Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

 

Het verhaal van Maria Verkruysse
Ik was een meisje van 20
Gedurende W-O 2
 
Moeder Maria Verkruysse
Opgesteld door P.De Vuyst
Er was eens een eenvoudig maar mooi Polderdorp. Het dorp grensde niet aan een stad maar lag afgezonderd, geborgen, tussen kanalen, vaarten en sloten.    De weiden waren er groener en de akkers waren er vruchtbaarder.  Koeien en kalveren genoten dartel van het leven. Sierlijke boomkruinen streelden er de hemel en een strelende zeebries joeg het gezang van de vogels naar ongekende schoonheid.   Het was het rijk der kinderen en Dudzele was de trotse eeuwenoude naam van het plaatsje. Nergens konden kinderen langer kind blijven dan in het dorp gekroond door twee machtige kerktorens die als poortwachters het heiligdom bewaakten.   Maar toen kwam de belleman met z’n fiets overal de oorlog aankondigen…
Blonde Maria was een mooi en sterk meisje uit het huisje met schuurtje langs de waterloop. Het water kabbelde er zo rustig z’n gangetje dat men het de Watergang doopte.   Naar school gaan, hoorde er al niet meer bij voor Maria maar op de kleine boerderij viel er altijd wel iets te doen. In totaal telde het gezin 8 kinderen. Vader hielp veel bij de boeren en moeder werkte naarstig thuis.   De mooie boomgaard was een zegen en ware rijkdom voor het gezin.   Maar toen kwamen er vreemde mannen, die een onverstaanbare taal spraken, met al even rare kledij en nog gekkere stalen mutsen… Er kwamen ook ontelbare mensen uit andere ongekende dorpen. Men noemde ze “vluchtelingen” en zij vertelden verhalen van angst en geweld…
Het sprookje ontwaakte stilaan in een nachtmerrie. De bewoners voelden hoe een beklemmende sfeer een steeds benauwder gevoel gaf.   Het monster van de oorlog was niet veraf meer.   Twee broers van Maria dienden diezelfde rare kledij en harde mutsen te dragen; Gerard en Omer. Zouden zij nog terugkomen?    Er gebeurde plots niets meer; de Franse en Belgische soldaten waren zonder twee kanonnen uit het dorp verdwenen, de stoet ontroostbare vluchtelingen, met zakken en karren, leek opgeslokt door vele kleine en grotere wegen. 
Andere jonge mensen waren in de plaats gekomen, zij waren nog gekker gekleed en droegen bizarre symbolen. De Duitse troepen zouden uiteindelijk vier jaar lang in Dudzele blijven.   Niemand echt lang, de meesten maar enkele dagen. 
Maria Verkruysse werd geboren in het “oude” Dudzele op 21 april 1920. Op haar twintigste was zij, zoals alle andere katholieke meisjes, mooi in eenvoud en gelovig rein. De oorlog zou haar echter snel naar volwassenheid brengen. Samen met Maria zaten Martin en ikzelf aan een Vlaamse familietafel met echte geurige koffie en lekkere speculooskoekjes. Het was een mooie maandag in de maand oktober. Na haar lagere school is Maria duidelijk met brio geslaagd in de hoge school van het leven. Uiteindelijk zou haar leven, met haar ondertussen overleden man Charles Desmedt, gezegend worden met negen kinderen. Hun huisje langs de Westkapelsesteenweg ligt wat verscholen maar de grote ramen zoeken nog steeds naar uitzichten op het oude Dudzele. Martin en ikzelf mochten helpen zoeken en speuren in Maria’s verleden vol oude inzichten in een oorlog die deel uitmaakt van het gemeenschappelijk verleden van ons dorp.
 
