Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

.

AMAND DEBACKER

                              

26 april 1878 – 12 december 1918
 
 
 
 
Verboden held
Foute herinnering


 
 
Bij het zuchten van de tijd, danst de vlam.
 
De tijd kan men wellicht best vergelijken met een brandende kaars. De vlam verteert de kaars zoals de tijd het heden opneemt naar het onzichtbare verleden. Eénmaal de vlam gedoofd is, blijft wat grillig restant na als herinnering.
 
De tijd gaat snel voorbij als alles goed gaat. Soms geeft ze ons zelfs de indruk voorbij te vliegen. In tegenspoed daarentegen lijkt de tijd te vertragen en is er een tijdelijk oponthoud of hapering. Duurt dit oponthoud te lang als gevolg van een ingrijpende gebeurtenis dan haalt de tijd de mens in. Men leeft dan op een andere snelheid met andere prioriteiten. De tijd heb je dan tegen. De tijd duurt lang. De tijd tegen hebben is vermoeiend. Het wachten duur langer. Inspanningen vragen meer energie, moed en inzet.
 
Vanuit de omgeving is geduld nodig om die ander, te aanvaarden, te begrijpen. Die andere wachtende mens is immers niet meer helemaal thuis in zichzelf. 
 
Bij vele ouders, broers, zussen en kinderen van gesneuvelden kwam het bericht van het overlijden danig hard aan dat zij het radarwerk van hun levensklok deed haperen of zelfs stoppen. Zolang er hoop was geweest, had men nog meegeleefd op het ritme van het dorpsleven.   Nu was de hoop weg en duurde het leven fysiek en gevoelsmatig lang aan. Het leven als automatisme.
 
In retrospectief is de tijd echter ook een helende factor en empathie met wat achter ons ligt, helpt om het heden beter en zorgvuldiger te beleven en zo de geleende tijd goed te maken. 
 
Verhalen vormen hierin een zeer belangrijke schakel. Er is nood aan het vertellen van verhalen en bovenal het vertellen ervan om een familie, een gemeenschap, een dorp te binden. Verhalen en herinneringen helpen ons voor een belangrijk stuk om rust te vinden in onszelf. Maar ook om tot vernieuwende inzichten te komen.
 
Wie sterft gaat heen in de tussentijd. Pas wanneer er geen levende herinnering van iemand meer is, wordt men geschiedenis. Amand De Backer is geschiedenis. Hier volgt zijn verhaal opnieuw want in het licht van herinneringen sterft men niet opnieuw. Zijn verhaal is een verzameling feiten uit vele hoeken geworden. Het is niet alleen het verhaal van een verboden held maar ook van iemand die vreesde te moeten sterven als foute herinnering of fout verhaal.
 
Wie was Amand
 
Amand Debacker, te Dudzele geboren, aardewerker, was de zoon van Joseph en Joanna Sabbe. Hij huwde op 29 april 1903 Irma Boi. Zij was landwerkster, te Dudzele geboren op 10 maart 1884. Irma werd na het huwelijk huishoudster en samen woonden zij langs de Brugse Steenweg in het nummer 131. Zij hadden vijf kinderen: Gaston (°1903), Camiel (°1905), Leopold (°1907), Gerard (°1910) en Maurits (°1913). De echtgenote leefde met wat men toen wel eens typeerde als de drie ”k’s”; Kerk, Keuken en Kinderen. Ondertussen werd het dorpsleven gestuurd door meneer pastoor en meneer doktoor.
 
Amand had z’n militaire dienst vervuld in 1899 als gewoon soldaat. Hij was loteling geweest en had als immatriculatienummer 46426. Hij diende in de tweede kompagnie van het tweede bataljon van het 3de Regiment Jagers te Voet. Deze eenheid had haar kazerne of garnizoen te Doornik.
 
Amand werd, na de eerdere medische voorcontrole te Brugge, aan het 3e Jagers te Voet toegewezen, en dat werd meteen ook op zijn militiedossier aangetekend.   Daaruit kunnen we besluiten dat hij een robuuste jongeman moet geweest zijn. Want dat was één van de vereisten om te worden geselecteerd voor de jagers te voet of die andere eenheid de karabiniers.
 
In de zomer van 1899 kreeg Amand een oproepingsbevel voor de regimentsschool van het 3e Jagers te Voet te Menen.  Zo spoorde Amand naar Menen waar hij in actieve dienst trad als dienstplichtige.
Als soldaat heeft hij z’n opleiding genoten in de regimentsschool te Menen. We kunnen er van uitgaan dat Amand, na de opleiding, de rest van z’n diensttijd  in de garnizoensstad van zijn regiment, Doornik, heeft doorgebracht.  
 
De opleiding te Menen kreeg Amand in zijn moedertaal, alhoewel het Frans toen de voertaal was in het Belgische leger. Omdat regionale rekrutering in die tijd nog niet bestond waren alle regimenten ook gemengd en deed Jules zijn dienstplicht samen met Vlamingen en Walen.
 
De kledij van de soldaten van de jagers te voet bestond uit een groene tuniek met gele bies, daaronder een blauwgrijze broek met groene naad en zonder bies. Als hoofddeksel droegen zij een shako of een ronde veldmuts. Als kenteken droeg het hoofddeksel het regimentsnummer.
 
Dudzele in de greep van de oorlog
 
Bij het zuchten van de tijd, wiegt het deinende koren het dorp in slaap.
 
Het rustige Dudzele was, naar jaarlijkse traditie, in volle voorbereiding voor de jaarlijkse kermis. De kerkwijding werd en wordt nog steeds gevierd op de eerste zondag van augustus. In 1914 viel de eerste zondag, kermiszondag, op 2 augustus. Ondertussen had de suisse, vanaf de roepsteen aan de pijler van het kerkhof in de Kerkstraat, de dreiging van een naderende oorlog in het dorp bekend gemaakt. 
 
Amand diende op te komen in de kazerne op 4 augustus. Hij wist toen al dat de Duitsers de Belgische grens hadden overschreden en dat de situatie meer dan ernstig was. Anderen, zoals Lodewijk Scherpereel en Louis Timmerman waren reeds vertrokken. 
 
