Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Dudzeelse burgerlijke gedeporteerde oorlogsslachtoffers

 

 

Dudzeelse Gedeporteerden W-O 1

 

 

.

 

 
Dudzeelse weggevoerden 1918
 
.
 
 In oude familieverhalen werd verteld over andere Dudzelenaars dewelke de Grote Oorlog niet overleefd hadden ten gevolge van de Duitse bezetter.  Sommigen werden als burgers verplicht weggevoerd om tewerkgesteld te worden (in het Duits werd dit dan "Zivilarbeiter"). Anderen ("weerbare mannen tussen 17 en 45 jaar") werden op het einde van de Grote Oorlog, in oktober, meegedreven door terugtrekkende Duitse eenheden. De geallieerden waren hun succesvolle eindoffensief immers even voordien gestart op 28 september 1918 en de Duitsers waren bang dat deze mannen tegen hen zouden ingeschakeld worden in het militaire apparaat van hun tegenstander.
 
   In het mooie boekje van P.Danneels "Dudzele in oude prentkaarten" vinden we een foto terug van Dudzeelse “weerbare” mannen die tegen hun wil en onder gewapende bewaking tot in Desteldonk werden gedreven. Hun foto werd genomen aldaar op 10 oktober 1918.  Dudzele zelf was op dat moment nog niet bevrijd.  Hun namen zijn de volgende:
Bovenaan van links naar rechts: Alfons Vermeulen, Edward Deceuninck, Camiel Schotte, Edmond Schotte, Louis Casier en helemaal rechts Henri Cornille. Zittend, onderaan zien we links Henri Schotte en Pr.Cornille.
 
   De weggevoerden werden te voet opgedreven naar Eeklo (bemerk de wandelstokken op de foto) en de volgende dag opnieuw richting Duitsland. Verwarring onder de achteruittrekkende Duitse troepen zorgde ervoor dat de weerbare mannen niet verder gingen dan Oost-Vlaanderen. Onder de verwarring wisten velen te ontsnappen aan de aandacht van de Duitsers. Zo kwamen op 27 oktober, 17 Oostkerkse mannen terug thuis van Desteldonk.
 
   Waren zij de enige Dudzelenaars? Nee, absoluut niet. Anderen waren reeds vertrokken of zouden na deze groep moeten vertrekken, zoals Dudzelenaars Oscar Devos, Eugeen Devos, Camiel Stroef en Jan Stroef. 
 
   Tal van gemeenten werden het slachtoffer van deze verplichte deportaties. In vele gemeenten zou niet iedereen dit “avontuur” van enkele weken, een maand overleven. Een aantal kreeg onderweg de toen zeer gevaarlijke Spaanse griep. Sommigen zouden helemaal niet terugkeren, anderen zouden thuis sterven ten gevolge van ontberingen opgelopen tijdens de verplichte ontheemding.
 
   De man onderaan links is de broer van Louisa Schotte, grootmoeder van Paul De Vuyst. Op het beeld hieronder werd Henri als ongehuwde jongeman foto genomen te Brugge op 26 juli 1918. Tijdens de Grote Oorlog zaten regelmatig Duitse soldaten (van de marine) ingekwartierd in het ouderlijke huis van Henri dat tevens café was. Voor z’n moeder, Anna-Coleta Deroo, met nog eens drie ongehuwde dochters thuis, was er steeds de schrik voor de jonge Duitse frontsoldaten op rust en eventuele ongewenste avances. Maar uiteindelijk viel alles goed mee.
 
 

.

                 Dudzelenaar Henri Schotte, 1918

  Henri heeft het gehaald maar twee namen werden teruggevonden van geboren en getogen Dudzelenaars dewelke als gevolg van hun verplichte ballingschap zijn overleden in oktober van 1918.  Ze zijn beiden uitgeput, uitgemergeld en doodziek, als gevolg van hun ballingschap, overleden in hun dorp Dudzele na thuiskomst.  
 
   Verre familieverhalen vertellen ons het volgende:
Toen ze thuis kwamen, waren ze blootsvoets en hadden haast geen kleren rond hun lijf. Op de boerderij hadden ze weinig en geen gepaste verzorging. Beiden zijn kort na elkaar bezweken aan de Spaanse griep”.
 