De doortocht
In mei 1940 lagen er in Dudzele zowel Franse als Belgische soldaten.  In de ouderlijke boomgaard hadden Franse soldaten zich verscholen. Maria begreep vrij goed Frans en overlegde met enkele Fransen die strooi wensten te kopen. Iets later wilden ze vanop de zolder de omgeving afspeuren of bespioneren. Gelukkig kon Maria wijzen op de kinderbedjes en de Fransen beslisten om verder te gaan.
Er heerste een beangstigende sfeer. Iedereen leed eronder. Elk moment kon er gebombardeerd worden. Brugge, Zeebrugge en haar belangrijke Noordzee-haven lag immers niet zo ver.  Maria durfde niet langer alleen naar de weide te gaan, langs de Vaneweg, waar de koeien geduldig wachtten om gemolken te worden. Een Franse soldaat besliste daarop om haar te vergezellen en zo geschiedde. Lang zijn de Belgen en Fransen niet gebleven.
De bezetting
De Duitse soldaat was doorgaans gedisciplineerd en hoffelijk maar het waren ook jongemannen. Als jong meisje diende zij vaak naar die weide te trekken langs de Vaneweg. Met de fiets trok Maria dan over het dorpsplein richting de Wissel. De Duitsers hadden hun kantine in café Sportwereld en die baatten zij ook zelf uit. Vaak werd er dan naar haar gefloten om aandacht te trekken maar daar zou zij zich niet laten aan vangen. Een andere keer kwam een Duitser zeggen dat Maria zich diende te wapenen tegen die “Casanova’s” met de vraag “Sind Sie verheirated?” en dan te vragen naar hun “Soldebuch” want daar stond hun echtelijke toestand in beschreven. En zo geschiedde. Maria stelde opzettelijk de juiste vragen en kreeg plots in plaats van het Soldebuch een sneer “Ein soldat hat nur ein Wort!”.   Maria wist voldoende, de soldaat was aldus gehuwd. 
Duitse soldaten kantonneerden zowat overal in Dudzele. In hoofdzaak in de scholen maar ook veel bij particulieren. Bij Maria thuis logeerden er vaak Duitse soldaten en soms stonden er zelfs vrachtwagens. Ooit maakte Maria’s vader een opmerking aan het adres van een Duitse gegradeerde over schade aan z’n weide. De Duitser werd plots uitzinnig van woede; hij die alles kwijt was door bombardementen in Duitsland, huis, vrouw en kinderen, kreeg hier een opmerking over zoiets banaals! Haar vader stond de trillen op z’n benen en schuifelde langzaam weg.    Een andere keer was een ganse groep soldaten afkomstig van Denemarken.
De soldaten waren over het algemeen vriendelijk en zochten soms ook huiselijkheid. Zo stond ooit eens een Duitser op een zondagmorgen plots in de keuken. Moeder vroeg Maria wat melk te koken en aan de Duitser een kom te presenteren. Hij nam het dankvol aan en verdween even later.
Soms moest er al eens kledij van een soldaat gewassen worden. Een wederdienst was dan niet veraf en plots waren een paar vuile schoenen terug blinkend nieuw. Maar Maria deed eigenlijk geen was voor Duitse soldaten daarvoor kon je namelijk terecht bij enkele vrouwen in het dorp.
De “Kommandatur” was gesitueerd waar dokter Deroover z’n praktijk had. Op de Kommandatur konden de Duitsers hun maaltijden ophalen.
Op taalvlak trok Maria haar streng en ook zij probeerde wat Duits te begrijpen en te spreken.
 