Amand nam ’s morgens vroeg afscheid van z’n gezin, familie, vrienden en z’n dorp. Het stralende ochtendgloren stond in schril contrast met het afscheid. Er heerste een begrafenisstemming. In dit pijnlijke moment poogden zij elkander hoop te geven met behulp van het gebruikelijke zegenende kruisje op het voorhoofd “God zegene je en beware je”.
Bij het vertrek volgde een laatste blik op het dorp. Een uniek dorp met haar gekende dorpsbewoners, twee kerktorens en trotse molens. Maar ook met een kerkpad, dwars over de begraafplaats, dat enkel een straatnaam tekort had. Zo frequent was de handel en wandel tussen de graven elke dag opnieuw. Nergens leefden de doden zo dicht tussen de mensen. Hij zou z’n dorp niet levend terugzien.
 
Hij vertrok uit z’n huisje langs de Brugse Steenweg in burgerkleren. Zijn tocht zou hem langs het station van Brugge naar de kazerne te Kontich brengen.
 
Grenadier Schoup schrijft in z’n autobiografische memoires het volgende:
 “In de trein werden wij door medereizigers over de mobilisatie uitgehoord en zij vermeden de coupés waar soldaten zaten, niet zoals anders. In onze gezinnen vonden wij angst en somberheid en onze moeders hadden stil geluisterd naar de heftige gesprekken over de kansen van Frankrijk en Duitsland, wanneer het tot een oorlog zou komen tussen die landen. (-). Oorlog? We verzetten ons met alle mogelijke argumenten tegen zijn mening. (-). Familie, moeder! Die twee woorden met innige klank, boden van warmte en liefde uit de sfeer, die wij kort geleden verlaten hadden, brachten onze gedachten naar huis. (-). Die eerste mobilisatienacht was een stille nacht, een bange nacht, een nacht waarin wij voor het eerst beseften dat wij voor iets soldaat waren.”
 
Mobilisatie
 
Ondertussen voltrok zich in de grote wereld rond Dudzele, voor wat betreft oproepingen, aan de vooravond van het oorlogsgeweld, het volgende:
27 juli 1914: de op 10 juli reeds met klein verlof gestuurde militairen van de lichting 1913 worden teruggeroepen.

29 juli 1914: gedeeltelijke mobilisatie (daags na de oorlogsverklaring van Duitsland aan Servië) van 3 lichtingen om de grens te bezetten (1910,1911 en 1912)

30 juli 1914: opkomst van de 3 hierboven vernoemde lichtingen en de reserveofficieren van het veldleger.

31 juli 1914: algemene (volledige) mobilisatie afgekondigd met als dag van opkomst 2 augustus voor de jongste acht klassen van de 15 lichtingen.

België verwerpt het Duits ultimatum met hun vraag om toestemming voor de Duitse troepen om de Belgische grens te mogen overschrijden, als doorgang naar Frankrijk, op 2 augustus 1914. België wordt hierop binnengevallen door Duitsland op 4 augustus 1914, ‘s morgens.
 
Op 4 Augustus worden de resterende klassen 1900 en 1899 opgeroepen, dus de oudste militairen tot dan opgeroepen zijn hoogstens 36 jaar oud (klasse 1899).
 
De zeven oudste militieklassen (1905-1899), die nog dateerden van het regime van de loting, zouden belast worden met de verdediging van de forten of andere ondersteunende taken. Het mobiele veldleger bestond uit de acht jongste klassen (1913-1906).

De klasse 1914 werd pas op 15 september 1914 onder de wapens geroepen en was dus niet bruikbaar op 4 augustus 1914. Na haar opleiding zou ze pas vanaf januari 1915 op het front verschijnen.
 
Oorlog
 
Amand had het ongeluk dat hij onder de laatste lichting viel, namelijk de lichting van 1899. Zijn lichting zou de laatste zijn, van de in totaal 15 lichtingen, die opgeroepen werd bij het uitbreken van de oorlog om ten strijde te trekken. Voor Amand was het mobilisatiecentrum van het 3de Jagers te Voet te Kontich bij Antwerpen. De grote kazernes van Kontich waren gelegen dicht bij de spoorlijn Antwerpen-Brussel, en werden “het depot” genoemd.
 
Amand mocht op vertoon van zijn militair zakboekje, marsbevel of verlofpas of welk bewijs van zijn identiteit dan ook gratis met de buurtspoorwegen en de spoorwegen reizen. Gezien de gemobiliseerden uit Ruddervoorde, Jabbeke en andere dorpen naar Brugge moesten, kunnen we ervan uitgaan dat alle gemobiliseerden uit alle Westvlaamse dorpen eerst naar Brugge dienden te komen.   Amand had op zijn reis naar Kontich het gezelschap van talloze jongemannen die hun eenheden moesten vervoegen.
 
Te Kontich kazerne zal Amand met een menigte lotgenoten meegelopen zijn naar het vlakbij gelegen mobilisatiecentrum. Het moet daar een drukte van jewelste geweest zijn. Er werd een naamafroeping gehouden om te registreren wie van de gemobiliseerden reeds aanwezig was en werden de aanwezige jongemannen toegewezen aan eenheden in functie van hun moederregiment en leeftijd.
 
Een “fortinfanterist” kwam uit de oudste klassen van de vervoerskorpsen en de cavalerie (namelijk uit de lichtingen 1899, 1900, 1901, 1902 en 1903) en diende als infanterie voor de verdediging van de forten (“fortgarnizoen”). De anderen van de zeven oudste militieklassen vormden de “vestinginfanterie”. De twee oudste militieklassen, van 1899 en 1900, vormden de vestingreserve. Amand behoorde tot de vestingreserve van de vestinginfanterie.
 
De vestingeenheden kregen de naam van hun actieve mobilisatieregiment. Amand behoorde in z’n diensttijd, voor de oorlog, tot het 3de regiment Jagers te Voet.   Voor de Vestinginfanterie was er geen verschil in uniform of kentekens met de "gewone" infanterie of het moederregiment.  
 
Zodoende werd Amand in 1914, gezien z’n leeftijd, lid van het 3de regiment Vestingjagers te Voet. Zij zouden ingezet worden ter verdediging van een gebied tussen de forten in de omgeving rond Antwerpen. De Vestingjagers waren aldus onderdeel van het Vestingleger te Antwerpen.
 
