Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.


 

De Ongewapende Held

Broeder Danneels Edmond

Tekst: P.De Vuyst

 

Dienen in het teken van het kruis

Dudzele

Vele jaren geleden toen vogels rijkelijk dansten in sierlijke lijnen, en zo het daglicht feilloos hielpen zichtbaar te maken, en beekjes en grachten die wemelden van visjes, salamanders, kikkers en andere, was er een jongeman met een steeds diepere liefde voor dit prachtige vlakke polderland waarin hij opgroeide.  Hij leefde in een unieke omgeving die eindeloos werd opgedeeld en ingekaderd door torenhoge bomen die de hemel leken te schoren en het vruchtbare land koelte toewuifden met hun krachtige armen.  Reeds als zestienjarige werd de roeping om respectvol en dankbaar nader te komen tot de schepper van deze majestueus mooie streek te sterk; bewondering zette zich om in een sacrale liefde voor het leven.  Een liefde dit zich wou vertalen in dienstbaarheid voor natuur en medemens.  Hij zou zijn leven ten dienste stellen van het Hogere, in werk en in bezinning.

Het ouderlijke huis van Edmond in de jaren vijftig.  Het postje werd gepacht van de adellijke familie Coppieters Stochove (heden Koolkerkewegel, nr.7).

In gezin van de ouders Edward “Wardje” Danneels en Mathilde Duysburgh, beiden van Dudzele afkomstig en woonachtig in de Ronselaerestraat, werden negen kinderen geboren  van wie er echter maar drie het kinderbed zouden overleven, namelijk Edmond (°16/07/1893), Hendrik (°29/09/1897) en Camiel (°29/01/1901). 

De anderen haalden het niet:

  • Arthur Danneels (°02/09/1894  † 22/10/1894)
  • Elisa Danneels (°25/05/1896  † 19/10/1896)
  • Constant Danneels (°17/01/1899  † 15/03/1899)
  • Firmin Danneels (°10/09/1904 † 24/10/1904)
  • Joseph Danneels (°10/09/1904  † 03/11/1904)
  • Theopiel Danneels (°12/03/1906  † 31/07/1906)

In 1906 vinden we “Mondje”, zo werd Edmond in de omgang genoemd, in het juvenaat van Brugge, waar hij twee jaar verbleef om dan naar de normaalschool van Gent te vertrekken.  Daar hij niet uitblonk, zond men hem op 13 december 1909 naar ’t noviciaat te Rooigem.  Edmond ontving er het kleed van de orde op 19 maart 1910 (naamdag van de H.Jozef), hij profeste in 1911, deed vervolgens dienst in ’t Strop (Gent) tot hij in september 1913 naar Hollogne-aux-Pierres (nabij Luik) vertrok om er de zwakzinnige kinderen bij te staan (Instituut Saint-Lambert).  Hij vond steun in eenvoud, praatte niet veel en antwoordde steeds vriendelijk met een stille glimlach. 

Hollogne-aux-Pierres (lez-Liège), Instituut St.-Lambert, onder leiding van de Broeders van Liefdadigheid.

De keuze van Edmond om broeder te worden zou hem enkele jaren later in een compleet andere militaire context plaatsen.  Een keuze die zijn dood zou bespoedigen.

Voorwoord

Toen het parlement in 1909, onder dreigende oorlogswolken, de uitbreiding van de dienstplicht wou goedkeuren, vroeg de kerkelijke overheid een tegenprestatie.  Namelijk dat haar “elite” en “keur” van de bevolking vrijgesteld kon worden van dienstplicht in vredestijd.  Was het leger met haar kazernes immers geen plaats waar de christelijke waarden onder druk stonden.  Die jonge elite bestond uit toekomstige onderwijzers, de novicen van kloosterordes, missionarissen en de seminaristen van de bisdommen.

 

Bij de afschaffing van het lotelingensysteem aanvaardde men deze tegenprestatie; er zouden uitzonderingen bestaan.  Jongemannen die niet naar de kazernes zouden moeten trekken.  Maar daar stond iets tegenover; deze mannen dienden zich te bekwamen in de gewondenverzorging en op eigen houtje een cursus in te studeren zodat ze in voorkomend geval van mobilisatie in oorlogstijd de rol van brancardier-verpleger op zich konden nemen.  Deze ongewapende legerdienst zouden zij vervullen bij diensten met humanitaire doelstellingen zoals hospitalen en ziekenwagens.  

Al vanaf het einde van de 19de eeuw werkte het leger hiertoe aan een “Guide Pratique du Brancardier Militaire Belge”.  De toekomstige brancardiers dienden zich de inhoud ervan door zelfstudie eigen te maken.

In 1914 beschikte het Belgische leger over militaire hospitalen en over een geneeskundige dienst, de zogenaamde “Colonne d’Ambulance”, maar die was niet in het leger geïntegreerd; dit wil zeggen dat de “Colonne d’Ambulance” deel was van een legerdivisie en niet van een kleiner onderdeel zoals een bataljon noch een regiment, noch maakte de kolonne deel uit van strijdende troepen.

In geen enkel leger vormden de Rode-Kruisdiensten een onderdeel van het leger.  In de omgang tussen soldaten waren de mannen met de witte armband echter voor altijd “die van het Rode Kruis”.

