Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

CONSTANT STROEF

- Brochure 13
Constant Stroef
° 9 januari 1893 + 28 april 1915

 

Verdwenen hoop
Heimwee in zwart-wit

Tekst en gedichten: Paul De Vuyst

 
Constantin Louis Stroef
 
 
Onmachtig verdriet
 
Ochtendgloren
Bevroren
Voetsporen
Verdriet
Versmoren
Broos
Ontsporen
Oude
Kerketoren
 

Door oude foto’s zijn we soms geneigd te denken dat men toen in een andere omgeving leefde, namelijk in een soort stilstaande zwart-wit wereld. Dit is natuurlijk onjuist. Beetje bij beetje zullen we in deze tekst samen proberen de realiteit z’n ware kleuren terug te geven.

Veel later in nadenken, bidden of mediteren leeft de bezieling en de geestelijke nalatenschap van de overledene verder in verhalen, anekdotes, oude foto’s, vergeelde documenten en herinneringen, en wordt het verhaal een bewust of onbewust deel van ons wezen en zijn. Maar herinnert ons ook aan onze vergankelijkheid.

Dudzele

In Dudzele hangen het uurwerk en de klok in de oude kerktoren, niet in de nieuwe. Het is de oude toren die nog steeds het rustige ritme bepaalt van het leven in het dorp en symbool staat voor een oud onthaast tijdsverloop. Terwijl de nieuwe kerktoren, als een soort baken, de dorpelingen uitnodigt haar tradities in gemeenschap te onderhouden.

Het dorp was gesteld op zijn afgezonderde ligging, een ligging die een soort geborgenheid gaf. Het was ook de tijd waarin nieuws gebracht werd op de roepsteen aan de kerkewegel aan de kerkhofmuur in de Kerkstraat. Een tijd waar grootmoeders op de hoogte waren van kwaaltjes en kruiden, van de kracht van spuug en urine.

In de Kerkstraat stonden ’s zomers de stoelen buiten met immer naarstige vrouwen en dochters bezig met breien, stoppen en babbelen. Er werd hard gewerkt te Dudzele rond de eeuwwende. Water werd gehaald bij één van de twee buurtpompen. Ziek zijn, geboren worden en sterven gebeurde toen nog thuis. Het contrast tussen rijk en arm was scherp.

 

et werk. Handen waar men fier op was. Handen die het leven probeerden in z’n "grépe d’hoeden". Elk gezin vocht voor z’n bestaan.

Naar schoolgaan deed je tot aan je plechtige communie maar ondertussen werd er reeds geregeld op het veld gewerkt of in de stal en dit ten koste van het onderwijs. De muren van de knechteschole waren witgekalkt. Er hing vooraan een groot kruisbeeld en een zwart bord. De houten lessenaars, waarop vader ook had gezeten, waren op plaatsen gekerfd. Iedereen droeg een schortje omwille van het kalk. Voor de verwarming zorgde een buiskachel. Te warm voor wie met z’n gat te dicht zat, te koud voor wie net wat verder zat.

Familie Stroef

Er was bij de familie Stroef in de Koolkerkewegel nummer 4 genoeg om aan de meest dringende noden van het leven te verhelpen. De woonplaats op de boerderij was karig ingericht, slapen gebeurde op stroobedden. Stroobedden zo hoog na de opmaak, zo laag enkele weken later. Er werd een eenvoudig maar hard leven geleid.

Vader Gustaaf Stroef was gehuwd met Eugenie Devlieger en had voor de Grote Oorlog samen met haar 10 kinderen. Gustaaf en Eugenie zouden samen het verlies van twee kinderen betreuren: Amedée, de tweede zoon en Maria, hun eerste dochter. Beiden gestorven door ziekte.

Vader Gustaaf zou nog voor het uitbreken van de oorlog tevens z’n echtgenote verliezen, dit een maand na de dochter. Soldaat Constant, de oudste zoon, zou sterven in 1915 zonder z’n familie ooit terug te zien, in Frankrijk.

Daarenboven zouden nog twee door de Duitsers weggevoerde zonen voor het einde van de Grote Oorlog in 1918 sterven aan de Spaanse griep; Jan en Camiel.

Van het land, naar de oorlog.

Constant (de oudste zoon), Amedée (hun tweede zoon), Maria, Jan, Camiel (de derde zoon) en moeder Eugenie vonden aldus allen vroegtijdig de dood. De helft van het oorspronkelijke gezin was dood in een periode van vijf jaar. Dit drama maakte vader en boer Gustaaf een verbitterde en harde mens. Bij het overlijden van z’n vrouw zou hij alles wat aan haar herinnerde in een vlaag van woede verscheuren en verbranden….