De réveille werd te Kontich geblazen op het klaroen. Het lichtte iedereen uit bed. “Tenue mobile” en dan naar een foerier voor scherpe patronen, een noodrantsoen van gecondenseerde soep, scheepsbeschuit en een bus plata. De spanning onder de reservisten zal meteen te snijden geweest zijn. Amand zal die dag ook zijn identificatieplaatje ontvangen hebben en onvermijdelijk aan de dood gedacht hebben. Vandaar op weg naar de forten rond Antwerpen.
 
Maar de oudere klassen zouden te weinig opfrissing van hun militaire kennis en kunde krijgen. De vestinginfanteristen waren zwak bewapend en hun eenheden telden te weinig officieren en onderofficieren. Dit maakte het enkel mogelijk om deze soldaten in te zetten op vaste posities tussen en in forten. Maar er was nog veel te doen: schootsvelden ruimen, loopgraven delven, verdedigingen maken, verschansingen bouwen, huizen en hoeves afbreken, enz.

              .

 

Vestingtroepen voeren werken uit tussen de forten. Deze werken waren nodig om het schootsveld van de kanonnen vrij te maken. Amand heeft hieraan vele uren besteed.
 
Antwerpen
 
Antwerpen was het nationale toevluchtsoord. De forten van Luik en Namen waren reeds eerder gevallen in augustus. Antwerpen was de “Position Fortifiée d’Anvers”. Maar Antwerpen was tevens in een overgangsstadium. De werken aan de fortengordels waren niet voltooid. Veel forten bezaten nog geen gebetoneerde gordels om hun koepels, talrijke stukken misten hun richtingstoestellen, het geschutsveld tussen de forten moest nog ontbloot worden, meer dan 100 km verdedigingsstellingen dienden aangelegd en de verbinding met de andere oever van de Schelde diende nog verzekerd te worden.
 
Binnen het tijdsbestek van enkele dagen werden daarboven nog eens vier bruggen over de Schelde aangelegd. Aan het Vlaams Hoofd (400m), bij Burcht (410m), te Hemiksem (300m) en te Rupelmonde (330m).
 
Het eigenlijke beleg van Antwerpen begon op 20 september 1914. Toen braakte het Duitse geschut de eerste granaten op de eerste fortenlinie.
 
De Antwerpse forten waren bij voorbaat verloren. Zij waren gebouwd om kanonnen van hoogstens 210m te weerstaan, maar werden bestookt door stukken van 380 en 420mm. De Belgische artillerie kon ten hoogste 12 km ver schieten, dat van de Duitsers 15 km en meer.
 
De forten en de veldstukken in de tussenruimten tussen de forten antwoordden onophoudelijk maar konden het monstergeschut van de vijand niet bereiken. In de morgen van 7 oktober vielen de Duitsers de tweede fortenlinie aan.
 
Tewijl het gros van het veldleger aftrok in de nacht van 6 op 7 oktober, waren de vestingtroepen nog op hun posten. Zij dienden zich op te offeren om de aftocht van het veldleger te dekken. Dit was het lot van het 5de, 6de en 7de Linieregiment uit de tweede legerdivisie, een Britse marine-eenheid, de vestingtroepen, genie- en transporteenheden en talloze achterblijvers.
 
De 9de oktober trokken nu ook die laatste troepen over de Schelde en de bruggen werden achter hen opgeblazen. De lucht zat vol gloed en zware slagen donderden voort op Antwerpen.
 
Samen met de val van Antwerpen trok een stroom vluchtelingen, burgers, richting Nederland. R.Verdeyen uit Kortenberg vertelde het volgende:
 
“Toen, met de beschieting van Antwerpen begin oktober 1914, de Groote Uittocht begon naar Noord en West heeft menigeen zich angstig afgevraagd, wat er van die stuurlooze zwerverstroepen zou moeten geworden.”
“Een stoet van verdwaasden en ontredderden, sleepend langs wegen en landen en luchten een striemenden aanklacht tegen de gruwelen van den oorlog, een opgejaagde kudde van wrokkende gedachteloozen, voortgestuwd door de primitiefste zucht naar zelfbehoud buiten de verschrikkingen van granaatscherf en bom,…(-).” 
Grenadier Schoup vatte de ellende van de aftocht van angstige burgers en soldaten als volgt samen:
“Verderop loopt een jonge vrouw in de stoet, opgedirkt en chic gekleed, alsof ze naar een kermis ging. Ze vraagt iedereen naar haar man, gaat langs den weg staan; wacht even terwijl ze scherp alle mannen opneemt die voorbijtrekken, komt dan terug in de stoet en begint weer te vragen. Ik heb haar dat spelletje wel tien keer zien herhalen. “Ze is zot”, zegt iemand vlak bij me”. Haar man is soldaat
Ze is natuurlijk ziek van verdriet en verlangen, maar daarom is ze nog niet zot!
 
De aftocht verliep door het Waasland nagejaagd door de Duitse achtervolgers. Het veldleger was reeds op 8 oktober in veiligheid achter het kanaal Gent-Terneuzen doch de laatste eenheden zeker niet. De Duitsers waren zich vreemd genoeg niet bewust van het ontsnappen van het gros van het Belgisch leger uit hun tangbeweging rond Antwerpen. Naarmate de tang sloot, werd het steeds moeilijker om een doorgang naar het westen te maken. Zwaar in de minderheid wachtte hen een keuze: vluchten naar het neutrale Nederland, zich krijgsgevangen laten nemen of een verloren strijd vechten. Een meerderheid van de vestingtroepen heeft de capitulatie van Antwerpen niet afgewacht en had zich reeds noordwaarts richting Nederland begeven. Een aantal waren westwaarts getrokken mee met de grenslijn en hadden het gehaald maar anderen hadden de grens verderop toch moeten oversteken en werden geïnterneerd.
 
De Duitsers waren op 8 oktober de Schelde overgetrokken. De militairen die de grens overstaken werden onmiddellijk door de Nederlandse militaire ontwapend en werden geïnterneerd. 
 