Een “Colonne d’Ambulance” (met paardentractie) in de buurt van het front

Onderdeel van het Belgisch leger

Op het moment dat de oorlog kloosterling Edmond Danneels (broeder Ludwinus) op 1 augustus 1914 opeiste, had hij geen enkele militaire ervaring; hij was immers als geestelijke “een vrijgestelde van dienstplicht in vredestijd”.  Als broeder had hij zich aangediend in de kazerne in 1913 en dit voor amper één dag.  Met matricuulnummer 197/24996 trok hij een jaar later in monnikspij naar de oorlog.  Hij was op 16 juli 1914 net 21 jaar geworden en was de zoon van een koopman (leurder - voddenkoopman), klein boertje en een huishoudster. 

Edmond werd ingedeeld bij de “Troupes Auxiliaires du Service d'Intendance” (T.A.S.I.) of de hulptroepen van de intendancedienst.  Deze omvatte tevens het personeel voor de “Troupes d’Administration du Service Sanitaire” (T.A.S.S.) of het administratieve bataljon van de gezondheidsdienst. 

Het administratiebataljon bemande de ziekenwagens van de “Colonnes d’Ambulances”.  De ziekenwagens, door paarden getrokken, werden beheerd door het transportkorps van elke legerdivisie.  Naast de brancardiers behoorde ook het andere personeel (dokters, apothekers en dierenartsen) tot de administratieve troepen.

Edmond werd ingedeeld bij de vijfde legerdivisie. Een legerdivisie telde tussen de 300 à 400 brancardiers.  De medische afdeling in elke legerdivisie werd verondersteld de eerste zorgen toe te dienen en de gewonden naar de hulpposten over te brengen.

Het gewondenvervoer door paardenambulances verliep volgens een vast patroon.  Eerst vervoerden ze brancardiers en draagberries naar een hulppost of verbandplaats waar gewonden reeds de eerste zorgen hadden gekregen.  Vandaar brachten ze de gewonden naar een verder gelegen, voorlopige, mobiele infirmerie, opgericht door de hospitaalsecties.  Na verzorging en ‘triage” werden de gewonden per ‘sanitaire trein’ geëvacueerd naar de achtergelegen hospitalen.

De gezondheidsdienst van het Belgische leger was in augustus 1914 echter niet voorbereid op de schok van de moderne oorlogsvoering.  De eerste maanden van het conflict en de bewegingsoorlog getuigden van een volledige desorganisatie van een gezondheidsdienst die niet in staat bleek het hoofd te kunnen bieden aan de noodtoestand.

Aan het einde van de 19de eeuw werkte het leger aan een “Guide Pratique”, een cursus van meer dan 200 bladzijden met veel tekeningen. Deze gids was   bedoeld voor de brancardiers in opleiding (afbeelding kaft 2de uitgave, 1900).

Het oorlogsverhaal van Edmond

Toen Edmond werd opgeroepen tijdens de mobilisatie in 1914 had hij nog niets van het leger gezien, behalve dat hij ooit in 1913 de militaire wetten had horen voorlezen.  Daarna had hij terug naar huis gemogen.  Na drie maanden had hij succesvol het examen afgelegd van brancardier-verpleger.  Dwong een oorlogsdreiging het land tot mobilisatie dan moest hij naar de kazerne komen en zou hij ingeschakeld worden in de hospitalen en of het gewondenvervoer.

Hij was blij geweest dat hij niet in het leger moest zoals de andere dienstplichtige soldaten maar dit zorgde er wel voor dat hij en andere kloosterlingen naïef, ongedisciplineerd en totaal niet vertrouwd met het militaire apparaat op de naamafroeping op 1 augustus 1914 zouden verschijnen.

Naarmate de maand juli 1914 haar einde naderde, steeg met de oorlogskoorts een gevoel van onbehagen.  In deze periode van onzekerheden stuurde vader abt de jongere dienstplichtige broeders vanuit Gent naar huis.  Zij zouden immers straks nog afscheid moeten nemen van vader, moeder, broers en zussen.

Toen Edmond zich thuis in monnikspij aanmeldde, met bijhorend opvallend kruis die tot net boven de buikkoord danste, had niemand hem daar verwacht.  De ontvangst was warm hartelijk en de zoon werd genegen omarmd door vader en moeder maar de sfeer was beladen.  Het blije weerzien ging gebukt onder het verstilde besef dat zij evenzeer een afscheid zou kunnen zijn.   Edmond deed z’n best om zijn ouders en beide broers gerust te stellen met de boodschap dat de oorlog niet lang zou duren en dat deze voor het einde van het jaar zeker zou beëindigd zijn.  Bovendien zou hij zelf ongewapend zijn, beschut worden door zijn vertrouwen op God en droeg hij de band van het neutrale Rode Kruis op de bovenarm.  Moeder Mathilde klemde haar onrustige handen samen in haar schoot en bleef rusteloos kijken naar haar oudste zoon die zij vijf jaar eerder had afgestaan aan het kloosterleven.  Toen hij iets later thuis vertrok, tekende zij aan het kleine poortje onwetend, met bevende hand, voor de laatste keer een kruisje op z’n voorhoofd.  Edmond hield zich sterk en nam de zomerse groene weiden en akkers beladen met zon, vruchten en gewassen diep in zich op.  In Dudzele had hij in het hart van de landelijke natuur z’n roeping gevonden; een beeld dat hij nooit meer wou vergeten.

