwe, geboren te Westrozebeke op 9 september 1856, handelaar in sigaren te Kortrijk;
Aloïse Windels, geboren te Ingooigem op 23 maart 1889, handelaar aldaar; en
Gustaaf Mus, rijkswachter, wachtmeester, geboren te Dudzele op 17 juli 1891.
 
Pastoor Declercq was priester te Gent in de parochie van Sint Pieters-Buiten, toen een nieuwe wijk voor de gegoede burgerij gelegen aan de stadsrand, ten zuiden van de spoorwegberm aan het Sint Pietersstation.
 
 
Wie was Gustaaf Mus?

Gustaaf Mus

 Gustaaf Mus werd geboren op 17 juli 1891 te Dudzele en was de jongste van een gezin dat 7 kinderen in leven telde.
 
Zijn ouders, Michiel Mus en Nathalia Vandendriessche, woonden in de Dorpstraat 105 (nu St-Lenardstraat 56 te Dudzele) waar ze een winkelherberg “IN DE TIJGER” uitbaatten. Vader Mus was ondermeer kleermaker en barbier.
 
Gustaaf Mus was op jeugdige leeftijd een beloftevolle amateur wielrenner.
 
Op 23 september 1912, op 21 jarige leeftijd, trad hij toe tot de Mobiele Groepering van de Rijkswacht te Brussel. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog op 4 augustus 1914 was Gustaaf in functie als wachtmeester te paard (stamnummer 13276).
 
Bij het uitbreken van de oorlog werd Gustaaf ingedeeld bij de Rijkswacht eskadrons die tot aan de consolidatie van het front achter de IJzer in de maand oktober 1914 de opdracht kregen om te paard te patrouilleren, zich te specialiseren in achterhoedegevechten (voeren van guerrilla activiteiten) en de vijandelijke troepenbewegingen te observeren.
 
Gustaaf’s eenheid was ingekwartierd op de westelijke oever van de Schelde. Het eskadron gebruikte vaak de overzet vanaf Zevergem (herberg “Het Veer”) richting oostelijke oever te Schelderode om verkenningen in vijandig gebied uit te voeren. In dit laatste dorp was er een herberg “In den Handboog” genaamd. Deze werd uitgebaat door de familie Erbo. Telkens een opdracht werd uitgevoerd, kwamen de militairen terug en werd eerst het glas geheven op de goede afloop van de missie.   Deze missies, tot diep in vijandelijke gebied, hadden reeds een maand geduurd en in deze periode had Gustaaf een vriendschappelijke band opgebouwd met de familie Erbo. Maar op een bepaalde dag kwam Gustaaf niet terug van een missie. Gustaaf had het niet gehaald.
 
Op 11 oktober 1914 werd hij geschoten in z’n dijbeen (fractuur) tijdens een hinderlaag te Landskouter, een deelgemeente van Gontrode in Oost-Vlaanderen, maar hij kon ontsnappen aan de vijand en gevangenschap. Uiteindelijk werd hij gerepatrieerd naar een militair hospitaal in Engeland.
 
Op 2 mei 1915, na een langdurig genezingsproces, werd Gustaaf gerekruteerd voor de Belgische inlichtingendienst, iets waarvoor hij zich vrijwillig had opgegeven.
 
 
 
Kort daarop kwam hij terug in het door het Duitse leger bezet België, met als opdracht voor de “Belgische inlichtingendienst van het Groot Hoofdkwartier van het Belgisch Leger 2de bureau” een spionage netwerk op te richten.
 
Het werd de “Service des Gendarmes”, waarvan de naam om begrijpelijke redenen (de naam was wel wat te opvallend) snel veranderd werd in “Service des Ambulants” (Dienst der Rondtrekkenden).
 
Het werd een netwerk waarvan de netwerkhoofden bijna allen rijkswachters waren die op vrijwillige basis hun diensten ter beschikking stelden voor het uitvoeren van deze levensgevaarlijke opdracht. Het was de bedoeling om in het bezette gebied medewerkers te rekruteren in middens van achtergebleven rijkswachters en gepensioneerden van het Korps. Op hun beurt zouden deze betrouwbare personen inzetten om aldus een gans netwerk te creëren, met als hoofddoel het noteren en doorseinen van de bewegingen van de vijandelijke legers (troepen – materiaal – vliegvelden – havens - wegen en spoorwegen – aantallen – gemoedsgesteldheid, enz.).
 