Veel van de vestingtroepen die nog tot op 9 oktober op post waren gebleven, moeten noodgedwongen dezelfde weg naar Nederland inslaan en aldus werden ongeveer 33.000 Belgische soldaten ontwapend en gevangengenomen.

 

 

Een beeld uit de aftocht van Antwerpen. Soldaten proberen wat te recupereren. Velen zijn uitgeput en uitgehongerd.
 
 
De calvarietocht van Amand
 
Antwerpen was onderverdeeld in sectoren en ondersectoren. Amand zat in de 5de sector (generaal Jamotte), meer bepaald de ondersector Noord (generaal de Castres).  Majoor Petitjean was commandant van het 3de Vestingjagers.
 
Het 3de Vestingjagers te Voet had rond Antwerpen gelegen en had gelukkig weinig verzet moeten bieden.
 
Generaal Jamotte zou later verklaren dat toen in de nacht van 8 op 9 oktober de 2de Legerafdeling en de Britten doorheen de sector westwaarts trokken, dit een sterk, defaitistische indruk had gemaakt op de vestingtroepen die nog ter plaatse moesten blijven. Velen zouden zich, tegen orders in, vermengen met deze passerende colonnes.
 
Op 9 oktober had de commandant van de ondersector noord generaal de Castres opdracht gekregen om met 6 compagnies van het 3de Vestingjagers en de 7de en 8ste batterij (12 kanonnen van 87mm) te gaan naar de linkeroever van de Schelde tussen de forten van Kruibeke en Steendorp.
 
De 10de oktober 1914, na 03.00u ’s morgens, verliet generaal de Castres Antwerpen met zijn zenuwachtige troepen en trok richting Vrasene, Verrebroek, Meerdonk en De Klinge in de hoop nog een uitweg naar het westen te vinden. Dit waren het 3de Vestingjagers, het 6de Vestingregiment, Genie en Artillerie.  
 
Na lange uren wachten op de kasseien van de wegen rond Beveren-Waas bleven bevelen of enige informatie uit. Op dat ogenblik steeg ook bij de officieren de onvrede ten top en werden zelfs opstandig en meerdere onder hen gingen protesteren bij de korpsoverste. Er kwam geen informatie noch van generaal Jamotte noch van de Castres.   De troepen morden maar tenslotte zette een bonte verzameling zich richting Vrasene, dit zonder marsorder. Niettegenstaande doorgedreven inspanningen slaagden de officieren er niet in enigszins de orde te handhaven. De mannen gehoorzaamden weinig of niet meer en hun houding werd zelfs dreigend. Allen waren zeer opgewonden en wilden in geen geval gevangengenomen worden door de Duitsers.
 
De militairen hadden gemarcheerd op droog brood en zwarte koffie. De mannen waren uitgeput en uitgehongerd.
 
Generaal de Castres was met zijn troepen aangekomen in De Klinge op 10 oktober, rond 13uur. Hij wilde aanvankelijk snel verder marcheren naar het westen maar veranderde van mening. Vermoeidheid en honger noodzaakten om te bivakkeren en de mars pas ’s anderendaags verder te zetten.
 
Zonder al te veel moeite wist het regiment 3de Vestingjagers van majoor Petitjean, dat evenwel vermoeid en hongerig was als de anderen, vooruit te drijven. Terwijl reeds groepen militairen zonder wapens over de grens trokken, ging majoor Petitjean kort na de middag richting Stekene. Toen hij berichten opving van mogelijke Duitse aanwezigheid aldaar, sloeg hij af richting Koewacht. 
 
Een grote Belgische legergroep kwam aan in het grensdorp Koewacht. Nauwelijks waren de officieren verzameld om bevelen te ontvangen voor het logement, als er paniek ontstond tussen de samengepakte troepen. Dit deed de overgrote meerderheid halsoverkop vluchten naar Holland.   Later blijkt dat deze paniek veroorzaakt werd door het lawaai van de motor van een auto en door schoten in de lucht. Majoor Petitjean betreurde dat rampzalige incident en van zijn volledige regiment bleven er nog een tweehonderdtal mannen en enkele officieren over.
 
Zelzate werd door dit restant bereikt een kwartier na middernacht op 11 oktober. Een trein zou hen iets later naar Oostende brengen waar ze om 17.00u aankwamen. Dit zonder Amand. 
 
Wij kunnen en mogen voorzichtig aannemen dat Amand op 10 oktober tijdens een moment van algehele paniek in de buurt van Koewacht de grens is overgestoken. Documenten bevestigen dat Amand op 10 oktober werd geïnterneerd.
 
Maar eerder die dag toen generaal Jamotte aankwam in De Klinge, kort na de middag op 10 oktober, was generaal de Castres er aldus reeds met zijn troepen. Generaal Jamotte maakte geen enkele inspanning om Generaal de Castres in verbinding te komen. Generaal de Castres stak de Nederlandse grens toen reeds over en dit na Jamotte want ook de Castres maakte geen inspanningen om de troepen die zich toen in De Klinge bevonden naar Oostende te leiden.
 
Het 7de Linieregiment, één der laatste linieregimenten van de achterhoede, was wel aan de Duitsers ontsnapt. Op het laatst waren zijn ter hoogte van Koewacht nog samen met Vestingjagers te Voet.

 

 

 

In het midden een Nederlands soldaat aan de stootkar. Hij helpt een vluchtelingengezin met kroost voorbij de grens. Naast deze soldaat staat rechts en links in het beeld een Belgische soldaat. Deze soldaten zullen geïnterneerd worden.
 
Internering
 
Voor de Nederlandse regering bracht de stroom vluchtelingen na de val van Antwerpen grote problemen met zich mee. De opvang van de vele tienduizenden nieuwe militaire vluchtelingen verliep chaotisch. In diverse plaatsen werden allerlei beschikbare gebouwen, magazijnen, loodsen, kazernes en zelfs stallen benut voor het inrichten van extra slaapplaatsen.
 
De militairen werden er geconfronteerd met overbevolking, ontoereikende sanitaire en hygiënische voorzieningen, gebrek aan kleding en voedsel en een gebrekkige medische zorg. Velen zouden er sterven door ontbering en ziektes, anderen beroofden zich van het leven. 
 