Op 1 augustus nam hij de trein vanuit Brugge richting Gent, vandaar naar het militaire hospitaal te Antwerpen.  Een nieuw avontuur kon beginnen.  Op de koer van het hospitaal is het een kluwen van toekomstige brancardiers.  Er zijn niet alleen geestelijken van alle mogelijke orden aanwezig maar ook schoolmeesters.  Weinigen hebben er aan gedacht om zich te kleden naar de komende oorlogsomstandigheden en staan te wachten in hun lange religieuze kledij of leraars met bolhoeden.  Op de binnenkoer slaat het wachten om in verveling.  Beetje bij beetje wordt de groep getrieerd.  Edmond reist af naar het fort van Wilrijk. In deze periode van verwarring en gebrek aan organisatie komt Edmond finaal aan op zijn verzamelpunt te Grimbergen waar de brancardiers van de 5de Legerdivisie samenkomen.   Op de dorpsplaats ziet Edmond voor de eerste keer de door paarden getrokken ziekenwagens en ontmoet er verschillende dokters, evenals de chef, commandant Bastin.  Er wordt voor logement gezorgd, ook bij particulieren.  

Als soldaat-brancardier maakt hij voor eerst kennis met soldatenkost, maar hij hoeft niet veel.  De groep zet zich op weg naar Dendermonde en is er te vinden op 3 augustus.  De volgende dag om 23 uur ’s avonds gaat het fluitsignaal af maar de nieuwe tocht zal pas ’s nachts aanvatten,  richting Perwez.  Onderweg moet de kolonne verschillende malen halthouden om het enthousiasme van de burgerbevolking te beantwoorden; mensen delen brood, bier, sigaretten, melk, wijn en allerlei andere lekkernijen uit.  Sommige meer begoeden gaan zelfs zo ver om champagne aan te bieden.  Het is onmogelijk om de geestdrift van de mensen te beschrijven, noch van de indruk die dit nalaat.  De tocht van Dendermonde naar Perwez, gaat via Gembloux wat niets anders werd dan één lange ovatie.  De kolonne werd begroet door alles en iedereen; kinderen, landarbeiders, iedereen riep: “Leve België”.  Kleine Belgische vlaggen verschijnen aan elk raam.  De kolonne bereikt haar bestemming Perwez.  Kantonnement is voorzien te Thorembais-Saint-Trond.

Op donderdag 6 augustus besluit commandant Bastin om de “Colonne d’Ambulance” te organiseren.  Er zijn in totaal 400 brancardiers aanwezig.  Er wordt beslist om op te splitsen in groepen (“escouades”) van 20, met telkens een chef aan het hoofd.  Een dergelijke groep dient samen te blijven, zo ook bij overnachtingen.

De kolonne reist van Thorembais naar Lathuy (via Oprebais, Sainte-Marie Wastines, Orbais en Dongelbert).  Valse alarmen schrikken de kolonne onderweg verschillende keren op.  Er wordt gekampeerd in open terrein.  Kanunnik Temmermans voert een misdienst op in open lucht.  Na Lathuy volgen Pietrebais en opnieuw Lathuy (10, 11 en 12 augustus).  Aalmoezenier Termmermans leidt het grootste deel van de kolonne.  Op 14 augustus bereikt de stoet Willebringen (Boutersem, in de buurt van Leuven).  Commandant dokter Bastin wordt vervangen door majoor Lebrun. De brancardiers ontvangen hun rode kruisarmbanden. Op 15 augustus vinden we de kolonne terug in Tourinnes-la-Grosse waar een heerlijke nacht wordt doorgebracht.  De 16de vinden we hen terug in Beauchevain in een vuile en door muizen geïnfesteerde boerderijschuur.  Vandaar gaat het terug naar Tourinnes om er de 17 en 18de te kamperen in een vochtig en laaggelegen veld aan de voet van de heuvel waarop het dorp werd gebouwd.

Geestelijken stappen mee achter de ambulance, augustus 1914

Edmond reist steeds in monnikspij en ontvangt z’n eerste stuk militaire uitrusting; een drinkbus.  Dinsdag 18 augustus begint een terugtocht richting Brabant.  De kolonne verblijft opeenvolgend te Sint-Joris-Weert (met overnachting), Sterrebeek, Zaventem, Diegem en Machelen.  Overal blijft het ontvangst door de bevolking zeer warm en hartelijk.  Zij kruisen Vilvoorde, al zingend en onder langdurig applaus, en overnachten vervolgens in Eppegem.  In Humbeek, Grimbergen, Nieuwenrode, Londerzeel en Raamdonck opnieuw die vrijgevigheid van de lokale bevolking.  Edmond helpt, aan de voet van het fort van Puurs, bij het plaatsen van prikkeldraad.  

Daarna verblijven de brancardiers enkele uitstekende dagen te Bornem.  In bepaalde dorpen worden drinkgelegenheden, cafés, opgezocht.  De mannen maken muziek, drinken en zingen samen.  Niets doet Edmond vermoeden dat hij enkele maanden later zou sterven.

Op 25 augustus 1914 verlaat de kolonne Bornem, en na een kantonnement te Tisselt, arriveert zij de daaropvolgende dag te Eppegem waar een eerste verdeling van verband wordt gedaan aan de brancardiers.  Iets verder klinken de kanonnen.  Na meer dan 20 dagen oorlog komt voor de eerste keer de oorlog gevaarlijk dichterbij.  Wat tot dan een uitstap leek, zal een nachtmerrie worden.  

Augustus 1914.  Naast de “Colonne d’Ambulances (met paardentractie of het C.A.) was er ook de “Colonne Automobile d’Ambulances et Brancards” (gemotoriseerde ambulancedienst of het C.A.A.B., dit met opgevorderde burgervoertuigen), hier in de buurt van Tienen (wellicht 2de Legerdivisie). Enkele broeders en een aalmoezenier (met hoed) wachten om gewonden op te halen.

