Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

DEEL 2 Dudzele De nasleep van de oorlog

Deel II
 
Dudzele. De nasleep van de oorlog.
 
 
Tekst: P.De Vuyst
 
In het interbellum was de verstandhouding tussen de veteranen of de “Anciens Combattants” groot en goed. Men zou kunnen zeggen dat men verder leefde als kameraden onder soldaten. De Dudzeelse oudstrijdersvereniging, opgericht in 1919, werd geleid door dhr.Valentin Vanaudenaerde. Valentin was zelf drager van 8 frontstrepen, het maximum aantal. Voor de kinderen van de oudstrijders van het dorp werd er jaarlijks ondermeer een groot Sinterklaasfeest gehouden in de Drie Zwanen. Verder was er met Kerst een kerstboom tot aan het plafond. Volledig versierd en de pakjes kwamen via de familie Vanaudenaerde. NSB Dudzele was meer dan een vereniging van oudstrijders. Zij hielp mee een sociaal netwerk te bieden voor haar leden in nood.
 
Valentin en Marie De Haene (oudste dochter van dokter De Haene) zouden samen een grote rol spelen in het oprichten van de kapel ter herdenking van de Dudzeelse gesneuvelden. Er stond ook een offerblok. Het verzamelde geld uit de offerblok van de kapel werd gebruikt om misvieringen te houden.
 
In de jaren dertig werd de roep om erkenning van de frontsoldaten steeds luider. In mei 1932 ondertekende Koning Albert een wet waarin de Vuurkruiser werd erkend (met bijhorende roodkleurige vuurkaart voor de houder). Vuurkruisers waren nu officieel soldaten die minstens een jaar lang deel hadden uitgemaakt van een eenheid die op het front had gestaan en contact had gehad met de vijand. Sindsdien bestonden er twee soorten veteranen.
 
Na de tweede wereldoorlog ontstond een nieuwe groep oudstrijders. Dit waren soldaten die de 18-daagse veldtocht hadden gemaakt in mei 1940. De oudstrijdersvereniging Dudzele, nog steeds onder leiding van Valentin Vanaudenaerde, maakte voor hen geen uitzondering en sloot hen solidair in de armen. Het verschil tussen 18 dagen en jaren oorlog viel echter voor sommige veteranen moeilijk te verteren.
 
Ondertussen was de roep, op nationaal en provinciaal vlak, van de Vuurkruisenbond om meer erkenning in stijgende lijn. In 1955 publiceerde “De Nationale Vuurkruisenbond” het bekende “GROENBOEK” met als ondertitel: “Voor het streven naar en het verwezenlijken van meer rechtvaardigheid in de wereld der Oudstrijders 1914-1918”. De rechtvaardigheid werd gezocht in “beloningen”, “vergoedingen” en “prioriteiten”. Zo was het steeds meer gelijkstellen bij het uitgeven van vereremerkingen en vergoedingen een doorn in het oog van de vuurkruisers. De mannen van de “achteruitlinies” verdienden dit niet volgens hen. De Vuurkruisenbond werd op nationaal niveau geleid door niemand minder dan piloot Ridder Willy Coppens.

 

Het “Groenboek”, verstuurd op 28 juni 1955 (zie poststempel bovenaan rechts).
 
De boekjes met groene kaft werden in het Nederlands en in het Frans het land rondgestuurd onder andere naar de leden die zich in de jaren dertig massaal hadden ingeschreven in het Guldenboek der Vuurkruisers.   Een vijandige toon was gezet. Een kleine interne oorlog begon van hoog tot laag; vanuit de nationale politiek tot aan de lokale oudstrijdersvereniging. Deze wrijvingen, die vaak tot op spijtig persoonlijk niveau tussen oudstrijders werd gestreden, werd ingegeven door een aantal elementen. De oorlog was reeds lang achter de rug, haar invloed taande, en er waren steeds minder vuurkruisers. De vuurkruisers waren reeds in de minderheid. Bovendien was er een tweede oorlog geweest. Een oorlog die een schaduw had geworpen op de kleinschaliger eerste.   De soldaten uit de tweede oorlog hadden “maar” 18 dagen gestreden, terwijl de vuurkruisers lange jaren aan het front hadden gestaan. De vuurkruisers eisten meer rechtvaardigheid in verhouding tot hun inspanningen. 
 
De propagandamolen zweepte op ondermeer met het verspreiden van postkaarten waarop de vuurkruiser stond afgebeeld met het kruis van Christus op de rug, tijdens een calvarietocht door het niemandsland van het front. De vuurkruisers hadden gevochten de anderen niet.

 

Daar waren wij alleen. De mannen van de vuurlijn” 
(Kaart uitgegeven door de Vuurkruisenbond, Brussel)
 
De vuurkruisers stapten plots niet langer samen op in de stoet met de andere oudstrijders door Dudzele. Hetzelfde scenario in vele andere gemeenten. Zij stapten apart achter hun eigen vlag in de 11 november-stoet.    Het hoeft niet gezegd dat dit hier en daar leidde tot ruzie en verdeeldheid in dorpen en steden, zo ook in Dudzele. 
 
Diep van binnen werd de wrevel en de ruzie voor een stuk ingegeven door een ander aangevoeld onrecht, namelijk dat van armoede en trots. De soldaten in de vuurlinie waren doorgaans ongeschoolden, arbeiders en vooral landarbeiders. Mensen van eenvoudige en arme komaf. De mannen van de achteruitlinie, de zogenaamde “embusqués” zaten zogezegd veilig ver weg van het front en betroffen volgens de vuurkruisers vaak militairen met een bepaalde scholing (met vaak kennis van het Frans) of specifieke ambacht. Zij zaten vaak in opleidingscentra, hospitalen, administratieve diensten van het leger, bevoorradingsdiensten, transporteenheden, oorlogsindustrie, enz. Op politiek vlak was het een strijd om meer rechtvaardigheid, op sociaal vlak werd het soms aangevoeld als een strijd tussen bevolkingsklassen.
 
Jozef De Vuyst kende beide werelden. Hij zat de eerste helft van de oorlog in de achteruitlinie en de andere helft in de hel van het front. Is het mede daarom dat hij (te) heftig de kar van de vuurkruisers trok? Hoedanook creëerde de ganse toestand soms een kwalijke nasleep of spanningen tussen bepaalde veteranen en families in het dorp.
 
Maar dit was niet de enige “oorlog” tussen oudstrijdersverenigingen in ons land. Er was ook de strijd tussen de Nationale Strijdersbond (NSB) en de Vlaamse Oud-Strijdersbond (VOS).

De harde levensomstandigheden aan het front, winter 1917 - 1918