Na de dood van moeder Eugenie, op 8 mei 1914, werd Constant mede aangesteld als voogd voor de toen zeven andere minderjarige kinderen. Het leven moest echter verder en een nieuwe boerin, echtgenote moest vlug gevonden worden. Boer Gustaaf huwde opnieuw enkele maanden na het overlijden van z’n eerste vrouw, in 1914 met Berta.

Door het overlijden van een zus van stiefmoeder Berta, werden vier dochters van die zus onder voogdij geplaatst bij Gustaaf en Berta. Dit voogdijschap werd aanvaard in ruil voor een stuk grond…

Er moest gewerkt worden. De vier ("plaatsvervangende") nieuwe "zussen" kregen het hard te verduren. De boerderij werd immers met harde hand geleid door een verbitterd man.

Oorlog

Leven in vochtige holen.

 Toen Constant naar de oorlog trok, wist hij dat z’n moeder overleden was. Bovendien had hij aldus reeds een klein jaar eerder z’n broer verloren en pas een maand voor het overlijden van z’n moeder ook nog eens een zus. Constant zat in het tweede jaar van z’n verplichte diensttijd en had dan nog een jaar te doen.

Constant (stamnummer 104/57876) maakte op 1 augustus 1914 deel uit van het Brugse 4de Linieregiment, meer bepaald de tweede kompagnie van het eerste bataljon (2/I/4LR), en behoorde zodoende bij de eerste legerdivisie. Constant behoorde tijdens de oorlog tot de vierde kompagnie van het derde bataljon (4/III/4LR). Constant had alle eerdere gevechten overleefd zonder kwetsuren, inclusief de verschrikkelijke IJzerslag van oktober 1914, maar werd uiteindelijk kort daarna ziek door ontbering.

 

Belgische infanteristen lopen gebukt onder de koude winterdagen 1914-1915.

 

De situatie in de sector Ramskapelle is schrijnend.  De mannen zijn vuil en smerig, ze leven in holen in de grond. Velen hebben luizen, schurft en andere aandoeningen. Aandoeningen opgelopen in vochtige klamme schuilplaatsen.
 
 

Op 27 maart 1915 werd de eerste legerdivisie, die toen te Ramskapelle lag, afgelost. Het 4de Linieregiment zou in de daaropvolgende periode op rust gaan in De Panne. Constant was echter ernstig ziek en lag in een geïmproviseerde hulppost nabij het front te Ramskapelle. Hulpposten vond men in de buurt van deze sector terug in hoeves, werkmanshuisjes, steenbakkerijen en brouwerijen. Constant lag er ergens op de grond op een bundel stro te sudderen van de koorts.

Bij de aflossing van z’n eenheid werd hij mee afgevoerd van het front, wellicht door een Britse Rode Kruiswagen, richting Veurne station en vandaar, via Adinkerke, naar het Belgische basishospitaal te Calais (hospitaal Jeanne d’Arc). De hulpposten te Ramskapelle konden immers sinds half januari 1915 rekenen op de ondersteuning van twee Britse auto’s die vanuit een hulppost in Pervijze gewonden en zieken kwamen ophalen.

In Calais verwees men Constant spoedig door naar Saint-Lunaire (departement Ille-et-Vilaine). Door middel van een ambulance-trein werd hij overgebracht naar het "Hôpital Civil N° 46". Bij Constant werd immers de besmettelijke tuberculeuze bronchitis vastgesteld.

 

Postkaart station Veurne voorjaar 1915.
Aan het station is het een komen en gaan van ambulance auto’s en wagens getrokken door paarden. Vanuit dit station worden duizenden gewonde en zieke Belgische soldaten naar het hinterland vervoerd.
 
Saint-Lunaire (Ille-et-Vilaine)

Er zijn zeer weinig getuigenissen overgebleven van gekwetsten of zieken te Saint-Lunaire. Saint-Lunaire was toen reeds een mondaine en prachtige badplaats. Bekende en minder bekende kunstenaars en schrijvers verbleven kortere of langere tijd in deze plaats aan de Atlantische kust. Een korte getuigenis werd teruggevonden in de nalatenschap van soldaat Florimond Peynaert. Hij beschreef hoe hijzelf in 1918 aldaar werd opgevangen:

Achter de kerk een militair Belgisch kerkhof van vele soldaten die gestorven waren ten gevolge van hun kwetsuren. Ook op het strand een hotel-hospitaal. Daar werden de Russische gekwetsten verzorgd die van het front uit de streken van Verdun naar hier werden overgebracht. Het uur van genezing is nabij en velen moeten het groot visite (sic) passeren om genezen verklaard te worden."

