Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

DEEL 1 BelgiŽ. Een beknopte ruwe schets van een sociaal rauwe context, 1919-1939.

.

 
De (on)bekende soldaat. 
 
Deel I
 
 België. Een beknopte ruwe schets van een sociaal rauwe context, 1919-1939.
 
Tekst: P.De Vuyst

 

Fotokaart uitgebracht ter gelegenheid van de terugkomst van de koning en z’n soldaten (Brussel). Dit is echter geen standbeeld voor de teruggekeerde levenden wel een monument voor de doden (“A nos Soldats morts pour la patrie”). Locatie: Sint-Jansplein Brussel, monument van Mascré (1919).
 
Toen er vrede was,  kwam plots een eind aan een emotionele intensiteit die de oorlog had gekenmerkt en daalde er een stemming van melancholie over Europa neer. De maatschappelijke dromen van weleer bleken utopie, wreed verjaagd door inflatie, werkloosheid (bijna alle fabrieken waren in bezet België door de Duitsers ontmanteld geweest), ziekte en ontbering. De griepepidemie eiste meer slachtoffers dan de oorlog zelf. De algemeen opkomende gedachte dat de oorlog misschien zinloos was geweest, was zo verschrikkelijk dat men deze gedachte voorlopig verdrong. Men treurde om dierbare overledenen. ‘Opdat wij niet vergeten’. Die woorden werden telkens herhaald maar men was vergeten wat men precies wilde; herdenking van de doden of vreugde om de teruggekeerden.  Er werden verenigingen van oudstrijders opgericht, maar niet iedere soldaat wou daar lid van worden. België had gewonnen, maar wat had ze gewonnen?  Het Verdrag van Versailles leverde voor België een toekenning op die voor veel oudstrijders absoluut niet in overeenstemming was met het geleden leed, de opofferingen en de geleverde inspanningen. Zelfs de winst van de overwinning werd België niet gegund. 
Men wou terug naar een normale toestand maar niemand wist hoe. “Welke betekenis en nut had de oorlog eigenlijk gehad?” bleef stil heersen in de huisgezinnen.   
 
In het begin van de jaren twintig verschenen talloze officiële geschiedschrijvingen van de oorlog in zijn geheel en regimentsverslagen, maar die verdwenen, na vriendelijke herdenkingswoorden, naar planken van bibliotheken en werden niet gelezen of, als ze wel gelezen werden, niet verder besproken. Er werden massaal gedenktekens opgericht.   Doden herdenken, ja. Dieper nadenken of beschouwen, nee. De oorlog had haar plaats in de sociale en maatschappelijke context nog niet gevonden.
Het oude morele gezag en de traditionele waarden waren niet langer geloofwaardig. De onmiddellijke na-oorlogse maatschappij bood onzekerheden. Men voelde zich emotioneel ontevreden en rusteloos in persoonlijk verdriet. Er heerste economische onzekerheid. Velen voelden zich niet langer thuis. Een weg terug naar het vooroorlogse gouden tijdperk met ”traditionele zekerheden“ was onmogelijk (was de soldaat immers zelf niet op verre plaatsen geweest waar z’n ouders nooit waren geweest, had hij immers geen goddeloze zeden gezien en gehoord die voordien zeker en vast tot verdoemenis hadden geleid).
 
Im Westen nichts Neues van E.M.Remarque verscheen in januari 1929. De doorbraak van dit boek had als gevolg dat latere maar ook eerder verschenen oorlogsboeken beter aanvaard werden. Aan het stilzwijgen van de oorlog zou na 10 jaar beetje bij beetje een einde komen. Het boek van Remarque had duidelijk gemaakt dat oorlog soldaten kneedt en boetseert, dat soldaten, als een soort kring van zonderlinge ingewijden, begrip nodig hadden voor het feit dat ze zich niet meer zomaar konden integreren in de naoorlogse maatschappij.  De “klamme” periode tussen 1918 en 1933, waar weinig plaats was voor “echte” persoonlijke ervaringen, is echter wel de (weliswaar weinig succesvolle) periode gebleken van een grote diversiteit aan interpretaties/publicaties over de oorlog. Misschien kon men dan, na meer dan 10 jaar, toegeven dat de oorlog een monsterlijke afschuwelijke zaak was en dat er geen hoger doel mee gediend was.
 