Al deze mensen verzamelden informatie die dan door koeriers werd overgebracht naar een centrale brievenbus toebehorende bij een pastorij te Gent waar de stukken door een andere koerier werden opgehaald. Op deze manier kon men vermijden dat de verschillende koeriers elkaar zouden kennen.
 
De inlichtingendienst, hoogstwaarschijnlijk op aangeven van Gustaaf, had als laatste stopplaats-brievenbus alvorens Gent te bereiken, gekozen voor café “In den Handboog” van de familie Erbo te Schelderode. Vandaaruit kon de pastorij van Octaaf Declerq bevoorraad worden van informatie (via de Schelde, via de weg en zelfs via spoor).
 
De Belgisch-Nederlandse grens werd overschreden tussen Zelzate en ‘t Sas van Gent (NL) richting Vlissingen alwaar alle stukken op het Belgisch Consulaat gecentraliseerd werden.
Van daaruit werd alles overgemaakt naar het hoofdkwartier van de inlichtingendienst in Folkstone (GB) voor verdere verwerking ten behoeve van het Belgische leger en zijn Geallieerden.
 
Het netwerk
 
Op het hoogtepunt van de werking van het netwerk kon Gustaaf Mus rekenen op 100 á 120 personen.
Hijzelf nam de leiding over de provincies Oost- en West-Vlaanderen na de arrestatie van enkele andere agenten. Zo had hij de medewerking aan priester Declercq uit Gent gevraagd en gekregen. Het hoofdkwartier van het netwerk was in de pastorij (een soort laatste halte voordat de informatie naar Nederland werd gebracht).

 

 

Gustaaf Mus was ondermeer rechtstreeks betrokken bij daden van sabotage waarbij treinen werden ontspoord en trein- en tramsignalen werden ontregeld.
 
Zijn broer François (°18 november 1887), postbode, had te Brussel de leiding over de provincies Brabant en Henegouwen terwijl nog een andere broer Pierre (°24 december 1869), kleermaker te Etterbeek, dienst deed als verbindingsagent tussen François en Gustaaf.
 
Het netwerk stond hier in de streek onder andere aan de basis voor het plannen van de aanval op de haven van Zeebrugge in de nacht van 22 op 23 april 1918, beter gekend als de “ST. GEORGES DAY”.  
 
Het verraad
 
Hij werd door de Duitsers opgespoord na verklikking door een van zijn koeriers, de genaamde D.M. Fr. Uit P. (NL).  
 
Op 30 maart 1916 werd Gustaaf in Gent in de onderpastorij van St Amandsberg aangehouden door acht Duitse politieagenten.   Het verhaal gaat als volgt.
 
Naar gewoonte ging Gustaaf naar de pastorij van priester Declercq te Gent. De afspraak was dat wanneer een onbekende de deur opendeed, dit betekende dat er problemen waren. Gustaaf verliest z’n koelbloedigheid niet en vraagt aan de persoon:
“Pardon, mijnheer, heb ik me vergist. Is dit niet het huis van de priester?”
“Wat komt U hier doen?” vraagt de eerste.
“Vraag aan de priester of hij niet zou willen komen om een oud stervend moedertje te berechten.”
“Kom even binnen.”
Mus is op z’n hoede, gaat beleefd in op de uitnodiging. Misschien zal hij kans zien te ontsnappen. Eenmaal binnen ziet Mus een kans om een venster te openen en door het open raam naar buiten op straat te springen. Helaas de volgende dag, wil Mus woord houden op een afspraak bij z’n koerier en wordt opgepakt.
 
Gustaaf werd aangehouden te Gent aan het krantenkiosk op de Korenmarkt.
 
Tijdens de periode voor Gustaaf’s arrestatie, en tot een tijd erna, werden nog vele medewerkers, alsook quasi alle leidinggevende personen van het netwerk mee in de val gelokt door deze verklikker.
 
De terechtstellingen
 
Naast de zes eerder vermeldde personen werden nog eens vijf mensen van het netwerk terechtgesteld.
 