Sneuvelen in Dudzele
Ergens in 1941 voltrok zich een luchtgevecht boven Dudzele. Het Engelse en Duitse toestel waren in een hevig luchtgevecht gewikkeld en kwamen beiden aangevlogen vanuit Zeebrugge. De toestellen scheerden over het dorp.   Het Engelse toestel rookte. Maria kon zien hoe een Engelsman zich nog probeerde te redden met behulp van z’n parachute maar er was onvoldoende hoogte en de man stapte in z’n dood. De piloot wou nog verhinderen dat het toestel in het dorp dood en vernieling zou zaaien en dirigeerde z’n vliegtuig naar het water van de vaart. Het toestel spatte bij het neerkomen uiteen in duizend brokstukken. Geen enkel van de vier bemanningsleden overleefde de crash. Maria en zoveel andere Dudzelenaars trokken naar de vaart om te zien wat de oorlog gebracht had maar de Duitsers, die zeer snel ter plaatse waren, stuurden hen terug. Raymond De Vuyst, vader van de schrijver van deze tekst, was reeds eerder ter plaatse en kon zien hoe de piloot zwaar gehavend uit het wrak werd getrokken door de Duitsers vanop een soort geïmproviseerd bruggetje.  De piloot z’n arm stond driedubbel dikte.  Allen waren dood. Maria heeft lang een brokstukje van het vliegtuig bijgehouden als souvenir van dit voor Dudzele zeer ingrijpend gebeuren.  Zij zag hoe een ander bemanningslid in een zak werd afgevoerd omdat de arme man helemaal verhakkeld was.  Raymond De Vuyst beschrijft de plaats van het neerstorten als zijnde een flink stuk ten zuiden van de Herdersbrug. Wie zij waren en waar zij begraven werden is tot op heden onbekend.
Later in 1944 zouden nog eens vijf soldaten sneuvelen, ditmaal Duitsers in de “Slag om de Herdersbrug” van zondag 10 september 1944. Alle vijf werden zij begraven ten noorden van de Herdersbrug, op de oostelijke oever. Vlakbij het kapotgeschoten gebouw van de bruggedraaiers van de haven.  Simpele houten kruisjes met hun helm er bovenop.  Maria herinnerde zich de “Slag om de Herdersbrug” plots zeer duidelijk, haar anders nog steeds frisse stem werd wat dieper in toon. Het verhaal werd met meer ernst verteld want Maria had van op de eerste rij het monster van de oorlog in de ogen gezien.  Die ogen spuwden kogels. Deze slag aan de oevers van de vaart gebeurde daags voor Dudzele haar biddag op 11 september. Op de biddagen kwamen paters de missie preken met bulderende stem en vermanende donderpreken. Maar tijdens de oorlog waren er geen biddagen meer. Hoedanook de donderdag voordien hadden de Duitsers de Herdersbrug onklaar gemaakt.   De Herdersbrug had men enkel onklaar gekregen omdat iemand erin geslaagd was om een deel van de munitie te verwijderen waardoor de brug niet volledig werd vernietigd (volgens Maria was in die paar dagen zeker de helft van het dorp al komen zien naar de kapotte brug). Iedereen wist ondertussen dat de Canadese soldaten op weg waren naar Dudzele en niet veraf konden zijn. De Duitsers hadden mijnenvelden geplaatst over de vaart om de Canadezen te vertragen maar toch waren zij daar aan de andere kant van de vaart doorgekomen op 10 september. 
Niettegenstaande de dreiging van naderende gevechten trokken Maria en haar zus, tegen beter weten in, tot op 50 meter van de Herdersbrug en zagen Duitse soldaten tegen de oever in aanslag liggen. Plots een droge harde knal; een schot. Nog een schot en daarna volgde de ene salvo de andere op. Op handen en voeten kroop Maria terug naar huis dwars over de velden, niet omkijkend steeds verder. Als een bezetene kwam Maria aan een balie, er viel een luwte in het schieten, en als een schicht schoot Maria zich over de afsluiting.    Op dat moment kon Maria nog net zien hoe vijf huizen in vlammen opgingen.
’s Anderendaags, de 11de september, werden de wonden aan beide kanten van de vaart gelikt. De Duitsers sleepten hun gekwetsten op berries weg naar de Watergang en vandaar naar de Brugse Kalsije. 
Nog een andere Duitser sneuvelde nabij Kruisabeele (op de boerderij “Ter Bolle”) en werd, te voet, met een soort driewiel karretje naar het kerkhof van Dudzele gebracht. Pastoor Verfaillie weigerde om de Duitse soldaat, gewikkeld in een deken, op die manier in de grond te stoppen en eiste een kist.   Een kist werd gezocht en de Duitser werd ter aarde besteld te Dudzele. Zeer kort na de oorlog is de Duitser ontgraven geweest evenals de vijf anderen nabij de brug.
Een uitzonderlijk nat jaar: 1941
In 1941 regende het dagen na elkaar tijdens de oogstperiode. Het graan voldeed niet om brood te bakken en de mensen trokken naar de bakkers met hun meel. Die bakkers wisten daar precies raad mee en zodoende kwam het dat veel mensen niet langer thuis bakten in hun “ovenkot”. 
Onderpastoor Traen
Onderpastoor Traen was absoluut niet opgezet met de Duitsers en trok dan fel van leer tegen de Duitsers tijdens kerkelijke diensten. De onderpastoor werd verklikt en zat daarom een tijd vast.
Bombardementen
Dudzele heeft geen oorlogsschade geleden tenzij de schade die ontstaan was tijdens de bevrijding, door de Canadezen, en door de Duitse beschietingen op Allerheiligen van 1944. Toen werden de kerk en enkele huizen vooraan in de Kerkstraat ernstig getroffen.