Te St.-Lunaire bestond het Hôpital Civil HC 46 uit een verzameling plaatsen dewelke tot verzorgingsinstellingen werden ingericht:

1. Grand Hôtel de la Plage (238 bedden)
2. Golf Hôtel (120 bedden, adres: Boulevard de Saint-Lunaire)
3. Hôtel de Saint-Lunaire et de Longchamps (100 bedden)
4. Hôtel d’Angleterre (110 bedden)
5. Grand Garage (100 bedden, actief van 9 september 1914 tot 28 januari 1918)
6. Hôtel de la Plage op de Place Longchamps (60 bedden)

Uit de documenten van de Belgische Dienst voor Oorlogsgraven kan worden opgemaakt dat Constant overleed in het "Hôtel d’Angleterre". Toen Constant er behandeld werd, werden de verzorginginstellingen door de Fransen geleid. Later werd dit een Hôpital Militaire Belge of HMB (van 25 april 1916 tot 8 december 1918). Het gebouw "Hôtel d’Angleterre" bestaat vandaag nog steeds.

 

Sfeer en omstandigheden

In het militaire hospitaal heerste een grote broederband tussen vrijwel alle soldaten, zowel Waalse als Vlaamse soldaten. Overdag werd er veel afgelachen en leken de grote mannen veeleer op kleine jongens. Anderen werden heimelijk verliefd op een Franse oorlogsverpleegster. Op kalmere momenten werden boeken gelezen, kaart gespeeld en natuurlijk massa’s postkaarten verstuurd. Het versturen van postkaarten was immers gratis voor militairen. Men hoefde enkel "S.M." in de bovenhoek rechts te noteren op de plaats waar de postzegel normaal kleefde ("Service Militaire"). De meest fitte soldaten trokken alleen of in kleine groepjes op uitstap, onder andere naar plaatsjes zoals Saint-Briac-sur-Mer.

Hotels omgevormd tot revalidatiecentra voor militairen.

Bemerk de schilderijen aan de muur.

Sfeer en omstandigheden

In het militaire hospitaal heerste een grote broederband tussen vrijwel alle soldaten, zowel Waalse als Vlaamse soldaten. Overdag werd er veel afgelachen en leken de grote mannen veeleer op kleine jongens. Anderen werden heimelijk verliefd op een Franse oorlogsverpleegster. Op kalmere momenten werden boeken gelezen, kaart gespeeld en natuurlijk massa’s postkaarten verstuurd. Het versturen van postkaarten was immers gratis voor militairen. Men hoefde enkel "S.M." in de bovenhoek rechts te noteren op de plaats waar de postzegel normaal kleefde ("Service Militaire"). De meest fitte soldaten trokken alleen of in kleine groepjes op uitstap, onder andere naar plaatsjes zoals Saint-Briac-sur-Mer. Om 07.00u werd men gewekt om zich klaar te maken voor het ontbijt. De meeste soldaten proberen om 06.45u reeds op te zijn. Om 12.00u volgt soep, vlees en aardappelen. Er werd ook vaak bier opgediend en gedronken. Om 16.00u werd water gebracht om zich opnieuw te wassen. Iets later volgde de avondmaaltijd. Tot laat in de avond werd heen en weer gepraat tussen de bedden en zelfs geschreeuwd over de gangen heen tussen de kamers. De meesten sliepen pas in om 23.00u.

Constant ontmoette er vele andere Belgische soldaten die de uitgestippelde route volgden van behandeling (bijvoorbeeld chirurgische hospitalen) naar stabilisatie ("doorvoerhospitalen") en vandaar naar revalidatie. Dit traject stopte doorgaans niet met het laatste hospitaal maar vaak in een opleidingskamp zoals bijvoorbeeld Auvours en Fécamp. Een plaats waar de militairen, vaak nog in herstel, terug werden opgeleid na lange afwezigheid of aan "frontgewenning" deden. Vanuit het heropleidingskamp werden sommigen nog eens naar bijvoorbeeld Dieppe gestuurd voor verdere opleidingen. Voor Constant stopte het traject echter halfweg.

Het spreekt voor zich dat de hospitalen voor revalidatie of "hopitaux de convalescence" ver van het front verwijderd waren (de dichter bij het front gelegen hospitalen dienden om sneller hulp te kunnen bieden, maar ook om in geval van een opflakkering van het front voldoende plaatsen vrij te hebben). Bretagne paste uitstekend als revalidatiezone met haar verre ligging. Een plaats zoals Saint-Lunaire, in de buurt van Dinard, was zeer bekend onder de Belgische soldaten. Constant ontmoette in Saint-Lunaire zowel zieken als zwaar gekwetsten.