De Jagers te Voet zijn op een klare morgen in contact gekomen met de vijand.  Zij zijn ten aanval getrokken tegen onzichtbaar opgestelde mitrailleurs.  De eerste gekwetsten houden zich schuil in de tarwevelden tussen de schoven van de laatste oogst.  De bataljonsdokters zetten hun hulpposten op in de nabijheid van het slagveld.  De dokters sturen de brancardiers uit naar plaatsen waar zij menen soldaten te hebben zien vallen of waar zij kreten menen gehoord te hebben.  De verbandzakken liggen spoedig overal opengegooid op de grond, om snel een eerste verband te kunnen plaatsen.  In het klooster van Laar is een verzamelpunt ingericht voor gekwetsten.  Na verzorging in de hulpposten worden de gekwetsten door de brancardiers begeleid tot aan het klooster, nog anderen brengen gekwetsten vervolgens tot aan het station van Mechelen.   Aan het station bevinden zich tientallen wagens waarop gekwetsten op stro liggen.  De handen van de brancardiers zitten al snel onder het bloed.  De ongelukkigen worden op “trains sanitaires” geholpen om daarna weggebracht te worden naar hospitalen.

Op vrijdag 28 augustus verlaat de kolonne Bornem.  Via Puurs, Calfort-Ruisbroek en Niel, gaat het naar Schelle waar de brancardiers twee dagen verwend worden op uitstekende matrassen.  De laatste nacht breekt er paniek uit, maar het is vals alarm.  Het zijn Belgische soldaten die hun geweren afvuren op een Zeppelin die bommen gegooid heeft op de stad Antwerpen.

Op 3 september arriveren de eerste stuks militaire kledij en men kan de monnikspij ruilen voor de kledij van een infanterist.  Maar de kledij blijkt allesbehalve in goede staat te zijn en bestaat uit een allegaartje van verschillende eenheden.  De brancardiers besluiten om zich naar het fort van Kontich te begeven.  Maar daar zijn er slechts 250 stuks uitrusting voor 400 brancardiers beschikbaar.  Edmond beslist om in monnikskleed te blijven.

De 4de september, ’s nachts, ontvangt de kolonne opdracht om zich op weg te zetten richting Willebroek waar de brancardiers de nacht doorbrengen op de straatstenen van de grote markt.  De volgende dag om 7 uur is de groep op weg naar het Fort van Liezele en de schans van Letterheide waar hevige Duitse aanvallen werden afgebroken.  Na het evacueren van de gekwetste Belgen en Duitsers naar het station kamperen de brancardiers te Niel tot de 10de september 1914.  De volgende dagen vinden we ze vervolgens te Boom, Blaasveld en Zemst waar het 3de Jagers te Voet ten strijde trekt.  Na het bezetten van Laar en Scheele, keren zij terug naar Niel tot de 25ste september.  Op de 25ste september verblijven ze te Rupelmonde.  

De 26ste zijn ze te Opdorp.  Kort daarop vangt het beleg van Antwerpen aan.  De 7de oktober is de kolonne in Vrasene.  

 

Indrukwekkende foto van Belgische soldaten (Carabiniers) die een “Colonne d’Ambulance” kruisen, augustus 1914.  Bemerk de takken op de ruggen van de honden.

De aftocht uit Antwerpen is begonnen.  De 3de oktober wordt de Schelde bij Burcht overgestoken.  De 8ste verblijft men te Wachtebeke waarna men vertrekt naar Zelzate, Ertvelde en Eeklo.  De 9de te Lembeke, de 10de te Sint-Andries bij Brugge, daarna te Oudenburg waar men aankondigt om brancardiers toe te wijzen aan de regimenten.

De 12de oktober arriveren ze omstreeks twee uur ’s morgens te Alveringem.  Iedereen is uitgeput en men brengt de rest van de nacht ter plaatse door.  De volgende dag is er opnieuw de vraag naar brancardiers op te delen per regiment.  Er volgt een eerste herverdeling en toewijzing per regiment maar velen ontbreekt het nog aan geschikte kledij.  De 13de oktober gaat de opdeling verder.  De 14de oktober zet de kolonne zich op weg naar Klerken. De 15de worden te Esen de Franse marine fusiliers ontmoet.  De 16de oktober begeeft de groep zich Reninge en Oostvleteren (waar Franse Dragonders zich tonen) naar Stavele waar ze verblijft tot de 21ste oktober.  Gedurende deze tijd strijd het 2de Jagers te Voet te Noordschote bij Diksmuide en te Sint-Jacobs-Kapelle. 

Donderdag de 22ste oktober bevindt de kolonne zich te Fortem waar men onmiddellijk brancardiers opvordert naar Diksmuide waar men verschrikkelijke gevechten voert; gewonden moeten op het slagveld gezocht en opgehaald worden.

De 23ste oktober ontstaat grote verwarring in de kolonne.  92 geestelijken worden naar de achterhoede gestuurd.  Maar niemand wil het front verlaten.  Er ontstaat een hevige woordentwist tussen broeders en seminaristen; uiteindelijk moeten de kloosterorden naar de achterhoede.  Edmond moet aldus de IJzerslag verlaten en wordt naar Calais (Kales) gestuurd om daar de wapens te leren  hanteren.  Door seminaristen hiervan op de hoogte gebracht, wordt dat onmiddellijk verboden door minister de Broqueville.  Dit is immers in strijd met de Conventie van Genève.  

Foto verschenen in de Duitse “Illustrierter Kriegskurier”

Eind oktober worden Broeder Ludwinus en de andere broeders verdeeld over de 42 militaire hospitalen van de stad Calais.  Belgische gekwetsten arriveren er met vele duizenden.  Sommigen maken gewag van 15.000 gekwetste en of zieke militairen. 