Dit betreft twee broers, boerenzonen, uit de Kleine Molenstraat:
Camiel Stroef, geboren op 28 december 1893 zou sterven op 19 oktober 1918.  25 jaar.
Jan Stroef, geboren op 29 mei 1900 zou sterven op 29 oktober 1918. 18 jaar.
 
   In het kader van onze 90-jarige viering NSB Dudzele is dan ook het passend om ook deze Dudzeelse mensen te herdenken.
 
  Deze gedeporteerden of weggedrevenen verdienen een plaats in het geheel.  Misschien dat we vandaag niet onmiddellijk iedereen zullen kunnen terugvinden maar niets weerhoudt ons ondertussen ook hen te herdenken.
 
 Henri is later gehuwd met Renilde Vannieuwenburg en woonde samen met haar in de Kerkstraat. Hijzelf zou jarenlang de “facteur” of de postbode van Dudzele en haar Dudzelenaars zijn.
 
 Wie NSB Dudzele kan helpen aan dergelijke informatie, wordt vriendelijk en dankbaar uitgenodigd dit met ons te delen.

Henri en Renilde 

Met dank aan:
Dhr.André Proot
Dhr.Raymond De Vuyst
Dhr.Walter Stroef
Dhr.Arabelle Dekempe (voor foto 1 en 2).
 
 
Bronnen:
De Keyser, René. Oostkerke onder de oorlog 1914-1918. Rond de Poldertorens, 33ste Jaargang, nummer 4, 4de trimester, Westkapelle, 1991.
Ballegeer J., Danneels P., Dudzele in oude prentkaarten. Europese Bibliotheek – Zaltbommel Nederland, Zaltbommel, 1981.

Kamiel en Jan Stroef

  .

 
 
In ballingschap naar vreemde streken…
 
    Camiel (°28 december 1893) en Jan Stroef (°29 mei 1900) werden beiden aanvang oktober 1918 gedeporteerd door de Duitse bezetter.  Bij het naar huis komen enkele weken later, hadden ze wegens vermoeidheid en ontbering, de gevaarlijke en besmettelijke Spaanse griep opgelopen.
    Toen ze thuis kwamen, waren ze blootsvoets en hadden haast geen klederen rond hun lijf. Op de boerderij hadden ze weinig of ongepaste verzorging, bovendien was hun eigen moeder reeds vier jaar overleden.
Vader Gustaaf was ondertussen hertrouwd met Bertha Coelus (°1885 / +1967), er heerste armoede.
    Beiden zijn bezweken kort na elkaar aan deze erge griep: Camiel op 19 october 1918  en Jan, de jongste, op 28 october 1918.
     Op deze manier verloor vader Gustaaf drie zonen aan de Grote Oorlog en dit nog voor de wapenstilstand.  Constant Stroef was toen reeds drie jaar eerder overleden als militair maar Constant is onderwerp van een latere NSB brochure.

 

 

.

Dudzeelse gedeporteerden W-O2

 

 

                Cyriel Huys

 

 

 

 
 
 
 
Een Dudzeelse partizaan
Dudzele °1925 / +1945 Buchenwald
Cyriel Huys
Kampnummer 87.117
 
 
Donderdagavond 10 juni 2010. Het is al na half negen. Maria en Robert ontvangen Martin en mezelf spontaan en gastvrij in hun ruime woning te Brugge. Voor ons ligt plots een donker en dik wijnkleurig inplakboek op de tafelnap.  In het onberispelijke boek schuilt een zorgvuldig bijeengebrachte verzameling feiten en documenten. Het wordt al vlug duidelijk dat de verdwijning van Cyriel in de familie aanvaard werd maar in ruil hiervoor zou Cyriel blijven bestaan in levendige herinneringen. 
 
De donkerrode kaft van het boek lag gespreid als een lijkwade. Binnenin getuigde blad na blad van een geliefd familieverleden. Op de kaft lag een foto zoals men dat soms ziet op een grafsteen. Boek en begraafplaats zijn hier één geworden. Een plakboek als relikwie. Een schrijn in de plaats van een urne met as.
 
