Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

          Het leven te Dudzele tijdens de
                         Grote Oorlog.
De bezetting
(Dit is het eerste deel uit een reeks bijdragen over het leven te Dudzele tijdens de Grote Oorlog).
 
 Tijdens de oorlog
 
Deel I
 
De eerste troepen die in het dorp verbleven, waren Duitse mariniers. Ze moesten opeens vertrekkennaar het IJzerfront. De staf had zijn burelen in de gemeenteschool. Soms zijn er op het dorp 700 tot 800 soldaten gekantonneerd in rust.  Het gebeurt ook dat er geen zijn. Het bureel van het kantonnement is op het kasteel Bossier.
De Duitsers eisen alles op: koffie, levensmiddelen, enzovoort. Alle wat hen dienstig kan zijn. ’t Is hunne hoffelijke gewoonte…
Er blijft nauwelijks genoeg over voor het leven van de inwoners en deze zijn dan ook verplicht levensmiddelen te verbergen en stellen zich zo aan zware straffen bloot. Ik vrees dat de Dudzelenaars al genoeg slim zijn om wat bloem te verbergen en op Dudzele kermis een smakelijk koekebroodje te bakken in ’t duikertje. Gelukkig bestaat er een Amerikaanse winkel en er wordt ook soep gereed gemaakt voor allen, die ze willen halen. Talrijk zijn ze die er heengaan. Zowel welstellende als arme mensen. Dagelijks wordt een lekker noenmaal aan de arme schoolkinderen gegeven.
De eerwaarde heer pastoor, onderpastoor Bonne en de burgemeester Lannoye zijn in goede gezondheid. De Dudzelenaars mogen naar Brugge en naar de omliggende dorpen gaan als het nodig is en zij een voldoende reden kunnen opgeven. Deze was gauw gevonden en was immer gevaarlijk om die Duits bij ’t vijfde te zetten. Voor iedere reis moet men een bewijs hebben van geneesheer of van ander overheid. Zo kunnen zij een pas krijgen van de Duitsers.
Petrolie is er sinds lang niet meer te vinden en onze dorpsgenoten zitten te praten over den oorlog rond de stoof bij het licht van een vette kaars of bij carbeurelicht (in het voorjaar van 1918 heeft men ’t electrieke licht overal gelegd).
In de winter van 1916 beschikte men over een genoegzame hoeveelheid kolen. Ze hebben dus niet veel koude geleden. Al de kleine kinderen zijn in Dudzele gebleven. Er zijn meer sterfgevallen van kinderen nu dan voor de oorlog. Tot de ouderdom van drie jaar mogen de kinderen melk hebben. Nadien is her de ouders verboden melk te geven.
Veel barakken zijn opgetimmerd op het algemeen land (op de weg naar de brug der Zeevaart, alsook langs de vaart van aan Fort Lapin tot aan Dudzele brug, en langs de vuile Lisseweegse kalsije).
In de omstreken van Kruisabeele is er een vliegplein. ’t Is misschien dat vliegplein dat de Engelsen dikwijls beschieten en dat gekend staat in de officiële berichten als het vliegplein van Koolkerke.
Dr.De Haene en dr.Caene, notaris Depuydt houden zich bezig met verschillende inlichtingen over het welzijn van de inwoners. De oude knechteschole is nu in hospitaal veranderd. Ook de meisjesschool is gasthuis geworden en beschikt over soldaten voor inkwartiering. 
Leopold Bogaert houdt eerst school in zijn huis en erna in de herberg van Edward Raes bij de kerk. Karel Bogaert geeft les in het magazijn van Alfons Maenhoudt. Pieter Mahieu bij Edward Vernieuwe, kuiper. Rosalie Lievens die de kleinste klas doet in de herberg van Kamiel Pintelon, en meester Raes vervangt (Aardenburg).
Sinds 1914 is er maar één nieuw huis meer gebouwd. Bij gebrek aan bier zijn vele herbergen moeten gesloten worden; die vroeger winkel hielden verkopen nu nog (soms aan groote prijzen). De tram loopt als vroeger van Westkapelle, maar ’t zijn de moffen die er dienst op doen….
Arthur Vanzandweghe heeft dienst genomen in de De Panne. Edward en Pieter Deceuninck doen dienst in Oostende in het dépôt des thermes. De statie-overste Landuyt woont nog in de statie maar ’t is een mof die statiebaas is. Landuyt en de onderstatie-overste houden zich bezig met inschrijvingen nopens levering van koeibeesten aan de moffen.
Niettegenstaande ontberingen en de langdurige oorlog zijn de Dudzelenaars vol moed en vaderlandsliefde. De ruiten daveren van de kanonslagen aan de IJzer en de beschietingen van Brugge of Zeebrugge, doch “de moraal” staat hoog. Dat moet niemand verwonderen van wie de bewoners der hoofdstad van ’t Noorden kent !!
Deze tekst werd opgetekend door Dudzelenaar dhr.Clemens Scherpereel. De foto’s tonen Clemens (tijdens en na de oorlog). Bemerk op de rechter foto hieronder de frontstrepen op de linker bovenarm.