Enkele honderden zijn doodziek door ontbering, uitputting, gebrek aan hygiëne; de tyfusepidemie neemt hand over hand toe.  De ziekte is zeer besmettelijk.  Soldaten met dergelijke symptomen worden onmiddellijk in afzondering geplaatst en verwijderd van de anderen. Niemand voelt zich geroepen om deze soldaten te verzorgen.  Dit weerhoudt Edmond er niet van om onvoorwaardelijk, als een Heilige, voor deze gekwetste en zieke soldaten te zorgen.  Deze soldaten waren voor hem de nieuwe leprozen, de zwaksten der zwaksten.

Na zeven weken hospitaalwerk wordt ook Edmond aangetast door de besmettelijke ziekte tyfus.  Iets voorbij half december wordt een fel verzwakte en doodzieke Edmond overgeplaatst naar het “Chateau Dubroeucq”.  Hij wordt er in quarantaine geplaatst om een week later te overlijden op Kerstmis 1914, de bijbel tussen de vingers gekneld, met de Heer als getuige.

Sterven met het gelaat naar God gericht

De uitbraak van een tyfusepidemie, tijdens en na de ravage van de IJzerslag, was een ware catastrofe voor burgers en militairen.  Edmond verbleef vanaf 23 oktober, tot aan zijn dood, in Calais, in twee militaire hospitalen; in de ene werkte en verzorgde hij, in de ander kwam hij bij de Heer. 

Edmond was een jeugdige, liefdevolle Samaritaan voor lichaam en ziel van de zieke soldaten.  Gedurende verscheidene weken verzorgde hij met tedere liefde de soldaten-tyfuslijders in een militair hospitaal, te Calais, Frankrijk.  Franse en Nederlandse bladen uit die tijd spreken over de jeugdige kloosterling met voortreffelijk lof.  De arme, teneergeslagen lijders stonden vol verwondering voor de jonge religieus.

Broeder Ludwinus zijn woorden waren als een vloed van zalvende vertroosting, die de smarten deden insluimeren, die op de tranen van wanhoop de glimlach van de hoop deden volgen, die de neergeslagen harten onder het gewicht van droefheden en smarten wisten her op te beuren.

De droevige ziekte die heerste, haar eisen, haar onaangenaamheden, haar walg konden hem niet ontmoedigen.  Niets kon hem doen aarzelen; niets was boven zijn ijver en zijn naastenliefde.  Ganse dagen en nachten bracht hij aan het ziekbed door zonder na te denken, dat zijn krachten konden teniet gaan.  Na 7 weken werd hij zelf door ziekte aangetast.  Medebroeders van de andere hospitalen en van de treindienst wipten even binnen en vernamen hoe hij, die weldra niet meer kon gaan, toch nog op de knieën naar de anderen kroop om ze te gaan helpen.

Het zou echter niet meer voor lang zijn; op Kerstdag kwam Onze-Lieve-Heer hem halen.  Bewegingsloos en uitgemergeld lag hij met holle doffe ogen te lijden, alleen, in isolatie.  De starende ogen verrieden het ijlen, de nachtmerries en vele deliriums.  De koorts had hem in haar greep en zette zegevierend felle rode kleuren op de wangen van zijn bleke gelaat. Tussen de magere vingers knelde hij de bijbel stevig vast. Langzaam kwamen de beelden van hoge bomen, vluchten vogels, het postje, vader en moeder z’n ziel zuiveren.  Moeder kon hem hier niet meer een laatste kruisje op het voorhoofd plaatsen maar zijn liefde voor zijn ouders zou hen nooit alleen laten.  Hij zou nu het werk verderzetten aan de Stoel van de Heer tot de Eindtijd.  In een gloed felle reine kleuren ging hij in alle rust over in een andere dimensie, dit aan de hand van de Heilige Moeder die zich voortschrijdend verschool in een lang gedrapeerd wit kleed. 

In het hospitaal was de droefheid groot en algemeen, toen de geliefde lijder het tijdelijke met het eeuwige wisselde.  Een talrijke menigte overheden en soldaten woonde zijn lijkdienst bij die tevens deze was van de deken van Nijvel, de E.H. Corvillain.  De Z.E. Heer Kanunnik Temmerman sprak in diepgevoelige woorden zijn lofrede uit over Broeder Ludwinus:

“Allen bewonderden zijn grenzeloze liefde.  Niets was hem te veel om dienst te bewijzen en de zieken enige troost te brengen.  Met de grootste eerbied brengen wij onze groet aan deze overwinnaar van de liefde”.

Calais 1914.  Kanunnik Temmerman aan het graf van Broeder Ludwinus.

                  Naoorlogs bidprentje gedrukt bij Scherpereel, Dudzele.                                 Bemerk de foute sterfdatum.

Broeder Ludwinus was een schone bloem, geplukt in de liefde hof van de Congregatie.  Heden, gewis, bloeit die bloem in de hof der eeuwige Lente.  Verre van het koude ballingsoord, het hoofd omringd door een zonnekroon, zingt Broeder Ludwinus voor immer de lof van de Heer.

Op het stadskerkhof werd Broeder Ludwinus begraven naast de deken.  Een groot kruis met J.M.J.V. teken (Jezus, Maria, Jozef, Vincentius), en het wapen van de Congregatie werd op het graf geplaatst; de mooiste synthese van dit korte leven !  Een “Souvenir à notre cher camerade, mort au champ d’honneur”, met een kleine foto werd uitgedeeld aan alle soldaten die hem gekend hadden.