Maria heeft het als haar taak gezien om de vele opmerkelijke stukjes geschiedenis, fragmenten, tot één geheel samen te brengen. Het resultaat nodigt enerzijds uit om na te denken over familiebanden, verdriet en het zoeken naar erkenning. Anderzijds nodigt het uit om te willen begrijpen wat er toen juist gebeurd is en waarom.
 
Dit is geen gewoon verhaal omdat de angst voor wat wij niet weten, hetgeen wij meest vrezen en toch denken, zo sterk aanwezig is. 
 
Cyriel Huys werd geboren op 16 september 1925. Cyriel zou sterven, aanvang april 1945. Hij was toen nog steeds amper 19 jaar oud.
 
Boerenzoon Cyriel was de oudste van de kinderen en was paardenknecht. Hij reed ondermeer af en toe met wagens beladen met bakstenen voor een steenbakkerij in Heist. Cyriel werd tijdens de oorlogsjaren ook opgeëist om te rijden voor de Duitsers.
 
Omdat Cyriel zich gemakkelijk kon verplaatsen, als gevolg van z’n taken, en doorgangsbewijzen of “Scheinen” had, werd hij spoedig gecontacteerd door jongemannen uit de buurgemeente Damme. Gelokt door het avontuurlijke en gedreven door haat tegen de bezetter werd Cyriel lid van deze groep partizanen.
 
Al vlug werd Cyriel ingeschakeld bij verzetsdaden zoals brandstichtingen (graan en stro), sabotage aan treinen en spoorweginrichtingen, kapotsnijden van telefoondraden en het vernielen van een Duitse uitkijkpost boven in de grote schuur van Medard.
 
Februari 1944 werden Cyriel en de anderen verraden aan de Duitsers. De Gestapo arriveerde op Dudzele. Vader Huys werd meegenomen aan de Wissel. Toen Cyriel dit echter vernam, gaf hij zich vrijwillig op.
 
Te Brugge werd hij veroordeeld tot het concentratiekamp. Cyriel had tijdens het proces steeds volgehouden dat hij op de uitkijk had gestaan en nooit een wapen had gehad noch geschoten had. De Duiters hebben gezocht naar een geweer maar nooit een wapen gevonden. Had men een wapen gevonden, wachtte Cyriel wellicht het vuurpeleton.
 
Cyriel werd gefolterd te Brugge. Zo ook later te Breendonk. Hij werd steeds verder weggevoerd in oostelijke richting.
 
Uiteindelijk zou hij in een kamp in de buurt van Theresiënstadt belanden.   Levende doden achter prikkeldraad. De Russen rukten echter snel op en het kamp werd verhuisd naar Buchenwald. Velen moesten eerst op krachten komen om de reis per spoor aan te kunnen. Een transport met kolen-, goederen- en beestenwagons. Aanvang april 1945 moest Buchenwald ontruimd worden voor de oprukkende Amerikanen. Duitsland vocht haar eindstrijd en zat in een tang. Wie Buchenwald niet kon verlaten wegens zwakte of ziekte werd met de kogel afgemaakt. Wat er juist met Cyriel gebeurd is, zullen we nooit meer kunnen achterhalen. Kort na z’n dood werd Buchenwald bevrijd door de Amerikanen.
 
In 1949 werd het vermoedelijk overlijden van Cyriel door de overheid erkend. Later volgde de officiële bevestiging of erkenning als politiek gevangene en werd Cyriel postuum geëerd. 
 
Ondertussen was de broer van Maria, Cyriel Coppens (°26 december 1921), stil aan tafel komen bijschuivelen. De beide krukken werd naast de stoel neergelegd. Z’n onhandige armen beefden zoals lippen gebeden prevelen. De ogen stonden scherp. Hier werd immers gesproken over zijn jeugd, zijn tijd. Cyriel is na de bevrijding opgeroepen geweest om zich te vervoegen bij het Belgisch leger. Hij diende hiertoe naar Oostende te gaan en ’s nachts de overtocht te maken naar Engeland. In Engeland diende hij het transport. Hij zou het front nooit zien. Wel leren rijden met allerhande transportvoertuigen en ondertussen Engeland goed leren kennen, Stoke-on-Trent, Bradford, Huddersfield en nog vele andere plaatsen. Als jongemannen lonkten ze al eens naar een Engelse schone maar dat viel niet in goede aarde; de “little Belgians” konden gaan. Wat Cyriel ook verbaasde was een zedelijke vrijheid die bepaalde koppeltjes onder de struiken namen. Het vrome Vlaanderen was ver weg.
 