Conform de Vredesconferentie van Den Haag van 18 oktober 1907 moest Nederland als neutrale natie alle oorlogvoerende militairen ontwapenen en interneren.
 
Op 11 november 1918 werd de oorlog beëindigd. Het duurde echter tot het tekenen van de wapenstilstand voordat de Nederlandse regering de onderhandelingen over de repatriëring begon; pas vanaf december 1918 konden de geïnterneerden terugkeren naar hun vaderland.
 
Harderwijk
 
Amand kwam, na wat omwegen, uiteindelijk terecht in het concentratiekamp te Harderwijk. Het oorspronkelijk tentenkamp voorzag in de basisbehoeften maar was primitief ingericht. Rondom het kamp de prikkeldraadversperringen, de vele wachtposten en de bijna eeuwige plassen en modder op de onverharde kampwegen.
 
Wat velen bij zou blijven was de doordringende stank van rotten afval, uitwerpselen en ongewassen kleren en mensen. Men sliep op strozakken die meestal onder de vlooien en de luizen zaten. De barakken waren niet geïsoleerd, niet waterdicht en niet verwarmd zodat de winters verschrikkelijk waren. Het leven was er ongezond en velen kregen reuma, bronchitis, longontsteking en tuberculose. Velen hadden ook last van labiele stemmingen en depressies of vervielen in dronkenschap. Nog anderen ontvluchtten de realiteit in gokspelen. De ontevredenheid over hun lot en levensomstandigheden leidde tot opgehoopte onderhuidse spanningen die uitmondden in verzet. Stilaan besefte de Nederlandse overheid dat zaken anders moesten aangepakt worden en droeg men bij tot het humaner maken van de levensomstandigheden. 
 
Barakken
Een barak was geschikt voor een verblijf van 250 man. De mannen sliepen in vier rijen; twee tegen de kant en twee in het midden. Ieder had een strozak en een dito hoofdkussen en twee wollen dekens. Aan de wand waren een paar planken aangebracht die dienden als legboorden waar de militairen hun weinige spulletjes konden plaatsen. Wat ruimte voor zichzelf, privé, bestond niet. Velen maakten een soort hangmat uit sterke touwen of uit ijzerdraad omdat men zo beter de vochtigheid en het harde liggen op de planken kon vermijden. Vooral in de winter had men veel onder de vochtigheid te lijden. De gevallen van reumatisme zijn dan ook algemeen verspreid onder de soldaten. 
 
Een barak werd ingericht als kerkgebouw. Andere barakken werden ingericht als kantine, andere werden opgedeeld in leslokalen en nog een andere barak was toneelzaal. 
 
Even buiten het kamp bevonden zich de barakken van de Nederlandse soldaten, alsook de loodsen van de gezondheidsdienst.
 
Amusement en familie
Enkele muziekverenigingen, een toneelkring, cinemavoorstellingen en de verschillende sportkringen zorgden voor het nodige vermaak en afwisseling in het monotone kampbestaan. Sommigen houden zelfs duiven.
 
Tussen 18.30u en 21.30u vertoonde men bioscoopvertoningen en toneelopvoeringen. Deze hadden veel succes.
 
Van wie de familie in Nederland was, waren bezoekuren geregeld. Zo kon men tussen 10.00u en 15.00u elk dag familie of bezoekers ontmoeten.
 
Kampleven
Om halfzeven wordt de réveille geblazen. De dekens worden gevouwen, de strozakken worden aan de kant gelegd, de hangmatten opgerold. Men wast zich en zet zich aan een soort tafeltje in de barak. Er wordt koffie geschonken en een broodje gegeten. Vervolgens komt de sergeant met de weekdienst belast. Hij geeft de verschillende corvees door wat steeds voor de nodige animo zorgt.
 
Vlamingen en Walen werpen elkaar buiten op de meest vriendelijke wijze een hoop scheldwoorden naar het hoofd zoals dat reeds het geval was in de kazernes enkele jaren voordien. De oorlog heeft deze traditie niet veranderd.  
 
Onderhuids zijn de soldaten echter niet onbekommerd en denken vaak aan echtgenotes, kinderen en thuis. Om deze gedachten wat te verdrijven ziet men de soldaten met het hout van sigarenkistjes of andere houten lijstjes maken. Anderen maken ringen van een aluminiumlepel of zelfs van Hollandse Guldens. Nog anderen vervaardigen horlogekettingen uit paardenhaar. Botten, uit de keuken, worden omgevormd tot een broche. Lege blikjes gecondenseerde melk worden opgekuist en tot drinkbekers omgevormd.
 
Wie wil kan om acht uur lessen volgen: Engels, Frans, Spaans, Italiaans enz. Ook boekhouden, muziek enz. In de beroepsschool kan men vaardigheden aanleren zoals hout- en metaalbewerking. Maar ook schilderen, boom- en bloemenkweek, enz.
 
Wie geen lessen volgt, ziet men vaak partijtjes kaart spelen (vooral “wiesten”). Anderen sporten: voetbal, lopen, kogelstoten, speerwerpen, fietsen op de wielerbaan, enz. 
 
Om half vijf, volgt na het appel, het avondeten. Dat avondeten bestaat doorgaans uit aardappelen met bonen of groenten of uit een dikke erwtensoep met hesp. Na het avondmaal wordt er nog wat gewandeld, nog een partijtje gebold of een spel gekaatst. Om 22.00u gaat iedereen slapen.
 
Verlof
Wie zich inzet ten voordele van het kampleven kan genieten van verlof als men beloofde terug te keren. Dit verlof bestaat uit een wekelijks een halve dag buiten het kamp. Veelal brengen de soldaten deze namiddagen door in een nabije stad of bij een Hollands gastgezin.

 

De vrienden van tante Phil.Lutteke, Poortstraat, Harderwijk, 1915.
 
Werken buiten het kamp
Na drie jaar internering waren de meeste ontwikkelde en aangepaste Belgische militairen vertrokken uit de interneringskampen, omdat ze elders werk hadden gevonden. Dit kon alleen als er voor het betreffende werk geen Nederlanders te krijgen waren, dan pas kon een werkgever een geïnterneerde in dienst nemen. Eind 1916 werkten reeds ruim 10.000 Belgen buiten de kampen.
 