België
Tegenover de ontzaglijke gebeurtenis, die de wereld op haar grondvesten deed sidderen, voelden de letterkundigen hun werk aan als iets waaraan ze zich niet durfden over te leveren omdat ze dit niet konden plaatsen of duiden, louteren of afronden. Het zou jaren vergen om deze wereldbrand in passende bewoordingen te vatten. Het was ook pas na 10 jaar verering van de doden en hun heldenmoed dat men in het collectief bewustzijn een stap nader kon zetten naar de werkelijkheid.  De onbekende soldaat die de oorlog had overleefd, rees stilaan op uit de anonimiteit. Waren ook zij immers niet ook een beetje helden en aldus meer dan simpele soldaten die met het spreekwoordelijke “Vlaamse geluk” de oorlog hadden overleefd. (De opeising van de gevolgen van deze oorlog voor onze streek en ons land, op internationaal niveau, als collectief drama, zou zelfs nog veel meer tientallen jaren op zich laten wachten).
 
Het vacuüm
De soldaat aan het front voerde de oorlog met een verbijsterend plichtsbesef en grote offerbereidheid. Echter na de oorlog overheersen ontgoocheling, bitterheid en ironie. Met een koppigheid eigen aan de Vlaamse kassei bleef de oudstrijder volharden in een melancholisch verlangen naar een onaardse, authentieke onbedorvenheid, naar een zuiverheid van de jeugd en de natuur van voor de oorlog.   Hij wrocht idealistisch voor een wereld waarin het verleden zou herrijzen.
De gelovige soldaat die na de oorlog terug gezinshoofd, patriarch werd, leefde in een emotionele en sociale context met contradicties. Achter de Leuvense stoof enerzijds het harden van verdriet en andere nachtmerries in een eenzaam stil verbijten. Anderzijds het publiek herdenken, eren en vieren van die doden. Deze tegenstrijdigheid tussen wat publiek niet getolereerd werd (de waarheid van het individuele treuren om een glorieuze dode en dat van de rauwe werkelijkheid van een dierlijk overleven in de strijd) en de feestelijke herdenkingen waar enkel plaats voor glorificatie was, gaf de ex soldaat geen toestemming om de ware aard van het soldatenleven met haar pijnlijke kanten, au fond te ventileren via het geschreven woord. Aan de andere kant politiekers die hun “theorie” rond oorlogvoeren voor realiteit willen laten doorgaan.
 
De maatschappij werd na 1918 door brede pacifistische stromingen doortrokken maar de doden mochten niet verraden worden door het sterven als gevolg van de oorlog te bekritiseren. De gesneuvelden moesten helden blijven. Elk negativisme over de oorlog werd een verraad en een belediging van de dode helden.

 

 

Foto 2. Oostende. Monument voor het 23ste Linieregiment in aanbouw. 1922. Gevleugelde overwinningsgodin (in brons) met lang gedrapeerd kleed, lauwerkrans en zwaard. De lauwerkrans staat voor de heroïsche overwinning, het zwaard voor gerechtigheid. De onthulling van het monument had plaats op 3 september 1922.
 
Op veel steden en gemeenten vond het oprichten van monumenten voor de gesneuvelden
spontaan plaats, op initiatief van oudstrijders zelf of van hun families of de plaatselijke overheid, dit wil zeggen vanuit de samenleving. De monumenten zelf beantwoordden aan een vorm van sociale rouw op brede schaal, aan het besef van onmetelijk verlies. Maar aan de oorlog zelf werd niet geraakt.  De gesneuvelden ontnamen de overlevenden hun triomf. De doden waren de helden, niet zij de overlevenden. Maatschappelijk ontstond, uit de vele herdenkingen, een soort van burgerlijk patriottisme uit respect voor de offers van de doden.
 
Voor het echte verhaal van de oorlog, van die soldaat in de loopgrachten, van de soldaat die z’n vriend in een doorkogelde bebloede overjas onder een molshoop begroef, van de krijgsgevangene, was er nog geen voldoende plaats. Het overbruggen van het vacuüm dat hierdoor ontstond tussen de geharde soldaten (vaak niet zonder schuldgevoel) en wat publiek maatschappelijk aanvaard werd, had een wederzijds rijpingsproces nodig. Het “relativeren” van maatschappelijke en sociale aspecten, zoals wij dat heden zo goed onder de knie hebben, was toen niet echt deel van de heersende mentaliteit.
 