Te Brugge, Kazerne Langestraat op 08 mei 1916
Delaplace Jules, rijkswachter
Desloovere Jules (woonachtig te Koolkerke) arbeider in de gistfabriek Brugge en schoonbroer van de gebroeders Mus
Titeca Charles, hij was één om medische redenen gereformeerde rijkswachter later tewerkgesteld als bareelwachter bij de spoorwegen te St-Michiels
 
Te Brussel, Nationale Schietbaan
Op 04 september 1916
Mus François
Op 13 december 1917
Vergauwen François, aannemer in schrijnwerken
 
In Brussel vonden de terechtstellingen plaats op de Nationale Schietbaan te Schaarbeek. Heden ten dage bevindt dit beluik zich achteraan de gebouwen van de VRT aan de August Reyerslaan, in een bijna niet te vinden zijsprong van de Kolonel Bourgstraat.
De veroordeling
 
Vóór zijn veroordeling werd Gustaaf Mus zwaar gefolterd, evenwel zonder naar bekentenissen over te gaan. Onder andere stak men hem in een ijzeren kast die met bajonetten, die pijnlijke maar geen dodelijke verwondingen konden veroorzaken, was doorstoken. Daarna werd hij daarin gerold en geschud.
Lichamelijk en psychisch leed tot gevolg.
 
Toen na een schijnproces voor het Duitse Krijgsgerecht te Gent (veroordeling, 27 juni 1916 door de “veldkrijgsraad der mobilen Etappen-Kommandatur 237/VIII van de IV.Armee” wegens verspieding), Gustaaf ter dood veroordeeld werd, zou hij bij het uitstappen van het voertuig dat hem naar het executieoord had vervoerd, het dienstpistool van de bevelvoerende officier van het executiepeloton hebben afgenomen en op deze hebben gevuurd.
Volgens de ene bron zou Gustaaf onmiddellijk daarna ter plaatse zijn afgemaakt door 2 schoten in het hoofd.
 
Volgens een andere meer aannemelijke bron zou hij na aankomst godsvruchtig geknield hebben. Priester Declercq gaf hem een laatste zegen. Hij werd terechtgesteld aan de executiepalen door het executiepeloton en had geweigerd zich te laten blinddoeken.   Op het laatste moment riep hij: “Vaarwel. Voor het Vaderland!”
 
Afscheidsbrief
 
Enige uren vóór zijn executie schreef Gustaaf nog volgende afscheidsbrief aan zijn moeder broers en zussen..
 
 
Zeer beminde Moeder, Broeders, Zusters, Vrienden, Vriendinnen.
 
Daar de dag, het uur gekomen is, dat de goede God mij wil bij hem roepen, om voor eeuwig in zijn rijk te treden, kom ik U mijn laatste vaarwel schrijven.
Morgen vroeg 11 augustus, in de voormiddag moet ik de doodstraf ondergaan.
Neem moed, lieve Moeder, ik weet wel dat dit een zware steek in uw hart zal zijn; doch troost U.
Het is niet als misdadiger dat ik sterf, neen dat niet: het is maar voor de verlossing van hun allen, en troost U, ik zal een engel in de hemel zijn. Want ik sterf met veel moed, juist gelijk of dat ik naar ene kermis moet gaan, en dezen avond heb ik een goede biecht gesproken aan de Belgische aalmoezenier.
Zoo dus, stel U gerust. Straks ben ik met mijn beminden Vader en lieve Broeder Viktor.
Moeder lief,neem moed, gelijk onze Lieve Vrouw, die heeft ook alzoo haar eigen Zoon moeten zien onschuldig sterven en een kort leven is eene korte rekening. Zoodus moed en later zullen we gelukkig zijn in de hemel. 
Laat mijn doodbeeldekens drukken met mijn portret als gendarm. Deel ze uit aan mijn vrienden.
Later moogt ge naar de gendarmerie gaan en daar zullen ze U den achterstel van mijn solde geven; die is voor U alleen. Er is nog een som van 1000 tot 1200 fr. bij de Duitse Kommandantur te Gent: vraag die en ’t is ook voor U.
Nu lieve moeder, het zal U misschien wel pijn doen van eens niet te kunnen komen. Nochtans heb ik het hun laten weten. Er is niets aan te doen.
Er zijn er zoveel tegenwoordig. Zoodus ik ben niet meer weerdig als een ander. Ik sterf met vollen moed. Zoodus lieve Moeder, neem moed en Uw zoon is een Engel in de Hemel
Moeder, er is hier nog een laatste gedachtenis: mijn handschoen, mijne horloge, mijn plastron, mijn col, pardessus, mijne medaljen van St. Antonius en O.L.Vrouw. Wees mij indachtig in Uwe gebeden.
Den goeden dag aan de familie Verhoeven en aan Mariette,. Vaarwel lieve Moeder, Broeders, Zusters.
                                                                               