Indien in één plaats meer dan vier geïnterneerden werkzaam waren, werd een interneringsgroep gevormd. Een dergelijke groep stond onder militaire bewaking. De werkgever diende op te draaien voor alle huisvestingskosten en was ook verplicht om die huisvesting af te zetten met prikkeldraad of de woonaccommodatie op een andere wijze te beveiligen. Voor de geïnterneerden gold de verplichting om tijdens het werk het uniform te dragen. Vanaf begin 1916 kon men werken op landbouwbedrijven.
 
Amand werd in z’n nieuwe situatie, in het kamp Melissant op Overflakkee, geen tevredener mens. Door de dagelijkse omgang met burgers verloor hij al snel uit het oog dat hij nog steeds geïnterneerd was. Hij mocht ook de gemeentegrenzen niet over. ’s Avonds bij terugkeer van het veld kon hij maar moeilijk wennen aan de militaire discipline. Maar omdat hij teruggestuurd kon worden naar Harderwijk, zorgde hij ervoor dat er geen problemen ontstonden. Werken buiten het kamp was tenslotte nog steeds een gunst. Het bleef bij zeuren en mopperen. Van het salaris werd een deel gestort in het ingestelde spaarfonds voor geïnterneerden in Den Haag.
 
De Spaanse griepepidemie van 1918
 
In de zomer van 1918 stierven in Nederland de eerste mensen aan de Spaanse griep. In andere landen waren reeds duizenden mensen aan deze virusziekte overleden.
De griep begon met hoge koorts, hoesten, spierpijn en keelpijn gevolgd door extreme vermoeidheid en flauwtes. 
Amand verloor, aanvang december, zoveel energie dat hij uiteindelijk niet meer kon eten en drinken. De ademhaling werd steeds moeilijker, gevolgd door de dood. Een effectief medicijn was er niet. 
 
In het voorjaar van 1919 was de griep uitgewoed een spoor van miljoenen doden achter zich latend.
 
In Nederland stierven binnen enkele maanden 27.000 mensen aan de Spaanse griep. De meesten in oktober, november en december van 1918. Amand was in december één van de 5.321 officiële griepdoden in Nederland.
 
Mijn Rode Kloosters
 
Met het verschijnen van het zeer populair boek “Mijn Rode Kloosters” van schrijver Martiaal Lekeux en het boek “Je suis un interné” van Omer Habaru werd, tijdens de jaren dertig, een periode in de militaire geschiedenis op een pijnlijke manier terug aangekaart. Waren zij die de grens naar het neutrale Nederland overstaken deserteurs geweest?
 
Deze vraag zorgde reeds tijdens de oorlog voor commotie. Een grondig onderzoek werd ingesteld. De conclusie ervan werd in de vorm van een legerorder aan luitenant-generaal Dossin bekend gemaakt. Die legerorder “aan de geïnterneerde officieren, onder-officieren en soldaten” las als volgt:
“Ik prijs me gelukkig U te mogen berichten, dat de Minister van Oorlog mij gelast, in zijn naam, aan U allen te zeggen, dat de houding van hen, die de na den val van Antwerpen naar Holland getrokken troepen in verdenking zoeken te brengen, niet verdedigbaar is: niemand heeft het recht dienaangaande een ongunstig oordeel te vellen, tenzij in volkomen bewezen gevallen. De Minister weigert te geloven, dat Belgische troepen zich hebben laten interneren, waar een andere uitkomst mogelijk was.”
 
In de kampen heersten evenzeer gemengde gevoelens. De eveneens geïnterneerde kapitein-commandant van de Staf L.Mamet hield hiertoe in 1915 een voordracht te Amersfoort en in Den Haag. Hij schrijft het volgende:
“Dit beknopt werk heeft voor eenig doel den moed op te beuren van zekere kameraden die, tengevolge van duizende gesprekken en fantasieën, door onze werkloosheid veroorzaakt, over zich zelve ontevreden zijn omdat zij zich inbeelden niet genoeg voor hun vaderland gestreden te hebben.
Die hachelijke geestestoestand veropenbaart zich door eindelooze vitterijen, eilaas! Maar al te dikwijls ongegrond.”
 
In 1919 konden de geïnterneerden eindelijk naar huis terugkeren. Maar voor de Belgische legerleiding waren zij deserteurs. Frontsoldaten en krijgsgevangenen kregen na de oorlog één tot acht frontstrepen, naargelang de lengte van hun dienstperiode. Deze frontstrepen vertaalden zich in geld, namelijk de hoogte van het militaire pensioen. Dit gold echter niet voor de Belgische geïnterneerde soldaten en onderofficieren. Na hun terugkeer kregen zij geen enkele eer noch materieel voordeel. 
 
Politici hebben meermaals gepleit voor eerherstel, zo ook August De Block (BWP) in de jaren zestig:
“Wij zijn overtuigd – de meesten onder ons althans – dat wij gedaan hebben wat wij konden, en het doet ons pijn dat veertig jaar later nog een blaam weegt op de goede soldaten die menen hun plicht te hebben gedaan. Wij vragen alleen eerherstel en wensen te worden behandeld op de manier waarop wij denken recht te hebben…(-)”.
Het eerstel is er tot op vandaag, 2010, nooit gekomen.
 
Het merendeel van de manschappen die de grens overstaken, deden dit wellicht mede uit onwetendheid over de gevolgen of misschien om op die manier uiteindelijk de eigen linies terug te kunnen bereiken. De overgrote meederheid werd door de Nederlandse overheid tegengehouden en vastgezet. Toch zouden 7.000 van de 40.000 militairen die de grens overstaken, weten te ontsnappen aan internering.
 
Na de oorlog ontstond het “Nationaal Verbond der Strijders 1914-1918 in Nederland Geïnterneerd”. Zij zouden in 1948 van zich laten horen met een speciale brochure: “De Tragedie der Oud-Strijders 1914-1918 in Nederland geïnterneerd”. Dit als aanklacht tegen het vermeende onrecht en miskenning.
 
Goeree-Overflakkee
 
Een verleden gaat niet dood, het is zelfs nog niet vroeger. Elke dag beleven wijzelf alshetware de laatste dag van ons verleden. De manier waarop we zaken wensen te herinneren, geeft ons leven mede een invulling of een plaats in de huidige tijd. Weten dat we die plaats nodig hebben, is belangrijk en maakt herinneren onmisbaar. 
 