Saint-Lunaire was echter soms meer dan een revalidatie-oord. De vele kamers in een hotel waren ideaal om soldaten met een besmettelijke aandoening in aparte kamers afzonderlijk te huisvesten. De toestand van Constant verergerde. Hij deelde z’n kamer niet met anderen omwille van de besmettelijkheid van zijn ziekte. Hij werd er verzorgd door steeds dezelfde franse oorlogsverpleegster. Zij verbrak z’n eenzaamheid. Hij verbleef er niet in "convalescence", maar als een patiënt waar men toen geen raad mee wist. De ziekte zou hem fataal worden.

Begraven

Soldatengraven

Hoe de kruisen

onder de donkere torens,

slierten mist

in sluiers smoren,

graven en kapel knevelen

en doden dekking geven.

Constant overleed op 28 april 1915 en werd voor een eerste keer begraven op de begraafplaats van Saint-Lunaire, Ille-et-Vilaine en dit op datum van 29 april 1915. Hij zou 68 jaar achter de kerk begraven blijven onder het graf met nummer 12.

Deze oudste zoon van het gezin werd als gesneuvelde genoteerd in de derde lijst verschenen in het Belgisch Staatsblad en zo overgenomen in de boekjes van het Rode Kruis. In het boek "Onze helden" van René Lyr wordt hij zodoende met naam vermeld.

Derde Lijst van het Rode Kruis, pagina 256 (letterlijk overgenomen):

"236. Strouf, Constant, soldat, 4° rég, de ligne, né le 9 janv. 1895 à Beerlyck et y domicilié, décédé le 28 avril 1915 â l'hôpital St-Luhaire et inhumé en cette localité le 29 dito."

Constant werd vrij recent ontgraven en ligt sinds 1983 begraven in de (Franse) "Nécropole nationale" van Sainte-Anne-d'Auray, te Morbihan, graf B/3/14. Alle Belgische gesneuvelden begraven in de regio’s Bretagne, Pays-de-la-Loire, Haute-garonne, Haute-Pyrénées en Normandie werden in de periode 1983-1985 op deze manier bijeengebracht. Dit betrof Belgische gesneuvelden eertijds begraven in de buurt van hospitalen. Vandaag ligt Constant er samen met 273 andere Belgische jongens.

Twee broers van Constant: Jan en Kamiel Stroef

Zowel Jan als Kamiel stierven als gevolg van een door de Duitsers verplichte ballingschap in oktober van 1918. Ze waren beiden uitgeput, uitgemergeld en doodziek teruggekeerd uit deze ballingschap. De broers zijn vrij vlug overleden na thuiskomst in hun dorp Dudzele.

Verre familieverhalen vertellen ons het volgende:

"Toen ze thuis kwamen, waren ze blootsvoets en hadden haast geen kleren rond hun lijf. Op de boerderij hadden ze weinig en geen gepaste verzorging. Beiden zijn kort na elkaar bezweken aan de Spaanse griep".

De familie Stroef uit de Koolkerkewegel betaalde een zware tol aan de oorlog:

Camiel Stroef, geboren op 28 december 1893 zou sterven op 19 oktober 1918. 25 jaar.

Jan Stroef, geboren op 29 mei 1900 zou sterven op 29 oktober 1918. 18 jaar.

Besluit

Sterven is een proces dat leidt tot het fysieke dood zijn. Dat proces, het sterven, is het afscheid nemen van het heden en opgaan in de tussentijd naar het verleden. Het heengaan, dat volgde na z’n dood, leidde naar een ontwaken op een andere plaats. Uit dit laatste heeft de familie Stroef sprokkels hoop samengeraapt.

Het verhaal van Constant brengt ons het verhaal van een jong en onvoltooid leven van een 22-jarige. Constant verbleef in een tot ziekenhuis omgevormd hotel in Bretagne. Hij werd er verzorgd en gevoed maar innerlijk was hij op weg naar de ziel van z’n wezen, z’n thuis en terug naar z’n moeder. Toen het tijd werd stierf hij in de handen van God, de bijbel tussen de samengevouwen vingers.

Constant voelde zich geborgen in Gods handen en licht. Bij z’n vertrek uit Dudzele, had God hem begeleid in het binnenste van z’n geest en hart. Hij vergleed uiteindelijk in de Grote Stilte met een leven zonder beperkingen, na een zacht vervloeien van z’n aardse bestaan. In afwachting van een nieuw begin.