 
                                                                                Uw lieve zoon
                                                                                         Gustaf
 
Ps. Bedankt ook de Zusters van Liefde, Molenaarsstraat, Gent; want die menschen hebben mij veel plezier gedaan van mij zoolang eten te geven.
                                                                                                                            
                                                     Gustaf
 
Lieve Moeder, Broeders en Zusters, het is reeds 4 uren in deze morgend, het uur onzer dood nadert.
Ik Uw zoon Gustaf en mijne kameraden Alexander en Aloïs zitten samen in eene cel. Wij hebben den ganse nacht doorgebracht met bidden, zingen en vertellen. De mis gaat beginnen; die gaan we hooren en dan naar den Tir National direkt met veel moed.
Allons, Lieve Moeder, courage en ik kus U nogmaals voor de laatse maal van verre. Adieu, vaarwel
Uw lieve zoon Gustaaf die sterft voor het vaderland.
 
 
 
 
Na de oorlog
 
Zijn broer Pierre kon de dans ontspringen hoewel hij 2 maal ter dood werd veroordeeld, eenmaal voor spionageactiviteiten en de tweede maal voor het doden van de Duitse soldaat die hem had gearresteerd tijdens een identiteitscontrole te Hekelgem, op de grens van Brabant met Oost-Vlaanderen toen hij op de vlucht was.
 
Pierre Mus werd gelauwerd in naam van zijn gevallen wapenbroeders als “Held van Zeebrugge” en ontving de “Order of the British Empire”, de “Légion d’Honneur”, de “Leopoldsorde” en nog verschillende andere eretekens.
 
Gustaaf en twee van z’n broers werden paginawijd gelauwerd in het tijdschrift “Notre Pays, Revue panoramique Belge” van 15 juni 1919 onder het titelblad “Hommage aux Patriotes Martyrs. In Memoriam.” Er staan maar liefst zes foto’s van de familie Mus.
 
Epiloog
 
Na de oorlog, in 1921, na een lang onderzoek, velde het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaaderen te Gent zijn arrest tegen de bekende verklikker, en formuleerde volgende stelling:
 
“dat het inderdaad het recht is voor de vijandelijke legers de bespieders tot ter dood te veroordelen, zelfs wanneer deze bespieders zoals het ter zake is geschied, uit zuivere vaderlandsliefde gehandeld hebben, aangenomen wordt omdat dit recht in alle militaire strafwetboeken geschreven is……….”
 
D.M. Fr. uit P. (NL) werd bij verstek tot levenslange opsluiting veroordeeld.
Gezien de gepleegde feiten, en de zware gevolgen, een zeer lichte straf.
Hij werd nooit aangehouden.
 
Naar het schijnt verborg de betrokkene zich bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog onder een mesthoop, toen begin mei 1940 een deel van het Belgisch Leger zijn woonplaats doortrok tijdens de aftocht juist over de grens,.
De man schijnt gelukkig te hebben geleefd te midden zijn kroostrijk gezin.
Hij overleed op 09 mei 1968, volgens het zeggen van een bepaald familielid , na een verschrikkelijke angstige doodstrijd!
 
 
 
 
 
Dudzele
 
Gustaaf was ongehuwd (en had geen kinderen) maar woonde tijdens de oorlog niet thuis in Dudzele maar in Sint-Jans-Molenbeek, Brussel. 
 
Zijn twee broers François en Pierre waren ook lid in het verzet. François zou uiteindelijk door z’n vrouw verklikt worden, zij zou een dubbelrol vervuld hebben door te werken voor de Duitse inlichtingendiensten. 
 
François zou net als z’n broer Gustaaf de dood vinden voor het vuurpeloton. Pierre zou tot driemaal toe weten te ontsnappen en verbleef de rest van de oorlog in België, meer bepaald te Elsene en in de Brussels agglomeratie. Dit steeds op de vlucht of ondergedoken.
 