Wij zijn voor een groot stuk het verleden vandaag. Wij kunnen niet vol leven zonder ons verleden. Hoe weten we zonder ons verleden wie we zijn. Zo moeten wij weten wie zij voor ons waren. Levenden en doden zijn deel van ons voelen en denken.
 
Het Zuid-Hollandse schiereiland Goeree-Overflakkee werd aanschouwd als een soort katholieke enclave. Amand verbleef er samen met een twintigtal andere soldaten in het interneringskamp Melissant (kamp Dirksland). Het “kamp” bestond uit een schuur bij een boerderij. Amand werd er tewerkgesteld in de landbouw als seizoenarbeider (“veldarbeider”). 
De “Commandant van de Internering” was de heer Adriaan Becking. De heer Becking zou op 13 december 1918 samen met veldwachter de heer Cornelis Struik te Melissant, bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, officieel aangifte overmaken van het overlijden van Amand. Beiden hebben verklaard dat Amand om 3 uur in de namiddag van 12 december is overleden in het interneringskamp te Melissant.
 
Amand overleed op 40 jarige leeftijd. Hij was de laatste van drie kampbewoners om aldaar aan de Spaanse griep te overlijden. Hij werd berecht en vervolgens begraven op het Roomskatholieke kerkhof te Sommelsdijk (Middelharnis) op 14 december 1918.
 
Een groot aantal van de overledenen werd in 1960 door de Nederlandse Oorlogsgravenstichting ontgraven en verzameld op een nieuwe ereveld op de stedelijke begraafplaats van Harderwijk.   Wie niet ontgraven kon worden, werd vermeld op een centraal monument. Amand kreeg een nieuwe individuele begraafplaats.
 
Amand overleed op 40-jarige leeftijd zonder z’n gezin terug te zien.

 

Kampleven: geïnterneerde soldaten tijdens een sportwedstrijd.
 
 
  
NSB Dudzele
 
Na de oorlog vonden vele militairen echter weinig of geen respect of erkenning in hun omgeving en bij bepaalde organisaties die hen verweten gevlucht te zijn en hun plicht als verdedigers van het vaderland niet te hebben vervuld terwijl de andere militairen aan de IJzer vier jaar lang een hel hadden meegemaakt.
 
Velen die terugkwamen uit Nederland werden voor de rest van hun leven gestigmatiseerd met een bijnaam, konden niet aansluiten bij oudstrijdersbonden en waren niet welkom op de plechtigheden van 11 november, ook al kregen ze officieel van overheidswege een bepaalde erkenning.
 
De Dudzeelse Oudstrijdersbond heeft Amand in 1920 zonder twijfelen toegevoegd aan de rij in arduin gekapte namen in de kapel. 
 
Amand is gestorven na de wapenstilstand, iets wat elke soldaat toen na die lange oorlogsjaren meer dan ooit als een nachtmerrie leek.
 
Irma
De ironie van het lot wou dat Dudzele op 19 oktober bevrijd werd door Jagers….    Voor Irma een pijnlijk moment. Om 4 uur ’s morgens had het 1ste Bataljon van het 2de Regiment Jagers te Voet Oostende verlaten richting Dudzele. Deze Jagers werden te Dudzele gekantonneerd voor één nacht waarna zij op 20 oktober verdertrokken richting Sijsele.
 
Ondermeer via kranten wist Irma in de eerste helft van november dat de oorlog ten einde was en dat haar man naar huis zou kunnen komen.
 
Toen Irma wilde weten wanneer haar man zou thuiskomen, werd haar verteld dat de Nederlandse regering pas met december de geïnterneerde soldaten stelselmatig naar huis zou sturen. De Belgische regering zou haar militairen uit dienst ontslaan door ze op onbepaald verlof te laten gaan. Het Koninklijk Besluit van 18 december 1918 bepaalde de demobilisatie van de oudste vier klassen, namelijk 1899, 1900, 1901 en 1902. Op 24 december zou deze groep veertig dagen verlof met soldij krijgen en aansluitend op 1 februari 1919 op onbepaald verlof gaan.   
Gerepatrieerde geïnterneerden uit Nederland zouden 30 dagen verlof krijgen, reis niet inbegrepen, met soldij. Daarna gingen ze naar hun eenheid, tot ze samen met hun klasse in onbepaald verlof konden gaan. Met andere woorden Amand zou na z’n terugkeer geen soldaat meer hoeven te zijn en het ganse oorlogsverhaal zou voor hem voorbij geweest zijn. Hij heeft het echter niet mogen meemaken. Hij werd begraven op 14 december 1918.
 
Na de oorlog maakte de weduwe in november 1920 aanspraak op de toepassing van de Wet van 1 juni 1919 waarbij een begiftiging (“familieaandeel’) van 300 frank uit “een blijk van dankbaarheid” werd ingesteld ten voordele van de oudstrijders.
 
Op haar vraag of zij kon genieten van de chevrons-rente werd toen in 1920 negatief geantwoord.
In de Wet van de Begiftiging van 20 augustus 1920 bepaalt artikel 2 dat “de tijd doorgebracht als krijgsgevangene of als geïnterneerde wordt gelijkgesteld met de dienst ACHTER het front volbracht”.
De chevrons-rente kon enkel bekomen worden voor dienst OP het front.

 

Postkaart verstuurd in 1917. Het medaillon aan de muur stelt de overleden echtgenoot-militair voor. Het kindje speelt met een popje die een soldaat voorstelt. Christus brengt troost aan de rouwende echtgenote.
 
Besluit
 
Amand stierf voor België.
 
Hij had minder schrik voor de dood gehad dan voor de angst aan de gedachte van z’n geliefden die zouden moeten achterblijven zonder hem. Angst voor het breken van de liefdevolle relatie met hen en vrees voor de gedachte aan het verdriet waarmee zij zouden moeten verder leven.
 