 

Door de besmettelijke ziekte tyfus geveld, overleed hij te Calais op Kerstdag, 25 december 1914 (overleden in bevolen dienst, gesneuveld).  Hij werd er op het laatst verzorgd in het Hôpital Temporaire in de “Rue du Midi” in het kasteel “Chateau Dubroeucq”.  De grootscheepse algemene vaccinatiecampagne van november en december 1914 kwam voor hem te laat.  Vele Belgische soldaten zouden aan deze ziekte bezwijken. 

Edmond verbleef de laatste week van zijn leven in het kasteel Dubroeucq.  Het kasteel was per 16 december 1914 in gebruik genomen als militair hospitaal.

Edmond (matricuul 24996) werd op 28 december 1914 begraven op de stedelijke begraafplaats van Calais (carré militaire Belge du cimetière communal de Calais, Cimetière Nord, Avenue Pierre de Coubertin). 

Vanaf mei 1915 zouden brancardier-verplegers hun opleiding krijgen in het C.I.B.I. in het kamp van Auvours (nabij de Franse stad Le Mans).

Het Rode Kruis

In toepassing van de wet van 30 maart 1891, die aan het Rode Kruis van België rechtspersoonlijkheid verleent, beschrijft het Koninklijk Besluit van 22 januari 1892 de samenwerking tussen het Rode Kruis en de gezondheidsdienst van het leger; het Ministerieel Besluit van 25 februari 1893 somt de taken in oorlogstijd op.  Bij de mobilisatie wordt het Rode Kruis aan het reglement van de gezondheidsdienst onderworpen.   Het algemeen doel was “hulp verlenen aan gewonde of zieke soldaten”.  Er werd uitdrukkelijk bepaald dat de organisatie steun moest verlenen aan het leger in oorlogstijd “comme auxiliaire du service de santé de l’armée”.  Deze wet maakt het Rode Kruis, een vrijwilligersorganisatie van burgers, tot een mobilisatiereserve van de Gezondheidsdienst van het leger.

De organisatie “Het Rode Kruis” kreeg van de wetgever de taak opgelegd om vrijwilligers te vormen die als reserve van de medische dienst van het leger konden optreden.  Het Rode Kruis diende in staat te zijn om het transport en evacuatie van gewonden te verzekeren, personeel op te leiden, alle militaire hospitalen in de kazernesteden te bemannen en daarbij nog de tijdelijke noodhospitalen, veldhospitalen, enz.    Bovendien materiaal voor de verzorging van zieken en gewonden samen te brengen en de geëvacueerde personen sanitair bij te staan.

 

Augustus 1914.  Onder toezicht van het Rode Kruis België worden te Sint-Jans-Molenbeek (Brussel) Belgische gekwetste soldaten verzorgd en klaargemaakt voor hun vertrek naar Gent.

Epiloog

De hulpverleners op het slagveld stonden onder het bevel van de militaire hiërarchie.  Er waren dus militaire brancardiers nodig voor het ophalen en wegvoeren van de gewonde soldaten naar de achterhoede van de gevechtslinie waar zich de post bevond van de regiments- of bataljonsarts.  Deze militaire arts besliste dan over de verdere verzorging en liet de gewonden transporteren naar hospitalen.  Dit laatste was de taak van de brancardiers van de “Colonne d’Ambulance”.  Pas vanaf dat ogenblik was een overheveling naar het Rode Kruis mogelijk.

De militaire overheid had geen uitrusting voorzien voor de soldaat “dienstvrijgestelde in vredestijd”.  Tijdens de eerste maanden van het conflict droegen de geestelijken, seminaristen en onderwijzers dan ook respectievelijk de monnikspij, het priesterkleed of een burgerpak.  Allen weinig praktisch voor het uitvoeren van de taken van een brancardier of een verpleger.  De tenues hadden geen militaire uitstraling en waren voorzien van het teken van het Rode Kruis op de arm.  Om de dracht van en sleet op persoonlijke kleding te compenseren, werd een vergoeding uitbetaald.  Sommigen pakten onderweg wat ze konden krijgen aan enkele stuks uniform.

De jonge onderwijzers, de novicen (zoals Edmond Danneels) en de seminaristen van dienstplichtige leeftijd moesten in oorlogstijd een gevaarlijk deel van het werk opknappen in een militair dienstverband.  Dit gebeurde onder leiding van een bataljonsarts en in de onmiddellijke buurt van het slagveld.  Brancardiers deden hun werk ongewapend.

 

Zij moesten de gewonden opzoeken, oprapen en ze naar de hulpposten van de militaire dokters brengen.  Daarna van het front naar hospitalen brengen.  Deze mannen waren aldus brancardiers, de mannen met de brancard.  Op hen mocht niet geschoten worden want ze droegen de armband van “Het Rode Kruis”.

Na hevige gevechten zochten ze, en vonden ze, in het niemandsland een massa gewonde militairen.  Na de eerste zorgen zorgden brancardiers voor het verder transport.  Zij zagen de meest afgrijselijke kwetsuren en verminkte soldaten in onmenselijke pijnen. Als manschappen van de medische hulpverlening dienden zij ook zorgen toe te dienen aan de gewonde vijand.

De brancardiers, die vooral in aanvang eerder naïef en ongedisciplineerd waren in oorlogsomstandigheden, waren hard nodig voor het ophalen en wegvoeren van de gewonde soldaten naar de achterhoede.  Daarna begon een overheveling van hulpposten naar ziekenhuizen.

Brancardiers dienden te beschikken over een stevige fysiek en getraind te zijn om bevelen op te volgen.  Elke strijdende soldaat kende hen en droeg hen op handen want zij waren diegenen die hen zouden komen helpen in het uur van nood, zowel lichamelijk als geestelijk.  De brancardiers deelden en kenden dezelfde gevaren aan het front als de gewapende soldaten.