De gastvrijheid waarmee Martin en ikzelf ontvangen werden, getuigde van een rasechte Vlaamse authenticiteit die weinig te maken had met de vervlakking die bij velen ontstaan is door onze materiële welvaart. Een authenticiteit ontstaan door het bewaren en eerbiedigen van de oude verhalen en hun menselijke gevoelsmatige verbanden. In ons gesprek werd anders naar mensen gekeken, op een vollere en diepere manier. Onze dank hiervoor.

Auteur: Paul De Vuyst

 

                 Robert Brusselle    

 

 

Een Dudzeelse gedeporteerde
Robert Brusselle
 
Ramskapelle °1924 / +1945 Itzehoe (D)
 
Schleeswig-Holstein, Noord-Duitsland
 
Zondag, 26 september 2010.  Een warme zonnige september namiddag. Zeebruggenaar Louis Claeys ontving Martin en mijzelf sympathiek op “grootmoeders” wijze. Louis werd geboren op 15 juni 1924 maar oogt veel jonger.
 
Wij zijn samengekomen om over de laatste jaren van Dudzelenaar Robert Brusselle te praten. Voor ons liggen een stapeltje foto’s met elk een eigen verhaal. 
 
De foto’s nodigen uit om de verhalen te kennen. Louis blijkt de ideale gids te zijn.
 
Louis heeft Robert en een groepje andere Dudzelenaars leren kennen in het station van Brugge op de dag van hun deportatie.
 
Robert Brusselle werd geboren op 21 augustus 1924 te Ramskapelle. Robert zou sterven, op 30 april 1945, drie weken na dorpsgenoot Cyriel Huys. Hij was toen 20 jaar oud.
 
Het verhaal van Louis Claeys begint te Zeebrugge. Te Zeebrugge bevond zich een batterij luchtafweer op de boerderij van Gheyle. Deze batterij had naast de gebruikelijke bunkers ondermeer haar eigen cinema. Onderofficier Willy Feltmann van de Wehrmacht, belast met de leiding van het complex, kende de familie Claeys die vaak op bezoek kwam op het hof van Gheyle. Feltmann wist dat vele jongens op het punt stonden gedeporteerd te worden om als verplicht tewerkgestelden vooral in fabrieken te werken. Fabrieken die vaak blootgesteld werden aan geallieerde bombardementen. Op voorspraak van Feltmann kon Louis echter naar de hofstede van z’n ouders in het noorden van Duitsland nabij de Deense grens en op 60 kilometer van Hannover. Louis vertrok op 19 mei 1943, net voor de middag, vanuit Zeebrugge. De eerste halte op de treinreis was Brugge. Drie Dudzelenaars stapten op en samen begonnen zij aan een nieuwe wending in hun leven. Ook twee Blankenbergenaars vervoegden zich bij het groepje.
 
Robert Brusselle, Marcel Slabbinck en Fons Vereecke uit Dudzele, de gebroeders Felix en Fernand Arents uit Blankenberge en Louis Claeys uit Zeebrugge zouden pas een volle dag later de trein verlaten. Maurice Gheleyns huilde toen hij plots gescheiden werd van de groep. Hij had als enige de bestemming Osnabrück.
 
Toen de trein eindelijk aankwam stond boer Nagel, de boer van de hofstede van Louis, reeds met gespan te wachten. Louis vertrok en Robert zou op amper 1 kilometer op een andere boerderij in het plaatsje Beeckhof tewerkgesteld worden. De boerderij van Robert was een gemengde boerderij maar meest met koeien. Beiden werkten als een soort “koeiers”.  De Blankenbergenaars Arents en Marcel Slabbinck zaten te Krümmendick.
 