 

Kerkstraat nummer 3, meester-schoenmaker Jozef De Vuyst
November 1944, schade als gevolg van een granaatinslag.
 
Collaboratie
Tijdens de bezetting hing er een dunne lijn tussen burgerzin, overleven, morele verantwoording en actieve collaboratie. Wat voor de één collaboratie was, was voor de ander enkel overleven; van geld verdienen met de Duitsers tot aardappelen schillen voor soldaten. In het gesprek met Maria kwam dit thema steeds terug als een vervelende vlieg die jojo met het geweten speelde en steeds maar om verantwoording vroeg.
Maria was al vrij vroeg na de bezetting in 1941 betrokken geweest in de ravitaillering. De oorlog had het ganse economische systeem met ondermeer de voedselvoorziening ontwricht. Zonder het systeem van voedselbonnen en stalkaarten zou er onherroepelijk veel meer honger geleden zijn. Er bestonden bonnen voor melk, vlees, brood en zoveel meer. Wat ooit begon als zes weken is uiteindelijk geëindigd in zeven jaar want achter de oorlog waren er nog steeds bonnetjes. De eersten maanden te Dudzele, later in de Ezelstraat in Brugge. Het huisnummer stond in Maria’s geheugen gegrifd, nummer 55. Soms gebeurde het weleens dat een stalkaart of veekaart niet in orde was bij een boer en dan stonden daar boetes op.   Daar zat wellicht bij sommigen een angel en werd misschien al vlug door een benadeelde een verkeerde conclusie getrokken.
Het systeem van de bonnen werd na de oorlog door de overheid verdergezet om de ergste noden te lenigen en de bevolking te behoeden van voedseltekorten.
Kledij
Zoals gezegd trok Maria elke dag met de tram naar Brugge om er te werken.   Al vlug hoorde ze van de andere meisjes op het kantoor dat er kousen te verkrijgen waren in een winkel. Maria herinnerde zich scherp hoe zij aan de winkelierster geen kousen kon kopen, ook al had zij bonnetjes bij zich. Uiteindelijk smeekte Maria bijna om de zijden kousen en zo lukte het haar alsnog om de kousen te bemachtigen.
De onderwaterzetting, net voor de zomer van 1944, zorgde ervoor dat de tram niet meer van en naar Brugge reed. De stelplaats voor de trams was toen in Knokke. Dan werd er naar Brugge gefietst en net voor de bevrijding zelfs enkele dagen te voet omdat Maria schrik had dat de Duitsers haar fiets zouden opeisen.
Gewenning
Niets slechter dan gewenning want dan wordt men onachtzaam en onvoorzichtig. Zo ook te Brugge waar om de haverklap luchtalarmsirenes loeiden. Iedereen vluchtte dan in schuilkelders maar in de meeste gevallen bleek het allemaal weeral eens loos alarm.    Na verloop van tijd luisterde Maria niet meer naar de boodschap van de sirenes. Zo ook toen zij een dringende brief aan het station te Brugge diende te posten en zij het alarm negeerde. Eens aan het station gekomen sloegen de kogels in op het afdakje boven haar hoofd. Gelukkig werd Maria niet gekwetst.
De bevrijding
Maria herinnerde zich hoe diegenen die lid waren van Duitse verenigingen de vlucht moesten nemen. Zo waren er de “Koddebeiers” een soort dansgroep door Duitsers gesticht. Ook zij dienden zich uit de voeten te maken voor de “Witte Brigade”. Een brigade die de naam “crapuul” meekreeg tussen de mensen. Velen waren valse helden, vreemden, die naam wilden maken als alle gevaar geweken was.
Oorlogsburgemeester Steyaert diende na de bevrijding met een foto van Declerck, boven het hoofd, door de straten van Dudzele te lopen. Hij werd bespuwd, gestampt, geslagen en geschopt. Vanderysse was door zijn invloed afgezet geweest. Wellicht stond Steyaert bij de Duitsers beter aangeschreven.