Toen het front zich vormde tijdens de IJzerslag en duizenden gekwetste soldaten nood hadden aan verzorging, was er steeds meer nood aan verplegenden in de inderhaast opgerichte hospitalen in en rond de steden achter het front, zoals Calais. 

Brancardiers met actieve velddienst werden hierop ingeschakeld in de hospitalen.  De gevolgen van de IJzerslag dwong de militaire overheid om steeds meer verzorgingsinstellingen te openen, in die periode alleen werden 42 hospitalen geopend in Calais. 

In één van die hospitalen zou Edmond de tyfuslijders helpen, de mannen met smetziekte.  Als een echte Vader Damiaan zou hij zich onvoorwaardelijk over hen ontfermen om uiteindelijk als een ongewapende held te sterven in een onmogelijke strijd tegen een onzichtbare vijand.

Sindsdien bogen de kruinen van de bomen rond “het postje” diep voor de kille december winden.  Gegeseld door zwiepende windvlagen verzuchten er de bladerloze takken in gure stilte.

Enkele cijfers

In totaal zouden iets meer dan 300 brancardiers sneuvelen tijdens de Groote Oorlog.  In 1914 zouden 121 soldaten sterven aan tyfus. 

Colonne d’Ambulance

De “Colonne d’Ambulances” waar men in 1914 geen weg mee wist, maar wel verdienstelijk waren, werden in 1915 afgeschaft.  Voortaan werden dokters en brancardiers verspreid over de eenheden, en in kleine groepjes verbonden aan de bataljons, wiens lot zij deelden.

Edmond François Danneels

Belgisch soldaat sterft aan de voeten van Hij die ook Zijn leven gaf.

Burgerlijke fiche

  • Geboren te Dudzele op 16 juli 1893
  • Vader: Danneels Edward Jacob
  • Moeder: Duysburgh Mathilda Louisa
  • Adres 1 augustus 1914: Ronselarestraat 32, Dudzele
  • Lengte: 1.64m

Fiche als kloosterling (Broeders van Liefdadigheid)

Relatie met de Congregatie van de Broeders van Liefde

  • Kloosternaam: Ludwinus
  • Start postulaat: 13/12/1909
  • Oblatie / start noviciaat: 19/03/1910
  • Eerste tijdelijke geloften: 19/03/1911, 1 jaar
  • Eerste vernieuwing van de tijdelijke geloften: 19/03/1912, 1 jaar
  • Tweede vernieuwing van de tijdelijke geloften: 19/03/1913, 1 jaar
  • Derde vernieuwing van de tijdelijke geloften: 19/03/1914
  • Woonplaats: Gent, Hospitaallaan 2

Militaire fiche

  • Matricuul: 197/24996
  • Brancardier, soldaat 2de klasse
  • Edmond was geen oorlogsvrijwilliger maar een dienstplichtige die gemobiliseerd werd
  • Edmond behoorde tot de 5de Legerdivisie, 5de Transportkorps, 3de compagnie, 1ste Peloton of in kortere bewoordingen de Colonne d’Ambulance van de 5de Legerdivisie
  • Geen veroordelingen
  • IJzermedaille, postume toewijzing door Koninklijk Besluit nummer 20102 van 25 mei 1925
  • Overlijdensakte nummer 1805 van Calais
  • Begraven op 28 december 1914
  • Begraven Belgisch Militaire Begraafplaats te Calais, Avenue Pierre de Coubertin, graf nummer 279 (oorspronkelijk graf nummer 5)
  • Danneels Edmond wordt met naam vermeld op het in 2014 ingewijde monument van Notre-Dame de Lorette; de Anneau de la Mémoire (Frankrijk)

Belgische Militaire Begraafplaats te Calais, 16 augustus 1920.

Eervolle vermeldingen

In het “Onze Helden” van Rene Lyr krijgt Edmond samen met de andere gesneuvelde brancardiers een aparte eervolle vermelding.

Edmond z’n naam werd opgenomen in de vierde lijst van gesneuvelden van het                                  Rode Kruis (bemerk de foutieve geboortedatum).

Tyfus

Tyfus: besmettelijke ziekte die zich door vochtigheid, vuil, gebrek aan hygiëne en niet-drinkbaar water verspreidt.

Kanunnik Temmerman (Pierre-François), legeraalmoezenier

Geboren te Duffel, 2 april 1850.  Hij overleed te Heverlee op 13 april 1920.  Maakte tot 16 augustus 1914, samen met Edmond, deel uit van de 5de Colonne d’Ambulance.  Per 27 oktober werd hij toegewezen aan de Belgische basis te Calais.  Op deze manier vonden Edmond en Pierre elkaar terug in Calais.

Eerwaarde Heer Corvillain (Antoine), legeraalmoezenier

Geboren te Waver, 1 januari 1870.  Hij overleed samen met Edmond op 25 december 1914 te Calais aan ziekte.  Antoine had tot de 6de Legerdivisie behoord.  Na de oorlog, in 1924, werd zijn lichaam ontgraven te Calais en overgebracht naar Nijvel waar hij opnieuw ter aarde werd besteld.  