De politieke barrière
Vlaamse soldaten voelden zich Vlaming maar lang niet iedereen voelde zich flamingant in de politieke zin van het woord. Onder de soldaten aan het front werd doorgaans weinig aan politiek gedaan. Velen duldden geen politieke polarisering van hun Vlaams zijn en wensten enkel de taak van soldaat te volbrengen. Men hoopte hierbij met grote voorrang dat er snel een eind zou komen aan deze uitzichtloze oorlog en dat ze eindelijk naar huis zouden kunnen. Na de oorlog voelden velen zich in hun politieke hoop bedrogen. De veranderingen kwamen niet en er was de economische crisis. Veel ex-soldaten zouden later verklaren misbruikt te zijn door een intellectueel elitaire groep die uiteindelijk enkel uit eigen belang en voordeel handelde…
 
Voor God en Vaderland
Het katholieke geloof was diep doordrongen in het alledaagse vooroorlogse leven in Vlaanderen. Patriottisme maakte er alshetware integraal deel van uit.  Bekijk de teksten op gebedsprentjes voor gesneuvelden “Onze dappere mannen, optrekkende voor God en Vaderland”. Zo zijn er veel voorbeelden.  Na de oorlog zou dat geloof, tengevolge van de harde rauwe oorlogsrealiteit en ontgoocheling een flinke deuk krijgen en bij velen leiden tot een vorm van verwezing van het geloof en aldus een verlies van traditioneel houvast betekenen.
 
Periode 1919-1929
Onmiddellijk na de oorlog waren de herinneringen nog te vers en rauw en niet geschikt geacht voor publicatie in boeken. In de jaren twintig moest een goed oorlogsboek edel, mooi en verheffend zijn en de lezer duidelijk maken dat zo’n oorlog nooit meer mocht plaatsgrijpen. Er werden geen persoonlijke ervaringen van gruwel en ellende verwacht.
 
De schrijvers bleken vaak nog geen schilders van gebeurtenissen of ontleders van het menselijk hart zoals een Ernest Claes. Het zijn in hoofdzaak verzamelingen van feiten over persoonlijke ervaringen maar juist daarom een erg belangrijk onderdeel van het literaire nalatenschap. Er is in deze werken nog weinig behoefte aan het duiden of situeren in het groter geheel der gebeurtenissen noch het louterend bezinnen. Dit zou echter stilaan veranderen en de soldaten zouden hun plaats opeisen.

 

Afbeelding 3. Omslag van het boek “De modder van Vlaanderen”, 1923. De tekening geeft een gehelmde doodskop weer met daarachter een gekruiste knook met bajonet. Een anti-oorlog tekening.
 
Periode 1929 -1939
De Belgische vuurkruisers, de oudstrijders vertelden tot diep in de jaren twintig hun verhaal achter de warme stoof aan hun jonge kinderen. Voor vele soldaten was dit eenvoudig gegeven hun therapeutische loutering en hun hoop op een betere toekomst. Het gaf hen de kans om verhalen “uit de rand” te vertellen, verhalen die in de schemerzone van een sociaal “stil” opgelegde zwijgplicht anders nooit zouden verteld geweest zijn; verhalen van onder andere soort oorlogsgruwel, van haat, afgunst, diefstal, zelfmoord en zelfs (ongestrafte) moord in de eigen rangen aan het front.
De periode na de oorlog was een harde tijd. Een tijd waar vaak geen geld was voor pen, inkt en papier. Er was de dwingende zorg om brood op tafel te krijgen.
 
Het einde van de Eerste Wereldoorlog betekende het einde van een lange epische, aristocratische traditie waarin militarisme verbonden was met eer. Velen die zich al geroepen voelden te schrijven zagen zich gedwongen twee tegenstrijdige eisen met elkaar te verzoenen: de eis om waarheidsgetrouw te getuigen en de dwingende conventies van eer en glorie. Dat deze tegenstrijdigheid leidde tot frustratie en irritatie onder oud soldaten in relatie tot hun “onbegrijpend” publiek zal dan ook weinigen verbazen. Deze frustratie werd gedeeld door Waalse en Vlaamse soldaten.
 
Misschien kan dat hier best omschrijven worden aan de hand van een tekst van een Waalse schrijver. Dhr. Jules Blasse (uit Bergen) schrijft het volgende in de winter van 1931-1932 in het voorwoord van z’n boek:
 
“Remarque staat terug in de schaduw na succes gemaakt te hebben. Z’n boek “Van het Westelijke Front geen Nieuws” heeft oorlogsboeken terug in de mode gebracht.    De mode is zoals de dagen, zij passeren vlug; oorlogsboeken wil men niet meer. Wees niet afgeschrikt door de titel “Chez Mademoiselle Rose…pendant la guerre” want dit betekent niet dat ik de intentie heb om steeds maar verhalen uit de loopgrachten te herhalen, ik voel aan dat U het beu bent en ik ook overigens. Men heeft U ware verhalen verteld, valse en U heeft ze allemaal geloofd.”
 
Het was een tijd van rouwen en grauw heropbouwen. Zoeken naar de waarheid was één iets, wie die mocht vertellen een ander iets.
 