 

Canadezen op het dorpsplein, september 1944
Na de Canadezen zijn de Engelse soldaten naar Dudzele gekomen. Twee van die Engelse soldaten zijn het huwelijk van de schoonzus van Maria (Anna Desmedt) komen meevieren in mei 1945.
Op 1 november 1944 trok het inundatiewater eindelijk weg en kon er terug met de tram gereisd worden.
Rond Dudzele waren nog vele mijnenvelden achtergebleven.   Het was opletten geblazen, zo ook in het gehucht “Voghelensanck” even voorbij de Herdersbrug.   Rommelasperges (houten anti-tank constructie men mijnen op gemonteerd) kon je vinden in de richting van de “Stinker” en de “Blinker”.
Gerard en Omer
Wat was er met de beide broers gebeurd? Beide Dudzelenaars trokken als soldaten naar de oorlog en kwamen terecht aan het Albertkanaal. De Duitse “Blitzkrieg” was echter onhoudbaar en sloeg als een zeis over de Belgische eenheden. In hun verloren positie beslisten ze om als burgers terug naar huis te keren. Wat later werd een oproep gedaan aan voormalige soldaten om zich aan te geven bij de Duitsers in de Langestraat. Zo gezegd zo gedaan maar beiden keerden niet terug naar huis. Zij werden onmiddellijk bij de kraag gevat en gedeporteerd naar Breslau (Görlitz). En dan, veel later, op een avond in januari van 1945 ging Maria naar het toilet. Er stond een zwart silhouet aan het hekken. Toen Maria dichterbij kwam, zag ze in het maanschijnsel dat het Omer was. Hij was samen met een andere Dudzelenaar Albert Goemaecker naar het dorp met een fiets afgezakt. Tot diep in de nacht werd er ten huize Verkruysse gepraat en gevierd. Ook Gerard was op weg naar huis maar wachtte nog op papieren.   De vader van Maria ging de volgende dag aan de tramhalte wachten op zijn zoon. Bij het zien van z’n zoon is vader Verkruysse in huilen uitgebroken, als een vat vol spanning die openbarstte. Beide zonen waren terug.
Koffie
Maria, onze hartelijke dank voor dit eerlijke gesprek. De koffie heeft gesmaakt als op een hoogdag. Maar wat wij nu als normaal beschouwen was toen geen evidentie. Koffie werd tijdens de oorlog grote luxe. Beetje bij beetje was er steeds minder koffie te vinden. Eerst werd de koffie beperkt tot de hoogdagen maar naar het einde van de oorlog toe was er enkel nog koffie op Nieuwjaarsdag en op kermiszondag. De koffie proefde men dan eerste met de neus en dan pas met mond. Ersatz-koffie was in hoofdzaak een soort gebrande gerst. Chocolademelk was er niet om de simpele reden dat er geen chocolade te vinden was. 
Charles Desmedt
De echtgenoot van Maria was Dudzelenaar Charles Desmedt (7 februari 1920). Hij woonde tegenover de herdenkingskapel op een boerderij. Als soldaat werd hij krijgsgevangene genomen en naar Frankrijk afgevoerd. Hij had er te lijden onder dysenterie. Op 15 augustus 1940 werd hij te Rennes ontslagen en mocht hij naar huis. Na verloop van tijd werd Charles verklikt aan de Duitsers. Charles werd te Dudzele opgepikt en als verplicht tewerkgestelde diende hij naar Noorwegen te gaan. Op het allerlaatste moment echter kon Charles z’n vader iets regelen en zodoende kon Charles alsnog thuisblijven.
Besluit
De oorlog had een serieuze impact op het alledaagse leven in ons rustige Polderdorp. In vier jaar tijd werd het dorp doorkruist door mensen allerhande; van Duitser tot Engelsman, van Fransman tot Canadees, van Italiaan tot vluchteling. Van Godvrezende mensen tot soldaten die anderen doden. Het dorp behoorde plots toe aan een andere wereld en niet langer meer tot haar vertrouwde omgeving. Deze omschakeling zal ook een verandering teweeg gebracht hebben in houding en denken bij onze Dudzelenaars. Maar dat is een ander verhaal.
De twee torenwachters werden kloeke kerktorens die onze dorpelingen wisten te binden in hun gemeenschappelijk verleden met verhalen als bindmiddel. Sterk als kerkewerk. De torenwachters herinneren ons steeds aan de tijd van toen en als we het niet willen zien, dan zorgen zij ervoor dat we het op z’n minst elk uur horen. 
Wees erbij op 11 november !!