Het minste wat gezegd kan worden is dat de Dudzeelse familie Mus een zeer opmerkelijke familie was.
 
De inwoners van Dudzele wisten af van de spionageactiviteiten van de gebroeders Mus. 
 
In 1985, had dhr.Guy Erbo een onderhoud met FEVEREY Raymond (°16.01.1908) en zijn echtgenote PINTELON Irma (°22.01.1911) in hun huis te Dudzele. Irma was bevriend met de Familie Mus.
Beiden vertelden het volgende: " Op een bepaald ogenblik tijdens WO1, naar het einde toe, hadden de Duitsers vermoedens dat Pierre MUS zich in Dudzele schuilhield.  Hij was daar effectief, al dan niet toevallig, bij onderpastoor Bolle samen met een zekere Louis Huys.  De dorpskern werd door de Duitsers omsingeld en doorzocht en meer bepaald de oude kerktoren naar waar de Duitsers hun geweer richten. Vooraleer dit gebeurde had Mus Pierre echter reeds zijn toevlucht gezocht tot het klooster en school rechtover de kerk, alwaar hij gedurende anderhalve dag plat is blijven liggen in de dakcorniche.  Dit tot dat de laatste Duitsers Dudzele hadden verlaten.  Noch onderpastoor Bolle, noch Louis Huys werden verontrust". 
 
 
Gustaaf heeft ondermeer ondergedoken gezeten bij de familie Danneels in café “De Vrede”.“
 
Pierre Mus
 
In een verslag van journalist Gustave Babin wordt allusie gemaakt op het feit dat de Bruggelingen zo weinig afwisten van de oorlog, zelfs niet wat in Zeebrugge gebeurde. Van een dramatische gebeurtenis in september 1915 is bij Brugse chroniqueurs over de oorlog niets terug te vinden. Wel in…
 
Het dagboek van een zuster uit het plaatselijke klooster:
 
“Op 26 september 1915, een schone stille avond, brengt de wandelaars van Heist naar huis terug. De tram heeft drukke bezigheid. Zeer veel soldaten zijn zich ook naar Heist gaan verlustigen en komen terug naar Zeebrugge met de tram van 7h30. In volle stoom komt hij aan maar … de brug over het kanaal staat open en … de tram vliegt de diepte in. Men hoort huilen, roepen en tieren; alarm wordt gegeven, electrieke stromen komen de vaart verlichten en laat toe gedurende de nacht meer dan 100 lijken op te halen. Sommige der aan de dood ontsnapten zijn krankzinnig geworden. Anderen nemen de gelegenheid te baat om, daar alle aandacht van de Duitsers gaat naar wat is voorgevallen, om te vluchten naar Holland”.
 
De Duitse marine soldaten zochten hun vertier, veelal van lichte zeden, in hoofdzaak te Knokke-Heist.  Deze soldaten van Oostende en Blankenberge maakten elke week hun uitstap met de kusttram.  Dit wekelijks terugkerende gebeuren maakte het mogelijk om een complot tegen de Duitsers te smeden.  Dit complot werd georchestreerd door PIERRE MUS.  Om te kunnen slagen was tevens de hulp nodig van de sluismeester (Visartsluis te Zeebrugge), de trambestuurder en de kaartjesknipper.  De route van de tram lag enigszins anders dan nu het geval is, namelijk de tram kwam uit een bocht naar de sluis toe.  Bij het uitkomen van de bocht werd de tram op volle snelheid opgedreven en sprongen de twee heren uit de tram.  Er zaten geen burgers op de tram.  Alle drie (sluismeester, trambestuurder en kaartjesknipper) vluchtten naar Nederland.  Om en bij de 100 Duitse soldaten kwamen hierbij om.  Een aantal van hen werd uiteindelijk niet gerepatrieerd (46).  Deze liggen nog steeds te Zeebrugge naast de kerk.  Bij het betreden van de oorspronkelijk Duitse militaire begraafplaats gaat men onder een boog door.  Op deze boog kan men lezen welke gemeente het "peterschap" heeft opgenomen.
Gezien de meeste slachtoffers gehuisvest waren te Blankenberge werd de Sint-Rochuskerk, in het centrum van de stad, omgevormd tot één grote rouwkapel waarbij de ganse middenbeuk links en rechts van de centrale middengang opgevuld was met doodskisten.
Niettegenstaande de Duitsers wisten dat het hier om een "aanslag" handelde konden zij dit niet officieel toegeven en werd de term "Unfall" gehanteerd om geen onnodige onrust te creëren.