De redactie van het boek “Ceux de 1916-1918” deelt ons, in 1933, het volgende mee in de inleiding van hun tweetalige boek:
 
“Onze batterijen, en daar zijn wij trots op, hebben zich steeds gekenmerkt door een bewonderenswaardige geest van samenhorigheid, van onderlinge verdraagzaamheid en vriendschap, welke zelfs niet teloor is gegaan in het teleurstellende na-oorlogsleven.”
 
Het groeiende vacuüm tussen soldaten en het grote publiek. De kloof tussen “de generatie van het front” en “de maatschappij thuis”. De pijn van blijvende ontheemding. De last van wat velen weten maar niet of te moeilijk kan uitgesproken worden.
 
Besluit, de periode tussen beide wereldoorlogen
De nalatenschap van de vuurkruisers en oudstrijders was niet klein maar is vooral van grote waarde.   Heel wat Belgische oorlogspoëzie en oorlogsnovellen mogen vele malen, en terecht, met de hoofdletter L van Literair bestempeld worden. De werken van onder andere een Max Deauville, De Backer Franz, Frits Francken, August Van Cauwelaert, Daan Boens staan hierbij, elk voor hun genre en hun gemoedsinvulling hoog aangeschreven, onder andere:
  • als getuigenis (feiten),
  • als proces van geestelijke verwerking (bezinning),
  • als zoektocht naar hoop (bijv.nooit meer oorlog).
 
Vlaanderen beschikt over een onderschat en belangrijk literair oorlogslegaat.
 
Ons eigen literair oorlogslegaat slaagde er echter onvoldoende in om het psychisch lijden van de frontsoldaat, als gevolg van oorlogstrauma’s, de geestelijke ontheemding (verlies aan houvast) en sociale vervreemding (vereenzaming) op een kwetsbaar gevoelige wijze te beschrijven.
Later zou echter een andere nog grotere oorlog, op een moment waarop de soldaat zijn offers literair verder uit de schaduw had kunnen halen, alle aandacht voor tientallen jaren meedogenloos voor zich opeisen. Waardoor kostbare tijd onherroepelijk verloren ging.
 
In ons collectief geheugen zit er echter een belangrijke erfenis aan verhalen, die ons niet enkel als gemeenschap van mensen verbindt, maar tevens het vernoemde hiaat in onze eigen literatuur kan helpen invullen.
 
Toen mijn grootvader Jozef De Vuyst in het interbellum z’n manuscript over z’n oorlogservaringen aanbood bij drukkerij “Die Keure” te Brugge werd hij koudweg weggestuurd met de boodschap dat oorlogsboeken niemand meer interesseert…. Er waren er al genoeg….
 
Het manuscript is spijtig genoeg verloren gegaan.
 
Lees het vervolg in deel II en III : Nasleep van de oorlog te Dudzele en Jozef De Vuyst Patrouilleur.
 
Biografie
 
  • S.Audoin-Rouzeau, A.Becker, ’14-’18 De Grote Oorlog opnieuw bezien. Globe, Brussel, 2004.
  • De Cuyper Jos., Journal de Campagne 1914-1917. Genootschap voor geschiedenis, Brugge, 1968.
  • Van Isacker Karel, Mijn land in de kering (deel II). Antwerpen-Amsterdam, 1980.
  • Deflo Frederik, De Vlaamse Oorlogsliteratuur. Historische Monografieën, nr.2. Uitgeverij Decock, Aartrijke, 1991.
  • Zuckerman Larry, De verkrachting van België. Het verzwegen verhaal van de Eerste Wereldoorlog, Manteau – De Standaard Uitgeverij en Larry Zuckerman, Antwerpen, 2004.
  • Van Hoecke, H., De Eerste Wereldoorlog als thema in het Vlaams verhalend proza. Kon.Museum van het Leger en van Krijgsgeschiedenis, 1969.
  • Van Hauwaert, O., Vlaamsche Oorlogsliteratuur. Uitgeversfirma Vanderpoorten & C°, Gent, 1924.
  • Modris Eksteins, Lenteriten. De Eerste Wereldoorlog en het ontstaan van de Nieuwe Tijd. De Haan, Houten, 1990.
  • Blasse J., Chez Mademoiselle Rose…pendant la guerre. Editions du Journal “La Province”, Mons, 1932.
  • s.l., Die van 1916 -1918 - Ceux de 1916 – 1918. J.Verschueren,, Anvers - Bruxelles, 1933.
 
Foto’s: collectie P.De Vuyst
 
Met dank
Raymond De Vuyst en aan oude familieverhalen ten huize De Vuyst, Dudzele.