31 oktober 2016, Belgische Militaire Begraafplaats, Calais

 Notre-Dame de Lorette, Anneau de la Mémoire, 2015

Bronnen

Geschiedenis schrijf je nooit zonder speuren in oude roestige, stoffige, vergeten boeken.  Zonder de inspanningen van velen voor mij kon deze tekst nooit worden wat zij geworden is.  Mijn erkenning gaat dan ook uit naar volgende geraadpleegde werken:

  • Lierman W., Daene S., Stamboom Joannes Danneels – Paulina Vanzandweghe, eigen beheer, april 1998.
  • Vandeweyer, L., dr., “Via Dolorosa”  (www.ijzertoren.org/media/document/127), s.d.
  • Vandeweyer, L., dr., De Belgische Strijdkrachten, in Knack Historia 1914, 2014.
  • Lyr, René, Onze Helden, Brussel, 1920.
  • s.l., Règlement sur le Service de Santé en Campagne, Imprimerie Militaire E.Guyot, Bruxelles, 1897.
  • s.l., Organisation de l’Armée sur le Pied de GuerrePremier Volume, Guyot Frères Editeurs, Bruxelles, 1914.
  • s.l., Guide Pratique du Brancardier Militaire Belge, Bruxelles, 1900.
  • s.l., Vierde lijst der Belgische Soldaten gesneuveld voor het Vaderland, Belgische Rode Kruis, Brussel, 1916.
  • Melis, L., Contribution à l’Histoire du Service de Santé de l’Armée au cours de la guerre 1914-1918, Institut Cartographique Militaire, Bruxelles, 1932.
  • Jacoby, A., Au Drapeau, Les Editions Jos.Vermaut, Paris-Courtrai-Bruxelles, 1938.
    • Noot: zie hoofdstuk “Le Brancardier Jean Agache”.  Brancardier Agache behoorde net als Edmond tot de “Colonne d’Ambulance” van de 5de Legerdivisie
  • Lesceux, H., Sous le signe de la Croix-Rouge.   Journal d’un brancardier de la Grande Guerre, Edition Hubert-Marcq & Fils, Chimay, 1961.
    • Noot: Lesceux Hervé behoorde, net als Edmond, tot de “Colonne d’Ambulance” van de 5de Legerdivisie
  • Leconte, J.R., Aumôniers militaires belges de la guerre 1914-1918, Koninklijk Museum van het leger en van krijgsgeschiedenis, Brussel, 1969.
  • Lierneux, P. (redactie), Het Belgisch leger in de Grote Oorlog, Uniformen en Uitrusting, Militaria Verlag, Wenen, Oostenrijk, 2015.
  • Schepens, L., 14/18 Een Oorlog in Vlaanderen, Retrospectief, Lannoo, Tielt, Weesp, 1984.
  • Christens R., De clercq K., Frontleven 14/18.  Het dagelijks leven van de Belgische soldaat aan de IJzer, Retrospectief, Lannoo, Tielt, 1987.
  • De Moor J., Dokter Albert De Moor, Spoedarts in de Eerste Wereldoorlog, Hannibal Publishers, 2012.
  • Cooman, G., De kaki-seminaristen, s.d.
  • Deauville, M., Tot aan de IJzer, Roularta Books, 2011.
  • s.l., foto uit tijdschrift Panorama, nummer 2, augustus 1914.
  • s.l., foto uit tijdschrift “Illustrierter Kriegskurier, nummer 11, s.d.

Dankwoord

Geschiedenis schrijf je nooit alleen.  Zonder hun steun kon deze tekst nooit geschreven worden.  Mijn erkenning gaat uit naar volgende personen:

Mevr.Cecile Danneels en dhr.Romain Hoste (Houtave)

Mevr.Simone Daene en dhr.Werner Lierman (Rumbeke)

Mevr.Martha Danneels en dhr.Oscar Willems (Klemskerke)

Mevr.Simonne Danneels (Oostkerke)

Dhr.Martin Van Acker (voorzitter NSB Dudzele)

Dhr.Erik Snauwaert (Penningmeester NSB Dudzele)

Dhr.Stefaan Calus (Sint-Kruis)

Dhr.Patrick Van Moeffaert (Brugge, mijn trouwe meelezer)

Dhr.Ruben De Vuyst (Uitkerke)

Dhr.Dieter De Vuyst (Uitkerke)

Foto’s

Edmond Danneels (pagina 1): verzameling dhr.Martin Van Acker

Edmond Danneels (pagina 6): verzameling Broeders van Liefde

Postje familie Danneels: verzameling mevr.Cecile Danneels

Colonne d’Ambulance nabij het front: verzameling P.De Vuyst

Kanunnik Temmerman: verzameling Broeders van Liefde

Broeders en Aalmoezenier: verzameling P.De Vuyst

Rode Kruis Sint-Jans-Molenbeek: verzameling P.De Vuyst

Militaire begraafplaats Calais (1920): verzameling P.De Vuyst

Militaire begraafplaats Calais (2016): verzameling P.De Vuyst

Detail monument Notre-Dame de Lorette: verzameling dhr.Martin Van Acker

 

Afbeeldingen

Afbeelding Guide Pratique: verzameling P.De Vuyst

Afbeelding “Gegroet o kruis: verzameling P.De Vuyst

Afbeelding Christus en gesneuvelde: verzameling P.De Vuyst

Afbeelding gebidsprentje Edmond: met dank aan fam.Lierman-Daene

Afbeelding pagina 150, René Lyr: verzameling P.De Vuyst

Afbeelding Illustrierter Kriegskurier: verzameling P.De Vuyst

Afbeelding augustus 1914: source Gallica.BNF.France

Afbeelding Carabiniers: verzameling P.De Vuyst (tijdschrift, bron onbekend)

Afbeelding Hollogne-aux-Pierres: met dank aan website “Delcampe”

Souvenir Edmond Danneels: verzameling Broeders van Liefde

Afbeelding Courage et Piété: verzameling P.De Vuyst

 

Opdracht

Deze tekst draag ik op aan:

  • De familie Danneels
  • Mevrouw Annie Pieters