 

.

                   Na de oorlog

Clemens Scherpereel is een broer van de gesneuvelde Lodewijk Scherpereel.   Hij werd geboren te Dudzele op 20 december 1881 en overleed te Kortrijk op 21 mei 1974.   Hij werd priester gewijd in 1905 en werd leraar in de colleges van Nieuwpoort en Avelgem.   Bij het uitbreken van de oorlog (hij was toen al 33 jaar) meldde hij zich als vrijwilliger.   Als aalmoezenier heeft hij zich heel de oorlog lang ingezet om langs allerlei sluikwegen berichten tussen frontsoldaten en familieleden door te sluizen.   Dit gebeurde door middel van een zeer intense briefwisseling.   De honger naar informatie was immers zeer groot onder de soldaten ver van huis en familie verwijderd. Dudzele had geen frontblaadje of frontgazetje zoals Lissewege die wel had (het “Lissewegenaerke”) maar deze leemte werd door Clemens aldus ruim ingevuld. Op deze manier is ons een klein schriftje met informatie over Dudzele tijdens de Grote Oorlog nagebleven. Iets waar wij nu ook zeer dankbaar voor zijn. Na de oorlog werd hij hoofdaalmoezenier in bezet Duitsland.    Zijn standplaats was Aken waar hij tot 1929 gebleven is.
Nadien is hij onderpastoor geworden in Knokke Sint Margareta en nog later pastoor te Moen en te Meulebeke.    Uit veel getuigenissen blijkt dat hij tijdens de oorlog door de soldaten (hij noemde ze altijd mijn soldaten) op handen werd gedragen.    Op zijn zelfgeschreven bidprentje vinden we: "Mijn studenten, soldaten en parochianen heb ik hartelijk bemind".
Clemens werd begraven te Meulebeke. Omdat hij aalmoezenier was tijdens de oorlog wilde hij kost wat kost tussen de oud-strijders begraven worden. Het graf bevindt zich daar nog steeds.

 

                                            Gebidsprentje Clemens Schepereel

 
Wat is er van de Vlaamse oorlogsfolklore      overgebleven in ons taalgebruik?
De taal is een product van ons samenleven. Zonder mensen, zonder samenleving is er immers geen taal nodig. De oorlog heeft ook bij ons sporen nagelaten, enkele voorbeelden:
“Boules de l’Yser” en niet langer “boules de Berlin” aan onze kust.
Abri (verstevigde schuilplaats, woord afkomstig van het front)
Barak (ongeriefelijke woonst, woord afkomstig van interneringskampen)
Een grote kop, ook een hoge piet (belangrijke persoon, woord afkomstig van de speciale hoofddeksels)
“’t Is ook maar een gewone piot” (gewone mens, woord afkomstig van de benaming van een gewoon soldaat zonder rang)
Tu-tut (zwijgen, soldaat van een strafcompagnie geweest en heeft dus niets meer te zeggen)
 
Een bekende en belangrijke hulp-onderwijzer in de gemeenteschool te Dudzele: dhr.Theodoor Sevens
Schrijver en historicus Theodoor Sevens werd in 1848 geboren in Kinrooi maar bracht een groot deel van zijn leven door in West-Vlaanderen waar hij op het einde van de 19de een voorman was van de Vlaamse Beweging.   In zijn rijk gevulde leven schreef hij méér dan 100 boeken en werden een groot aantal van zijn gedichten op muziek gezet.   Nadat hij zijn onderwijzersdiploma behaalde in Lier gaf hij achtereenvolgens les in Lissewege, Dudzele (1870-1872) en te Lapscheure.
 In de aantal schoolboeken (o.a. Bloemen en vruchten) die nog tot ver na 1900 gebruikt werden in het lager onderwijs.

In 1881 verhuisde hij naar Kortrijk waar hij onmiddellijk actief deelnam aan het culturele leven en waar hij meewerkte aan de Gazette van Kortrijk.   In datzelfde jaar bracht hij samen met Guido Gezelle de Davidsfonds-afdeling weer tot leven. In 1920 publiceert hij “De Europeesche Oorlog”. Hij stierf in 1927.

 

Theodoor Sevens

De Europeesche Oorlog

                                                                                                                              Paul De Vuyst