Als verplicht tewerkgestelden woonden en leefden zij op de boerderij. Elke dag werken maar op zondag hadden ze vrij. Krijgsgevangenen ontvingen regelmatig grote paketten van het Rode Kruis en werkten maar binnen bepaalde uren. De verplicht tewerkgestelden genoten deze voordelen niet. Op zondag werd er echter niet gewerkt door de gedeporteerden tenzij het nodige melken van de koeien. 
 
Bij Louis werkte nog een gedeporteerd 18-jarig meisje uit de Oekraïne. Bij Robert werkte een Franse krijgsgevangene. 
 
Deze protestantse boeren waren menselijk zolang men z’n goeie wil toonde en het werk presteerde die gevraagd werd.
 
Er was een katholieke kerk in het nabij stadje Itzehoe. Een drietal keer werd geprobeerd naar de misviering te gaan op zondagmorgen maar telkens ging het luchtalarm af waardoor er uiteindelijk niet meer naar de mis werd getrokken. 
 
Zondagen werden door het vijftal (Louis, Robert, Felix, Fernand, Marcel en Fons) steevast ingevuld met een bezoek aan de boerderij-kolenhandel-Post-Gasthof. Daar werd een glas gedronken (helft bier, helft limonade). In de namiddag werd telkens afgesproken op de boerderij van Louis bij de familie Nagel. De namiddag werd dan doorgebracht met het lezen van post en het schrijven van brieven of kaarten.
 
Het loon was 60 mark en werd maandelijks betaald. Het grootste deel van het geld werd naar huis gestuurd.
 
Op congé gaan kon niet maar het eten was goed. Ze hebben nooit iets tekort gehad. Fons Vereecke zou eens tijdelijk veertien dagen verblijven op de boerderij van Louis.
 
Louis vroeg ooit eens aan boerin Nagel waarom er nergens een portret van Hitler te zien was in het huis. De boerin antwoordde dat er nooit een portret zou komen want Hitler had haar kinderen afgenomen. De boerin haar eerste man was gesneuveld tijdens de Grote Oorlog. Zij was opnieuw gehuwd met Nagel. Op de schouw stond een foto van een tweeling; de ene vermist, de andere gesneuveld. Later zouden de andere twee zonen, ook sneuvelen; de ene aan het oostfront, de andere in Normandië.
 
Naarmate de Russen dieper en dieper in Pruisen of Oost-Duitsland oprukten, vluchtten meer en meer Pruisen westwaarts. Zo diende Robert Pruisische vluchtelingen van de trein op te halen. Vele Pruisen waren ziek. Robert werd toen meer dan waarschijnlijk besmet. 
 
Robert zou drie weken te bed moeten blijven met hoge koorts. De diagnose was kroep of difterie. Louis is vaak bij Robert op bezoek geweest en heeft ook gezien hoe het kleine driejarige Duitse boerenzoontje met de bedlegerige Robert samenspeelde en gelukkig zelf nooit ziek werd. Uit bittere noodzaak werd Robert opgenomen in het hospitaal van Itzehoe. Hij herstelde. Maar luchtalarm zorgde ervoor dat zieken, zelfs met koorts, telkens werden verhuisd. Robert werd terug ziek en zou nooit meer herstellen. Op 30 april ’s morgens stierf Robert in het hospitaal. ’s Avonds stonden de Canadezen te Itzehoe. Robert heeft nooit z’n bevrijders gezien.
 
Louis Claeys, Marcel Slabbinck, Fons Vereecke en de twee broers Arents hebben dan hun geld samengelegd voor een grafzerk. Op 5 mei 1945 werd Robert op het kerkhof van Itzehoe begraven. Pas veel later zou Robert ontgraven worden en een graf krijgen te Dudzele.
 
Louis heeft de Canadese bevrijders wel gezien maar moest nog drie weken wachten alvorens terug te kunnen keren. De reis terug begon met leger- en kolenwagens. Maar dat is een ander verhaal.
links Arents, Claeys, Azeands, Vereeke bruselle, slabinck,  vereecke, claeys arents f, bruselle robert, claeys luis, slabinck marcel marcel slabinck, fons vereecke robert bruselle, louis claeys de hoeve waar claeys verbleef louis claeys, robert bruselle louis claeys, robert bruselle boerderij hoeve

p