                          François Mus

 
 
 
Gebidsprentjes

 

 

Het oord der gefusilleerden te Gent
 
Vandaag bevindt het oord der gefusilleerden van de schietbaan te Gent zich in de Offerlaan, een zijstraat van de Martelaarslaan. Na de Grote Oorlog werd het ereperk ingericht onder de benaming “OORD DER GEFUSILLEERDEN – TERECHTSTELLINGSPLAATS DER VOOR DEN KOP GESCHOTENEN”. Er werden 52 meidoornbomen aangeplant die elk een gedenkplaat dragen met de naam van één der terechtgestelden. Het geheel is nu jammerlijk verwaarloosd.
 
Evere
 
Gustaaf en François liggen vandaag naast elkaar begraven op de stedelijke begraafplaats van Brussel te Evere.
Het monument is opgedragen "AAN DE SLACHTOFFERS VAN HUN PLICHT".  Als men langs dat monument verder stapt, komt men achteraan in een ereplantsoen met een ander monument (zie foto) met links en rechts graven. De eerste 2 graven van de rechtse vleugel, tegenaan dit monument, zijn opeenvolgens dat van François MUS en Gustave MUS. Onder de bronzen plak met hun beeltenis, staat de vermelding " Fusillé le 04 septembre 1916" voor François en "Fusillé le 11 août 1916 voor Gustave".

 

 
Dankwoord
 
Deze tekst zou nooit tot stand zijn kunnen komen zonder de hulp van volgende personen (in willekeurige volgorde):
Dhr.Jan Van der Fraenen
Dhr.Martin Vanacker
Dhr.Guy Erbo
Dhr.Karel Danneels
Dhr.Freddy Vandenbroucke
Dhr.Raymond De Vuyst
Dhr.Geert Willem
 
Een zeer speciaal woord van dank aan dhr.Guy Erbo uit Knokke. De toewijding en ernst waarmee dhr.Erbo het verleden van z’n familie heeft onderzocht is zonder weerga. Het woord levenswerk is hier op z’n plaats. Met dank voor het gezellige onthaal en de spontaniteit waarmee informatie gedeeld werd over dhr.Gustaaf Mus. Zonder deze medewerking kon deze tekst onmogelijk gemaakt geweest zijn.
 
Deze tekst werd geschreven voor NSB Dudzele, zomer 2008.

Bibliografie
 
Loveling V., In Oorlogsnood. Gent, 1999
Jouret G., Histoire de la Grande Guerre 1914-1918. Imprimerie Commerciale et Industrielle, La Louvière, 1929
Tytgat Ch., Acta Martyrum, Nos Fusillés (Recruteurs et Espions). Charles Bulens & Cie, Bruxelles, 1919
Kirschen S., Devant les Conseils de Guerre Allemands. Rossel & Fils, Bruxelles, 1919
Wandt H., Etappenleven te Gent. H.Janssens, Ledeberg Gent, 1921
Lipkes J., The German Army in Belgium, August 1914, Rehearsals. Leuven University Press, 2007
Streuvels S., In Oorlogstijd. Het uitgegeven en onuitgegeven oorlogsdagboek 1914-1918 (Luc Schepens). Orion, Brugge, 1979
Lyr R., Onze Helden gestorven voor het Vaderland. N.V. Drukkers en Uitgevers Maatschappij “Ons Land”, Brussel, 1926
Ballegeer J.en Danneels L., Dudzele in oude prentkaarten. Europese Bibliotheek – Zaltbommel / Nederland, 1981
Erbo G., Geschiedenis mijner familie – de familie Erbo door de eeuwen heen. Privé-archief.
Van der Fraenen, J., Voor het Duitse vuurpeleton: executies in bezet België tijdens de Eerste Wereldoorlog, tussen realiteit en mythe, thesis, 2005. Zie pagina 3, alinea 1, 2 en 6. Zie pagina 15, alinea 1, 2, 3 en 4.

Paul De Vuyst 2008 NSB Dudzele