Gelieve deze tekst samen te lezen met de brochures Lodewijk Scherpereel en Louis Timmerman.

Opgesteld door P.De Vuyst – brochure 13 - NSB Dudzele 2015 – versie 5 – p.10

Twee broers van Constant: Jan en Kamiel Stroef

Zowel Jan als Kamiel stierven als gevolg van een door de Duitsers verplichte ballingschap in oktober van 1918. Ze waren beiden uitgeput, uitgemergeld en doodziek teruggekeerd uit deze ballingschap. De broers zijn vrij vlug overleden na thuiskomst in hun dorp Dudzele.

Verre familieverhalen vertellen ons het volgende:

"Toen ze thuis kwamen, waren ze blootsvoets en hadden haast geen kleren rond hun lijf. Op de boerderij hadden ze weinig en geen gepaste verzorging. Beiden zijn kort na elkaar bezweken aan de Spaanse griep".

De familie Stroef uit de Koolkerkewegel betaalde een zware tol aan de oorlog:

Camiel Stroef, geboren op 28 december 1893 zou sterven op 19 oktober 1918. 25 jaar.

Jan Stroef, geboren op 29 mei 1900 zou sterven op 29 oktober 1918. 18 jaar.

Besluit

Sterven is een proces dat leidt tot het fysieke dood zijn. Dat proces, het sterven, is het afscheid nemen van het heden en opgaan in de tussentijd naar het verleden. Het heengaan, dat volgde na z’n dood, leidde naar een ontwaken op een andere plaats. Uit dit laatste heeft de familie Stroef sprokkels hoop samengeraapt.

Het verhaal van Constant brengt ons het verhaal van een jong en onvoltooid leven van een 22-jarige. Constant verbleef in een tot ziekenhuis omgevormd hotel in Bretagne. Hij werd er verzorgd en gevoed maar innerlijk was hij op weg naar de ziel van z’n wezen, z’n thuis en terug naar z’n moeder. Toen het tijd werd stierf hij in de handen van God, de bijbel tussen de samengevouwen vingers.

Constant voelde zich geborgen in Gods handen en licht. Bij z’n vertrek uit Dudzele, had God hem begeleid in het binnenste van z’n geest en hart. Hij vergleed uiteindelijk in de Grote Stilte met een leven zonder beperkingen, na een zacht vervloeien van z’n aardse bestaan. In afwachting van een nieuw begin.

Gelieve deze tekst samen te lezen met de brochures Lodewijk Scherpereel en Louis Timmerman.

Weemoed

Druppels zwarte inkt,

laten letters drijven

in woorden in plassen,

laten zinnen vervloeien

in gedachten in tranen.

Dankwoord

Een speciaal woord van dank voor:

Dhr.André Proot

Dhr.Walter Stroef

Dhr.Martin Van Acker

Dhr.Raymond De Vuyst

Dhr.Stefaan Calus (versie 5)

 

Bibliografie

Peynaert, Fl., Dagboek. Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918. Verantwoordelijke uitgever: J.Luyssaert, Landegem, 1974. Heemkundige kring het land van Nevele.

De Backer P., Mon Journal de Guerre 1914-1918. Dokter Jean De Backer - Gent, gedrukt bij AstraZeneca, 1999.

Groleau, G., Au jour le jour avec un soldat de 14-18. Les carnets du sergent des grenadiers Gustave Groleau. Musée Royal de Mariemont, 2009.

Lyr R., Onze Helden. Gestorven voor het Vaderland. Uitgeverij NV Drukkers en uitgevers maatschappij "Ons Land", Brussel, 1926.

Melis L., Contribution à l’histoire du Service de Santé de l’Armée au cours de la guerre 1914-1918. Institut Cartographique Militaire, Bruxelles, 1932.

S.L., 10de verjaring, Broederond der oudstrijders der 3de en 23ste Linieregiment 1929-1939, Oostende.

De Bruyne, L., Paul Vandermeulen. Van frontaalmoezenier tot monnik. Uitgeverij De Nederlanden, Antwerpen, 1993.

Tekst en gedichten: Paul De Vuyst

Afbeelding Constant: dhr.M.Van Acker

Andere afbeeldingen verzameling P.De Vuyst

Afbeelding soldaat in loopgracht: boek 10de verjaring Broederbond 3de en 23ste Linieregiment

Kleurfoto "Hôtel d’Angleterre": http://www.ouest-france.fr/conference-lhotel-dangleterre-dalbert-perrier-3200169

Afbeelding postkaart "Hôtel d’Angleterre": www.delcampe.be