Gebidsprentje Irma Boi (overleden 17 februari 1961):
“Na de wereldoorlog 1914-1918 scheen haar geluk gebroken: haar man sneuvelde in dienst van het land, maar als de sterke vrouw droeg ze de last van het kruis en sloeg zich moedig door het leven; werkt en zorgde met een hardnekkigheid die bewondering afdwong en met al de kracht van haar moederhart gaf ze zich totaal…”
“Over heel haar leven lag het licht van een groot geloof en een blij vertrouwen in God. Met een eenvoud die getuigt van een diepvroom gemoed leefde ze voor God. Bij Jezus Heilig Hart kwam ze dikwijls…”
 
Amand, je kinderen stonden jaarlijks op 11 november getrouw aan de Heilig Hart herdenkingskapel. Voor hen was dit meer dan eervol herdenken. Toch sloeg het noodlot opnieuw toe in de familie Debacker. Twee van de vijf kinderen zouden jong sterven binnen een periode van 18 maanden. Gaston de oudste, 22 jaar, stierf in 1925. Maurits de jongste, 13 jaar, stierf in 1926. In acht jaar tijd was Irma de helft van haar gezin verloren. 
 
De familie Scherpereel, van de reeds in 1914 gesneuvelde Lodewijk, drukte alle drie de gebidsprentjes voor de zwaarbeproefde Dudzeelse familie.
 
Mede ter zijner nagedachtenis wordt elk jaar opnieuw een nieuwe kaars ontstoken in de kapel van het Heilig Hart op 11 november. Dit jaar voor de 90ste keer. Laat de vlam van de herinnering even branden want bij het zuchten van de tijd, danst de vlam.

 

Het gezin Debacker – Boi tijdens de oorlog: achteraan, links Gaston en moeder Irma rechts. Vooraan van links naar rechts: Maurice, Gerard, Leopold en Camiel. De twee jongens links zouden jong sterven.

 

 

 

Nederland, Harderwijk, 2009 (foto dhr.J.Both)
 
 
Dankwoord
Het schrijven van geschiedenis doe je niet alleen. Een welgemeend woord van dank aan volgende personen (in vrije volgorde):
Dhr.Martin Vanacker (NSB, Dudzele)
Dhr.Raymond De Vuyst
Dhr.Eddy Exelmans
Dhr.J.Hoving (Streekarchief Goeree – Overflakkee, adjunct streekarchivaris)
Dhr.Jan Both (Streekarchief Goeree – Overflakkee, streekarchivaris)
Dhr.Henk Hovenkamp (Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe, adjunct streekarchivaris)
Dhr.Gert Hemstede (Harderwijk, NL)
Dhr.Jan Van Der Fraenen (Legermuseum, Brussel)
Dhr.Xavier Van Tilborgh (Legerarchief, Evere)
Fam.Verlinde - De Backer Dirk en Rita
Mevr.De Backer – Costenoble
Dhr.Lucien De Backer

 

Biografie
De Wever, B., column, De Standaard, november 2008
Lekeux, M., Mijn Rode Kloosters. Jules De Meester en Zonen, drukkers – uitgevers, Wetteren, 1928.
Habaru, O., Je suis un Interné (1914-1918). Editions J.Fasbender, Arlon, 1937.
Delannoo, E., 1914 : Hoe kwamen zoveel Belgische militairen in Nederland terecht. En de gevolgen ervan…. Schrapnel, maart 2007.
Verbeke, R., Demobilisaties in 1919 in het Belgisch Leger. Shrapnel, maart 2009 (nr.1).
De Roodt, E., Oorlogsgasten. Europese bibliotheek, Zaltbommel, 2000.
Mamet L., De rol van Antwerpen. Eenige bemerkingen betreffende de leiding van sterke troepenmachten. Werkschool in het kamp van Zeist, 1916.
Mamet L., La chute d’Anvers et l’internement des Soldats belges en Hollande. S.A. Brugeoise d’Imprimerie et de Publicité, s.d.
Duvivier B.E.M., Herbiet B.E.M., Du Rôle de l’Armée de Campagne et de Forteresses belges en 1914. Imp. Typo. de l’Institut Cartographique Militaire, 1928.
Jaspaers G., De Belgen in Holland 1914-1917. Jacob Van Campen, Amsterdam.
Van Der Essen, L., Inval en oorlog in België, van Luik tot den Yser. De Vlaamsche Boekenhalle, Leiden, 1916.
Verdeyen R.W.R., België in Nederland 1914-1919. De vluchtoorden Hontenisse en Uden. ’s-Gravenhage Martinus Nijhoff, 1920.
Schoup, J.G., In Vlaanderen heb ik gedood!  W.L.& J.Brusse NV, Rotterdam, 1932.
Remès, Notre Jass de 1914 (le soldat Belge) par un officier de troupe. Imprimerie des travaux publics, Brussel, sd.
Hans, A., De Groote Oorlog, Uitgeverij L.Opdebeek, Antwerpen, sd.
Vandeweyer L., Descamps F., Vancoillie J., Ten oorlog met schop en houweel, The Western Front Associaton België, 2009.
Anthone, Ch., Historique des 2e et 5e Régiments de Chasseurs à Pied.  Ch.Mathieu, Bruxelles, sd.
Crois R., Uit het dagboek van een Moerkerkenaar, geïnterneerd te Zeist in 1914/18. Rond De Poldertorens, Jaargang XI, nummer 1, maart 1969.
Coornaert, M., Dudzele en Sint-Lenaart. De Vrienden van het Ambacht Dudzele, Dudzele, 1985.
Verhoye D., Een naam in arduin. users.telenet.be/dannyverhoye/EenNaamInArduinV0.1.pdf
Groenboek gepubliceerd dor de Nationale Vuurkruisenbond voor het streven naar het verwezenlijken van meer rechtvaardigheid in de wereld der oudstrijders 1914-1918, 1954.
Waarop gij recht hebt. Handboek ten dienste van Oud-Strijders uit den Oorlog 1914-1918 – Invalieden – Weduwen en Weezen – Ouders van Gesneuvelden en andere Rechthebbenden. Boek en Muziekhandel Gudrun, Brussel, 1925.

.

 

Gebidsprentje Amand De Backer
 
 
 
Postkaarten en foto’s:collectie Paul De Vuyst
Foto en gedachtenis A.De Backer: collectie Martin Van Acker

Opgesteld door Paul De Vuyst